Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK8831

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
07/12056
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK8831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Bewijsmiddel ex art. 344.1 aanhef sub 2 Sv? 2. Noodweerexces. Ad 1. De tot het bewijs gebezigde inhoud van het pv behelst onderdelen die niet kunnen worden aangemerkt als mededelingen van f&o die door de verbalisanten zelf zijn waargenomen of ondervonden, maar hebben te gelden als mededelingen van deskundige aard. In zoverre kan dat pv dus niet worden aangemerkt als een bewijsmiddel a.b.i. de door het Hof genoemde bepaling. Dat leidt echter niet tot cassatie o.g.v. het navolgende. Het gebezigde pv houdt in dat het op ambtsbelofte/ambtseed is opgemaakt door de verbalisanten X en door Y mede in hun respectieve hoedanigheid van "vakspecialist Wapens & Techniek" en "senior Forensisch Onderzoeker" bij de afdeling Forensische Opsporing in de regio Rotterdam-Rijnmond. Blijkens het daarvan opgemaakte pv zijn beide verbalisanten ttz in hb door het Hof gehoord en zijn zij niet alleen als getuige maar ook als deskundige beëdigd, terwijl het Hof ieders specifieke deskundigheid heeft onderzocht. Zij hebben toen wat betreft inhoud en strekking in gelijke zin verklaard als door hen is gerelateerd in genoemd pv. Gelet op e.e.a. stond het het Hof vrij het gebezigde pv, vzv. het mededelingen van deskundige aard betreft, tot het bewijs te bezigen als een verslag van een deskundige a.b.i. art. 344.1 aanh sub 4 Sv (vgl. HR LJN ZD1615). De HR leest de bestreden uitspraak in dit opzicht verbeterd. Ad 2. Het middel betoogt dat het Hof eraan voorbijgaat dat, indien de afstand van het wapen tot de deur slechts een meter bedroeg, het hele incident niet meer dan enkele seconden duurde, zodat er te weinig tijd was "om de boosheid van verdachte te laten zakken". Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, volgt uit de vaststellingen van het Hof echter niet dat de aan het afvuren van de twee schoten voorafgaande handelingen eveneens slechts op een meter afstand van de deur hebben plaatsgevonden. Het oordeel van het Hof dat het, aangenomen dat verdachte over de bij hem aangebrachte snee heel erg boos was, niet aannemelijk is geworden dat daardoor een zodanige hevige gemoedsbeweging bij hem is veroorzaakt dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, is niet onbegrijpelijk. Dat feitelijke oordeel kan in cassatie niet verder worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 162
NJB 2010, 242
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12056

Mr. Bleichrodt

Zitting 25 augustus 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 22 mei 2007 de verdachte ter zake van 1."poging tot doodslag" en 3. en 4. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden.

2. De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld, welk beroep kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel zelf klaagt er over dat het Hof voor zijn bewijsconstructie gebruik heeft gemaakt van een proces-verbaal van twee opsporingsambtenaren dat aannames, (een) gevolgtrekking(en) en conclusies bevat, mede ter verwerping van het onderbouwde standpunt van verdachte inhoudende dat hij, nadat hij door de aangever in zijn hals was gesneden, zich heeft ontzet door met een vuurwapen naar de grond een aantal kogels af te vuren, althans één kogel, waarna het wapen nogmaals een paar maal is afgegaan. Meer in het bijzonder gaat het daarbij, naar ik begrijp, om de door de verbalisanten getrokken conclusie dat bij een afstand van 100cm vanaf de deur niet op de grond is gericht.

Daarnaast heeft de toelichting op het middel nog betrekking op een heel andere kwestie, te weten de motivering van de verwerping van het beroep op noodweerexces.(1)

3.2.1 Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 bewezen verklaard dat:

'hij op 01 mei 2005 te Rotterdam ter uitvoering van zijn voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met een vuurwapen meerdere kogels op [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.'

3.2.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2005 -zakelijk weergegeven- [CB: verklaard]:

Ten aanzien van feit 1 van het tenlastegelegde kan ik het volgende verklaren: Op 30 april 2005, na middernacht, was ik op de [a-straat] te Rotterdam, alwaar het café [A] is gevestigd. Ik zag [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer].) Ik heb met mijn pistool geschoten. Het wapen is meerdere keren afgegaan.

2. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris mr.drs. J.W.H.G. Loyson, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 3 juni 2005. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 3 juni 2005 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik had een vuurwapen bij mij. In totaal heb ik drie of vier keer geschoten. Na het eerste schot heeft die man mij losgelaten en die man is toen richting het café (het hof begrijpt: [A] aan de [a-straat] te Rotterdam) gelopen. Ik had toen weg kunnen lopen, maar ik was gesneden in mijn hals. Ik was over die snee heel erg boos. Ik heb daarna nog twee of drie keer geschoten. Ik schoot in de richting van de man die mij had gesneden. Wij stonden vlak bij de deur van het café. Ik weet dat de deur van het café is geraakt.

3. Een geschrift, te weten een kopie van een procesverbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005159962-1, d.d. 9 mei 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier van politie. Dit procesverbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (pagina 21 en volgende van bovengenoemd procesverbaal)

als de op 9 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer]:

Op 30 april 2005 ben ik naar het café [A] gegaan, gevestigd aan de [a-straat 1] te Rotterdam. s' Avonds laat zag ik buiten op straat voor het café de man met wie ik eerder ruzie had gehad. Enige tijd later begon de man plotseling op me te schieten. De man schoot met zijn rechterhand met gestrekte arm in mijn richting. Ik stond vlakbij de deur van het café. Er werd diverse malen door de man op mij geschoten. Ik heb gehoord dat de schutter [verdachte] of [verdachte] heet en van Kaap Verdische afkomst is.

4. Een geschrift, te weten een kopie van een procesverbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005150502-10, d.d. 13 mei 2005 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] voornoemd. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (pagina 40 en volgende van bovengenoemd proces-verbaal):

als de op 13 mei 2005 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de getuige [getuige 1]:

Aan het einde van Koninginnedag 2005 zag ik op de [a-straat], ter hoogte van het café (het hof begrijpt: café [A]), een man lopen met in zijn rechterhand een vuurwapen. Ik hoorde drie schoten, doch het kunnen er ook vijf of twee zijn geweest.

5. Een proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2005150502a, d.d. 27 april 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], brigadier van politie, tevens vakspecialist Wapens & Techniek en [verbalisant 2], brigadier van politie, tevens senior Forensisch Onderzoeker, beiden dienstdoende bij de afdeling Forensische Opsporing in de regio Rotterdam-Rijnmond. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (pagina 1 en volgende van bovengenoemd proces-verbaal):

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Inzake een schietpartij op 1 mei 2005 waarbij schoten zijn afgevuurd op de toegangsdeur van café [A] te Rotterdam is een nader rapport opgemaakt. De afstand tussen de beschadigingen (vermoedelijke schotsporen) A en C op de toegangsdeur en het trottoir bedraagt circa 142 cm respectievelijk circa 69 cm.

Beschadiging A:

De aannemelijke inslag van een projectiel dat een deel van de houtvezels heeft beschadigd en kennelijk daarop is afgeketst. De aanname dat deze schade is veroorzaakt door een projectiel dat in een schuine hoek op deze deur met een vuurwapen is afgevuurd, is gebaseerd op de vorm en de aard van deze schade. Gelet op de lengte van de verdachte (186: cm), de hoogte van deze beschadiging (142 cm) vanaf het trottoirniveau, de vorm van deze beschadiging en de verticale hoek van ongeveer 22°, kan het niet anders zijn dat in dit geval binnen een afstand van ongeveer 1 meter op de deur is geschoten.

Beschadiging C:

De kennelijke inslag van een projectiel dat een deel van de houtvezels heeft beschadigd en kennelijk daarop is afgeketst. De aanname dat deze schade is veroorzaakt door een projectiel dat in een schuine hoek op deze deur met een vuurwapen is afgevuurd is gebaseerd op de vorm en de aard van deze schade. Gelet op de lengte van de verdachte (186 cm), de hoogte van deze beschadiging, immers 69 cm van het trottoirniveau, de vorm van deze beschadiging en de verticale hoek van ongeveer 40°, kan het niet anders zijn dat in dit geval binnen een afstand van ongeveer 1,5 meter op de deur is geschoten.

