Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK8499

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
07/13501
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK8499
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Zich ontdoen van afvalstoffen a.b.i. art. 10.2 Wet milieubeheer. ’s Hofs oordeel komt erop neer dat onder het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te storten ook valt het achterlaten van chemicaliën in een afgesloten trailer/zeecontainer of vrachtwagen, door het Hof kennelijk aangemerkt als verpakking, met de kennelijke bedoeling deze daar te laten staan. Gelet op de uit art. 1.1a Wm voortvloeiende verplichting die handelingen na te laten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken en in aanmerking genomen de strekking van art. 10.2, 1e lid, Wm, nl. te verzekeren dat – behalve in het in het 2e lid bedoelde geval, dat zich hier niet voordoet – slechts binnen een inrichting afvalstoffen worden gestort, is dat oordeel onjuist, noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/820
NJ 2010/377
NJB 2010, 1418
Milieurecht Totaal 2010/2023
NBSTRAF 2010/267
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13501

Mr Jörg

Zitting 22 december 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 26 november 2007 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens - kort gezegd - de productie van synthetische drugs op grote schaal en deelname aan een criminele organisatie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden. Inbeslaggenomen motorvoertuigen zijn verbeurd verklaard. De vorderingen van drie benadeelde partijen zijn toegewezen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, bij schriftuur drie middelen van cassatie ingediend. Deze zaak hangt samen met de zaak [betrokkene 2] nr. 07/13555, in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer.

3. Het eerste middel klaagt over 's hofs toewijzing van de vordering wijziging tenlastelegging.

4. Waar gaat het om? Op de inleidende dagvaarding stond als feit 4 tenlastegelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie waarbij die organisatie heeft bestaan uit verzoeker en/of [verdachte] (derhalve wederom verzoeker, NJ) en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]. De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat de tenlastelegging van feit 4 nietig zou dienen te worden verklaard omdat de tenlastelegging zo was opgesteld dat verzoeker had deelgenomen aan een organisatie bestaande uit hemzelf, nog een keer hemzelf, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Door deze onjuistheid zou het voor verzoeker niet duidelijk zijn wat hem werd verweten. Op de regiezitting in hoger beroep van 7 juni 2007 heeft de advocaat-generaal meegedeeld dat er zeker een verzoek tot wijziging van de tenlastelegging zou worden ingediend. Ter terechtzitting van 8 oktober 2007 is dat ook daadwerkelijk gedaan maar is slechts gevorderd dat de naam van verzoeker zou worden geschrapt uit de opsomming van personen waarmee verzoeker een criminele organisatie vormde. Niet is op dat moment gevorderd dat ook medeverdachte [betrokkene 3] zou hebben deelgenomen aan die organisatie. Na het pleidooi van de verdediging ter zitting van 12 oktober 2007 heeft de advocaat-generaal bij het hof een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ingediend waarbij de naam van medeverdachte [betrokkene 3] is ingevoegd. [Betrokkene 3] is degene die de productieplaats Nederweert binnen het verband van de criminele organisatie brengt.

5. Het gaat hier om een groot strafrechtelijk onderzoek ("Everzwijn") naar een criminele organisatie die zich op zeer grote schaal bezig hield met de handel in synthetische drugs. Bij het formuleren van de tenlasteleggingen van de onderhavige groep verdachten heeft de opsteller ervan kennelijk het driemanschap [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als standaardtekstblok in de verschillende dagvaardingen ingevoegd en zich niet gerealiseerd dat zulks een toespitsing vergde voor iedere verdachte afzonderlijk. Zonder meer slordig. Anderzijds is dit een zó kennelijke vergissing dat geen door de officier van Justitie te vorderen en door de rechter toe te stane wijziging van de tenlastelegging voor verbetering nodig is: de rechter kan op eigen initiatief hier de juiste inhoud van de tenlastelegging vaststellen.(1) Dat - blijkens de bewezenverklaring - de rechtbank dit niet deed, maar dezelfde fout maakte valt te betreuren.