Bij de afdeling Forensische Opsporing te Krimpen aan de IJssel werd het schietincident gereconstrueerd.

Conclusie:

Twee beschadigingen op de toegangsdeur van café "[A]" zijn zodanig karakteristiek dat hiervan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is aan te nemen dat ze zijn veroorzaakt door verschoten projectielen afkomstig uit de loop van een vuurwapen. Gelet op de hoogte van de beschadigingen is zeker voor wat betreft de beschadiging A vast te stellen dat bij een afstand van 100cm vanaf de deur niet op de grond is gericht.'

3.2.3. In het bestreden arrest heeft het Hof ten aanzien van feit 1 verder nog overwogen:

'Het Hof overweegt hieromtrent het navolgende. De verdachte heeft op 3 juni 2005 bij de rechter commissaris verklaard - zakelijk weergegeven - : Ik was heel boos over de snee in mijn hals, die mij was toegebracht door een man die mij met zijn elleboog tegen mijn keel tegen een auto had geduwd (hof: [slachtoffer]). Nadat ik een schot had gelost met het vuurwapen dat ik bij mij had, heeft die man mij losgelaten en is toen in de richting van het café (hof: [A] aan de [a-straat] te Rotterdam) gelopen. Ik heb daarna nog twee of drie keer in de richting van de man die mij had gesneden geschoten. Wij stonden vlak bij de deur van het café. Ik weet dat de deur van het café is geraakt.

In het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 mei 2005, blz. 22, verklaart [slachtoffer]: Het eerste schot was raak. Ik voelde dat ik in mijn linkerdijbeen geraakt werd.

In het proces-verbaal d.d. 10 mei 2005 opgemaakt door de brigadier van politie [verbalisant 3] en de brigadier van politie [verbalisant 4] verklaren beide verbalisanten:

Uit de verklaring van [slachtoffer] en uit een aan ons getoonde spijkerbroek en onderbroek bleek ons dat de aangever een schotwond had. Tevens zagen wij dat er in de spijkerbroek aan de linkerzijde een inschotopening zat. De aangever toonde ons tevens een onderbroek met eveneens een inschotopening.

Een medische verklaring/letselbeschrijving d.d. 28 juni 2005 betreffende [slachtoffer]; aanvrager [verbalisant 3], met als letselbeschrijving en conclusie onder meer:

Informatie van chirurg ontvangen over bezoek aan eerste hulp d.d. 1 mei 2005; wond aan de binnenkant van het linkerbovenbeen.

In het proces-verbaal d.d. 27 april 2006 opgemaakt door brigadier van politie [verbalisant 1] en brigadier van politie [verbalisant 2], beiden dienstdoende bij de afdeling Forensische Opsporing in de regio Rotterdam-Rijnmond, staat vermeld dat de aftand tussen de beschadigingen (vermoedelijk schotsporen) A en C op de toegangsdeur van café [A] en het trottoir circa 142cm respectievelijk circa 69 cm bedraagt.

Op grond van het vooroverwogene in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat de verdachte door het schieten met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] opzettelijk getracht heeft deze van het leven te beroven.

(..)'

3.2.4 In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof nog overwogen:

'Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte gericht op [slachtoffer] heeft geschoten en dat hij hem daarbij gelet op de hoogte van de inslagen A (circa 142 cm vanaf het trottoirniveau) en C (circa 69cm vanaf het trottoirniveau) dodelijk had kunnen treffen.

Het onder 5 genoemde proces-verbaal, opgemerkt [CB: opgemaakt] door de brigadiers van politie [verbalisant 1 en 2], beide dienstdoende bij de afdeling Forensische Opsporing in de regio Rotterdam-Rijnmond betreft een nadere uitwerking van het eerder ingestelde onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens van dat onderzoek in de vorm van foto's en metingen, die zijn vastgelegd door een van de verbalisanten, te weten [verbalisant 2], tijdens het op 2 mei 2005 op de plaats delict ingestelde onderzoek. Tevens is gebruik gemaakt van gegevens van het incident zoals deze zijn vastgelegd in het bedrijfsprocessensysteem. Bij de afdeling Forensische Opsporing te Krimpen aan de IJssel werd het schietincident gereconstrueerd.

Het hof is van oordeel dat dit betreft een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door personen, die daartoe bevoegd zijn en behelzende hun mededeling van feiten en omstandigheden door hen zelf waargenomen of ondervonden, als genoemd in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en dat dit proces-verbaal als zodanig kan bijdragen tot het bewijs.'

3.3 De gang van zaken is als volgt geweest. In deze zaak heeft de verdachte eerst toegegeven meermalen in de richting van [slachtoffer] te hebben geschoten (zie bewijsmiddel 2).

Nadien heeft hij het standpunt ingenomen dat het vuurwapen twee keer vanzelf is afgegaan. Door de verdediging is gesteld dat de verdachte (daarbij) niet gericht doch in de richting van de grond heeft geschoten en dat van een ricochet via de straat of het trottoir sprake is geweest.(2)

Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 2 mei 2005 de situatie ter plaatse opgenomen, foto's gemaakt van de beschadigingen aan de deur en te dien aanzien metingen verricht. Drie patroonhulzen en een projectiel waren al eerder ter plaatse aangetroffen.

Het Hof heeft ter terechtzitting van 28 februari 2006 bepaald dat de Technische Recherche een nader rapport diende op te maken "betreffende de aangetroffen sporen in de deur en deurstijl en met betrekking tot de schiethoogte, - afstand, - richting en - plaats, gelet op de verklaringen van de verdachte en de getuige [getuige 2] ten aanzien van het gericht dan wel ongericht schieten door de verdachte en de verwondingen bij het slachtoffer". Ingevolge die opdracht is een onderzoek verricht waarvan door [verbalisant 1] en genoemde [verbalisant 2] op 27 april 2006 proces-verbaal is opgemaakt, waarvan een deel tot het bewijs is gebruikt (zie bewijsmiddel 5).

Op de terechtzitting van 23 mei 2006 heeft het Hof ambtshalve onder meer de oproeping van de getuige-deskundigen [verbalisant 1 en 2] bevolen. Op de terechtzitting van 10 oktober 2006 zijn [verbalisant 2], senior forensisch technisch onderzoeker bij de technische recherche en [verbalisant 1], specialist wapens en explosieven bij dat onderdeel van de politie Rotterdam-Rijnmond gehoord. Ieder van hen is beëdigd als getuige en "voor zover zijn deskundigheid wordt aangesproken" als deskundige. De betrokkenen zijn uitvoerig gehoord en hebben volhard bij de inhoud van hun proces-verbaal van 27 april 2006.

3.4 Uit de toelichting op het middel is af te leiden dat het bezwaar van de steller van het middel is dat het Hof het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] tot het bewijs heeft gebruikt, terwijl dit ontoelaatbare meningen, gissingen en conclusies bevat, die gebaseerd zijn op aannames waarvan de juistheid niet is gebleken. Voor wat betreft dit laatste heeft het Hof in zijn hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overwegingen vastgesteld dat de verbalisanten zijn uitgegaan van de foto's en metingen die door de verbalisant [verbalisant 2] op de plaats delict zijn genomen, respectievelijk verricht en dat tevens de resultaten van een gehouden reconstructie zijn beschreven. Dat alles is zonder twijfel voor eigen waarneming en ondervinding vatbaar.