Dit wat betreft de doublure bij de vermelding van de naam van verzoeker: het behoort tot de procedurele trivialia.

6. Het bezwaar van de verdediging tegen invoeging van [betrokkene 3] valt goed te begrijpen. Als de medeverdachte [betrokkene 3] geen rol speelt in de tenlastelegging van verzoeker, kan verzoeker over de band van art. 140 Sr geen betrokkenheid bij de productieplaats Nederweert worden verweten. Van het openbaar ministerie had meer zorgvuldigheid mogen worden verwacht.

7. Het hof heeft de gevorderde wijziging van de tenlastelegging toegewezen en vervolgens het onderzoek ter terechtzitting geschorst om de verdediging in de gelegenheid te stellen op de wijziging te reageren zodat zij een nader pleidooi kon voeren naar aanleiding daarvan. In het arrest heeft het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens deze late vordering tot wijziging verworpen omdat

"de advocaat-generaal - hoewel in een laat stadium - gebruik heeft gemaakt van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid wijziging van de tenlastelegging te vorderen. Daarmee heeft de advocaat-generaal (...) niet in strijd gehandeld met enig beginsel van behoorlijke procesorde.

Het verweer van de raadsvrouw vindt derhalve geen steun in het recht en wordt op die grond verworpen.

Nu voor het overige ook niet is gebleken dat verdachte in enig rechtens te respecteren belang is gesch[aad], is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging."

8. Ik begrijp het middel aldus dat het erover klaagt dat het hof geen stokje gestoken heeft voor deze ingrijpende en op het laatste moment doorgevoerde verandering inzake de verdenking.

9. Daar zou iets voor te zeggen zijn als sprake was van een procedurele "overval". Echter: het dossier bevatte van meet af aan het bewijsmateriaal waarmee verzoeker in de constructie van de criminele organisatie via de medeverdachte [betrokkene 3] aan de productieplaats Nederweert was te linken. Dat kan geen raadsvrouw zijn ontgaan. De toevoeging van [betrokkene 3] aan het trio [verdachte - betrokkene 1 - betrokkene 2] was daarom wel een tegenvaller, maar geen verrassing. De compensatie voor deze tegenvaller heeft uit een schorsing van het onderzoek bestaan zodat de raadsvrouw nader pleidooi kon houden. Die schorsing duurde een maand. Dat was voldoende, dunkt me. Het middel - wat er verder van zij als men scherp wil slijpen - faalt daarom.

10. Het tweede middel klaagt over 's hofs oordeel dat uit onderzoek is gebleken dat de buitenlandse opsporingsautoriteiten hun toestemming hebben verleend tot het gebruik van het in het buitenland vergaarde onderzoeksmateriaal in het Nederlandse strafproces. Het hof zou onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt waaruit dat onderzoek heeft bestaan.

11. In het arrest heeft het hof overwogen:

"De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het bewijsmateriaal dat is verkregen uit Duitsland en België in de onderhavige Nederlandse strafrechtelijke procedure geen bewijskracht heeft omdat, kort gezegd, toestemming van de buitenlandse autoriteiten om dat onderzoeksmateriaal aan het Nederlandse strafdossier toe te voegen ontbreekt.

Het hof verwerpt dit verweer omdat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de buitenlandse autoriteiten toestemming hebben gegeven voor het gebruiken van het onderzoeksmateriaal in de strafprocedure in Nederland.

Nu is gebleken van de vereiste toestemming, kan verder onbesproken blijven of verdachte op het eventueel ontbreken van die toestemming een beroep toekomt omdat dit toestemmingsvereiste eerder ziet op de verhouding tussen de justitiële autoriteiten onderling, dan op een rechtens te beschermen belang van verdachte."