Verder geldt in het algemeen dat de mate waarin iemand feiten en omstandigheden zelf kan waarnemen en ondervinden afhankelijk is van de omvang van zijn kennis en ervaring en van zijn op aanleg en eraring berustend onderscheidings- en combinatievermogen.(3) Min of meer deskundige getuigen kunnen en mogen meer verklaren dan "leken". Verder blijkt uit de door de betrokkene opgegeven functie dat zij op het relevante terrein over deskundigheid beschikken. Het Hof heeft ook naar opleiding en ervaring van hen een onderzoek ingesteld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 oktober 2006. Anders dan het middel stelt blijkt uit de pleitnota niet dat die deskundigheid gemotiveerd is betwist. Wel bevat de pleitnota opmerkingen over deskundigen en deskundigenonderzoeken, waarbij mijns inziens echter wordt miskend dat de feitenrechter in beginsel vrij is in de keuze van de deskundige en dat wetenschap in de zin van art. 343 Sr niet academische wetenschap hoeft te zijn.(4)

3.5 Wel meen ik dat genoemd proces-verbaal onderdelen bevat die als de verklaring van een deskundige moeten worden beschouwd, omdat het gaat om het interpreteren en waarderen van de aanwezige gegevens in het licht van zijn ervaring en deskundigheid. Die onderdelen kunnen niet op één lijn worden gesteld met bijvoorbeeld - toelaatbare - verklaringen van opsporingsambtenaren dat een bepaald gebied veld is in de zin van de Jachtwet, dat bepaalde honden zogenaamde lange honden zijn, dat een weg voor het openbaar verkeer openstaat of dat iemand bij benadering met een zekere snelheid heeft gereden. Wat in het tot bewijs gebruikte gedeelte van het proces-verbaal bijvoorbeeld een "aanname" wordt genoemd, is, als ik het goed zie, in feite een op het onderzoek van vorm en aard van aan de deur toegebrachte schade getrokken conclusie. Hetzelfde geldt vanzelfsprekend voor wat onder het hoofd "Conclusie" is vermeld. Zoals gezegd heeft het Hof dan ook, toen de verbalisanten in het bijzonder naar aanleiding van dat rapport ter terechtzitting werden gehoord, dezen ook als deskundige beëdigd.

Het voorgaande betekent echter niet dat bedoeld stuk, voor zover een bepaald onderdeel daarvan een deskundigenoordeel bevat, niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt.

Ingeval de rechter de betrokkene op de terechtzitting hoort en deze als getuige en als deskundige beëdigt, mag hij die verklaring in haar geheel tot het bewijs gebruiken. Hij hoeft die verklaring niet te splitsen in die zin dat hij in het vonnis aangeeft welk deel van de verklaring hij als deskundigenverklaring gebruikt en welk deel als getuigenverklaring.(5) Nu is bij een deskundigenverslag niet sprake van beëdiging. Maar gelet op het voorgaande valt niet in te zien waarom het Hof, dat ook de in wezen met het proces-verbaal overeenstemmende verklaringen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ter terechtzitting tot het bewijs had kunnen gebruiken, in dit geval het bedoelde stuk - aangeduid als proces-verbaal, maar dat ook onderdelen bevat die als de verklaring van een deskundige moeten worden beschouwd - ook voor wat betreft laatstbedoelde onderdelen niet tot het bewijs kon gebruiken.(6) Het Hof heeft er, gelet op het verhandelde ter terechtzitting van 10 oktober 2006, blijk van gegeven het bijzondere karakter van (onderdelen van) het relaas in dat proces-verbaal te onderkennen. De onderhavige zaak komt in zoverre overeen met HR 21 september 1999, NJ 1999, 758, waarin het gebruik van het desbetreffende gedeelte van het proces-verbaal (een deskundigenoordeel) voor het bewijs werd gesauveerd. Ook daar was de verbalisant ter terechtzitting mede als deskundige beëdigd en gehoord.

Tot een nadere motivering van het gebruik van dat proces-verbaal voor het bewijs was het Hof in het licht van het verhandelde ter terechtzitting en wat ter verdediging is aangevoerd, niet gehouden.

3.6 Ten overvloede merk ik op dat een andere benadering ook mogelijk zou zijn. Ervan uitgaande dat het desbetreffende proces-verbaal in zoverre de op zichzelf ontoelaatbare eindconclusie inhoudt - gebaseerd op bepaalde tussenstappen in het onderzoek van de als A aangeduide beschadiging - dat zeker voor wat betreft die beschadiging bij een afstand van 100 cm vanaf de deur niet op de grond is gericht (dat laatste is gelet op het verweer eigenlijk het essentiële punt), heeft het Hof die conclusie, gelet op de overige bewijsmiddelen(7), kennelijk tot de zijne gemaakt en kan die conclusie daarom vereenzelvigd worden met een door het Hof gemaakte gevolgtrekking.(8)

3.7 Het middel bevat ook nog de klacht dat de verbalisanten hebben nagelaten de lezing van de verdachte te reconstrueren en dat daarbij afbreuk is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Ook in feitelijke aanleg is, nadat de verbalisanten waren gehoord, daarover geklaagd, hoewel de raadsman uit de verklaringen van de getuige-deskundige [verbalisant 1] de alleszins aannemelijke reden voor het achterwege blijven van dat onderzoek had kunnen afleiden. [Verbalisant 1] heeft namelijk ter terechtzitting van het Hof verklaard dat een dergelijke proef (het schieten in de grond) veel te gevaarlijk is, omdat de baan van de kogel niet te voorspellen is, iets wat trouwens als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd. Het lijkt mij toe dat de realisering van de aanspraak van verdachte op een fair trial niet meebrengt dat onderzoekers zich aan levensgevaarlijke experimenten zouden dienen bloot te stellen.(9)

3.8. Het middel faalt in zoverre.

4.1 De tweede klacht van het middel komt op tegen de verwerping van het beroep op noodweer(-exces).

4.2 Het Hof heeft dienaangaande overwogen:

'Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde betoogd dat de verdachte heeft gehandeld in noodweer respectievelijk in noodweer-exces, zoals nader aangegeven in de pleitaantekeningen.

Ten aanzien van het beroep op noodweer overweegt het Hof het volgende.

De verklaring die de verdachte op 3 juni 2005 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, welke verklaring gedeeltelijk wordt ondersteund door andere verklaringen, wordt door het hof als geloofwaardig bevonden met betrekking tot de gang van zaken. Het hof gaat derhalve uit van deze feitelijke toedracht.

Op de dag van het gebeuren heeft [slachtoffer] de verdachte voor het café [A] te Rotterdam met zijn rug tegen een auto geduwd en met een mes in zijn hals gesneden.

Het hof is van oordeel dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het door de verdachte schieten met een vuurwapen op [slachtoffer] was redelijkerwijs geboden met het oog op de noodzakelijke verdediging van zijn lijf nu geen ander middel ten dienste stond om zijn belager van zich af te schudden.

Dit eerste schot door verdachte was toereikend, omdat [slachtoffer] de verdachte losliet en zich van hem verwijderde door naar de deur van het café te lopen.

De noodweer situatie was daarmee ten einde.

Hoewel de verdachte op dat moment ook naar eigen zeggen had kunnen weglopen, heeft de verdachte dat niet gedaan en is hij blijven staan en heeft, terwijl [slachtoffer] wegliep, meermalen in diens richting geschoten.

Van overschrijding van de noodzakelijke verdediging kan ook sprake zijn als de noodweersituatie is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgegane wederrechtelijke aanranding. Hoewel het hof wil aannemen dat de verdachte over de bij hem aangebrachte snee heel erg boos was, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat die aanranding een zodanige hevige gemoedsbeweging bij hem heeft veroorzaakt die hem de grenzen van een noodzakelijke verdediging uit het oog heeft doen verliezen en waaruit het gericht schieten op [slachtoffer] zou moeten worden verklaard.

Derhalve verwerpt het hof het beroep op noodweer-exces.'

4.3 De raadsman heeft blijkens de pleitnota, voor zover hier van belang, aangevoerd dat de (eventuele) overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging welke werd veroorzaakt door het feit dat verdachte met een scherp voorwerp in de hals was gesneden.

Het Hof heeft, naar uit het voorgaande volgt, twee fasen onderscheiden en is uitgegaan van de lezing van verdachte zoals weergegeven in zijn verklaring bij de Rechter-Commissaris.(10) In de loop van het geding is er namelijk discussie geweest over de vraag of de verdachte de snee pas heeft opgelopen na het schietincident of daarvoor. Het Hof heeft aangenomen dat dit, zoals de verdachte heeft verklaard, is gebeurd tijdens de eerste confrontatie met [slachtoffer] en dat op zichzelf de verdediging met een vuurwapen tegen diens aanval op dat moment gerechtvaardigd was.

Nadat die aanranding was beëindigd heeft de verdachte nog twee of drie keer geschoten op de zich verwijderende [slachtoffer].

4.4 Het eerste onderdeel van de klacht houdt, als ik het goed begrijp, in dat er een tegenstrijdigheid is tussen de motivering van de verwerping van het beroep op noodweerexces en wat het Hof, gelet op de bewijsmiddelen (in het bijzonder bewijsmiddel 5), heeft vastgesteld. Gesteld wordt dat de uit de bewijsmiddelen voortvloeiende omstandigheid dat verdachte vanaf één meter heeft geschoten op de deur van het café niet te rijmen zou zijn met de omstandigheid dat [slachtoffer] na het 'steekincident' weg is gelopen richting de deur van het café; daarvoor zou in dat geval - aldus de steller van het middel - noch tijd, noch ruimte genoeg zijn. Ook zou er in dat geval te weinig tijd zijn om de boosheid te laten zakken, wat meebrengt dat de verdachte de schoten "in volle boosheid" en dus kennelijk als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, heeft gelost. 's Hofs verwerping van het gedane beroep op noodweerexces zou daarom ontoereikend gemotiveerd zijn. Die klacht treft mijns inziens geen doel. Uit bewijsmiddel 5 kan in dit verband enkel worden afgeleid dat de verdachte op een afstand van één tot anderhalve meter op de deur heeft geschoten (en in de richting van [slachtoffer] naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld), maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat de afstand tussen beide betrokkenen en de deur steeds, en dus ook ten tijde van het steekincident en het eerste door verdachte geloste schot in het been van [slachtoffer], even groot was.

4.5 Het middel klaagt verder dat wat het Hof in de laatste alinea van zijn overwegingen heeft overwogen, onbegrijpelijk is. Ik stel voorop dat het Hof in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad heeft onderkend dat ook van noodweerexces sprake kan zijn indien de aanranding is geëindigd. Ik teken hierbij aan dat een verweer als het onderhavige een kritische en zorgvuldige benadering verdient omdat de grens tussen dit zogenaamde extensief noodweerexces en een aanval die in feite een wraakoefening uit boosheid is, niet scherp is. Verder hoeft op zichzelf, naar in de literatuur wordt aangenomen, de hevige gemoedsbeweging niet per se te bestaan uit angst, radeloosheid of paniek, maar kan daarvan ook sprake zijn bij boosheid en drift.(11) Toch zal, naar het mij voorkomt juist bij boosheid en drift om dezelfde reden als hiervoor genoemd, eerder moeten worden aangenomen dat de schuld niet wegens noodweerexces wegvalt.

Het is hoe dan ook zaak dat de dubbele causaliteit die art. 41, lid 2, Sr eist, goed in het oog wordt gehouden. Niet alleen moet de gemoedsbeweging door de aanranding zijn veroorzaakt, maar het moet ook die gemoedsbeweging zijn geweest die tot het strafbare feit heeft geleid, althans daarvoor van doorslaggevend belang is geweest.(12) De Hullu merkt in dit verband verder op dat een en ander in de kern een normatieve beoordeling vergt: wat kon van de verdachte nog redelijkerwijs worden gevergd en welke overschrijding is aanvaardbaar. Niet alles is aanvaardbaar; de overschrijding moet binnen zekere proporties blijven. Ook de mate waarin de handeling disproportioneel is, moet dus in de beschouwing worden betrokken.(13)

4.6 Tegen deze achtergrond bezien versta ik de bestreden overweging van het Hof aldus, dat weliswaar sprake is geweest van een in beginsel relevante boosheid, veroorzaakt door de eerdere aanranding, maar dat het vereiste causaal verband tussen deze gemoedsbeweging en de bewezenverklaarde handelingen niet aannemelijk is geworden. Voor zover het middel die overweging aldus leest dat op het moment dat het tweede en volgende schot werd gelost, de boosheid van verdachte al was gezakt, en stelt dat dat gelet op het geringe tijdsverloop onmogelijk is, berust het mijns inziens op een onjuiste lezing daarvan en mist het daarom feitelijke grondslag.

Ik meen dat het oordeel van het Hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige feitelijk en niet onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte op een wel zeer forse, excessieve, wijze met behulp van een vuurwapen is opgetreden door met dat vuurwapen vanaf korte afstand meermalen in de richting van de zich verwijderende [slachtoffer] te schieten.

4.7 Ook deze klacht faalt dus, zodat het middel in zijn beide onderdelen tevergeefs is voorgesteld.

5. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad de zaak niet meer zal kunnen afdoen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten tijde van de uitspraak zal zijn overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad aangewezen acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De toelichting klaagt en passant ook nog dat "het Hof zich bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal teveel [heeft] laten leiden door informatie "de onschuldpresumptie en de onbevangenheid/onpartijdigheid van de rechter in het geding [zijn]". Deze klacht wordt niet nader toegelicht, wat, nu die klacht op het eerste gezicht onaannemelijk lijkt, geen overbodige luxe zou zijn. Ik laat haar verder buiten bespreking. Het enkele feit dat de rechter uiteindelijk anders over het bewijsmateriaal denkt dan de verdediging, heeft uiteraard niets te maken met de onschuldpresumptie en wijst niet op onpartijdigheid van de rechter.

2 Voor alle duidelijkheid: omdat de kogels niet in de deur zijn aangetroffen en deze kennelijk wel hebben geraakt

(geschampt), spreken de technisch rechercheurs voor wat dit betreft van een ricochet. Het standpunt van de verdediging komt er dus op neer dat sprake is van een dubbele ricochet (eerst de straat en daarna bij het raken van de deur). Waar ik in het vervolg van ricochet spreek, bedoel ik de ricochet met de grond, zoals door de verdediging gesteld.

3 Vgl. HR 1 november 1966, NJ 1967, 288 en HR 16 oktober 1973, NJ 1974, 176.

4 Kortheidshalve verwijs ik op dit punt naar mijn conclusie vóór HR NJ 2008, 427 onder 3.10. Het daarin genoemde wetsvoorstel is inmiddels wet geworden, maar dat is in casu niet relevant.

5 Vgl. Melai (Van Kampen) aantek. 5 op art. 299 Sv. J. Hielkema, Deskundigen in Nederlandse strafzaken, 1996, blz. 220, 221 en de daar aangehaalde rechtspraak.

6 Iets anders is dat het proces-verbaal in zoverre niet de bijzondere bewijskracht heeft als bedoeld in art. 344, lid 2 Sv.

7 Zie met name de bewijsmiddelen 2 en 3.

8 HR 24 februari 1987, NJ 1987, 1020; HR 12 januari 1999, NJ 1999, 247; HR 18 december 2001, LJN AD5541. Zie voor een geval waarin die vereenzelviging bij gebreke van andere bewijsmiddelen niet mogelijk was HR 15 november 2005, LJN AU2711.

9 Ter zijde wijs ik erop dat ook is verklaard dat bij een ricochet als door de verdediging gesteld, de kogel na het eerste contact (met de grond) gaat tollen en een andere vorm krijgt, waardoor de desbetreffende beschadiging aan de deur er ook heel anders zou hebben uitgezien. De getuige-deskundige [verbalisant 1] heeft voor 100% uitgesloten geacht dat de verdachte eerst op de grond heeft geschoten. Deze verklaring is echter niet voor het bewijs gebruikt.

10 Bij de Rechter-Commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij in de hals is gesneden maar niet dat dat met een mes is gebeurd (hij heeft verklaard geen mes te hebben gezien), zoals het Hof overweegt.

11 De Hullu, Materieel strafrecht 3e druk blz. 307. NLR (Machielse) aantek 18.4 op art. art. 41, lid 2 Sr.

12 Vgl. HR NJ 2006, 343 en HR NJ 2008, 510.

13 Vgl. bijvoorbeeld HR NJ 2008, 312.