12. Het middel stelt een non-issue aan de orde: in het dossier bevinden zich stukken van buitenlandse instanties die beslissingsbevoegheid hebben over de terbeschikkingstelling van stukken van overtuiging. Gelet op de door de raadsvrouw zelf in haar pleitnotitie gemaakte verwijzingen naar het onderzoek in eerste aanleg alsmede gelet op de door de advocaat-generaal in zijn repliek gemaakte verwijzing ten aanzien van dit punt naar het vonnis van de rechtbank, heeft het hof kennelijk het oog gehad op de stukken die door de officier van Justitie ter terechtzitting in eerste aanleg zijn overgelegd en die door de rechtbank in het dossier zijn gevoegd.

13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 23 november 2006 blijkt immers dat door de officier van Justitie een drietal stukken zijn overgelegd met betrekking tot de antwoorden op rechtshulpverzoeken betreffende de overdacht van de stukken. In het proces-verbaal is opgenomen:

"De voorzitter doet deze stukken aan het dossier toevoegen (ordner/map 33), nadat een der griffiers deze stukken heeft voorzien van de letters respectievelijk A, B en C. Nu deze stukken zijn overgelegd, is het dossier ten aanzien van de rechtshulpverzoeken compleet en zal het verzoek tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging op grond van deze materie niet meer slagen."

14. Het middel vraagt dus naar de bekende weg en kan daarom niet slagen.

15. Het derde middel houdt in dat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als storten in de zin van art. 10.2 Wet Milieubeheer aangezien het enkel achterlaten van afvalstoffen in een gesloten zeecontainer niet kan worden gekwalificeerd als storten of anderszins op of in de bodem brengen.

16. Ook in feitelijke aanleg is dit verweer gevoerd. Het hof heeft als volgt overwogen:

"Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 2 overweegt het hof aangaande het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te storten, dat daaronder ook valt het achterlaten van een afgesloten trailer/zeecontainer of vrachtwagen volgeladen met chemicaliën met de kennelijke bedoeling deze daar te laten staan. Bij het storten in de zin van artikel 10.2 Wet Milieubeheer gaat het immers om het zich definitief of tijdelijk ontdoen van afvalstoffen."

17. Art. 10.2, eerste lid, Wm houdt in:

"Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden."

18. Art. 1.1, eerste lid, Wm houdt in als definitie:

"storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten."

19. Artikel 10.2 Wm bevat een algemeen verbod om afvalstoffen buiten een inrichting te storten of te verbranden. Het artikel maakt duidelijk dat het storten of verbranden in principe binnen een inrichting moet plaatsvinden. Een dergelijke inrichting moet dan wel beschikken over een vergunning op grond van hoofdstuk 8 (Wet milieubeheer, Tekst en toelichting, editie 2005, toelichting artikel 10.2, aant. 587).

20. Het oordeel van het hof dat onder storten ook moet worden verstaan het achterlaten van een afgesloten trailer/zeecontainer of vrachtwagen volgeladen met chemicaliën met de kennelijke bedoeling deze daar te laten staan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip storten en is niet onbegrijpelijk. Hier is relevant dat de wetbepaling mede betrekking heeft op verpakte afvalstoffen. Hoewel de gedachte bij "verpakking" uitgaat naar een tamelijk nauw om een object sluitend materiaal, staat niets er aan in de weg hier een ruime opvatting te koesteren die recht doet aan de strekking van het verbod. Een verpakking houdt voorwerpen bij elkaar zodat vervoer of opslag ervan wordt vergemakkelijkt. Tevens zorgt verpakking ervoor dat van buitenaf niet zichtbaar is wat zich in de verpakking bevindt (tenzij de vorm van de verpakking de contouren van het verpakte voorwerp onthult, zoals bij een vioolkist.) Een zeecontainer en ook een vrachtwagen als res derelictae voldoen ten volle aan deze omschrijving van verpakking. Dit kan niet als een verrassing komen voor verzoeker en zijn medeverdachte, die zich nu juist van de afvalstoffen hebben willen ontdoen zonder de daarvoor aangewezen weg te bewandelen. Allicht niet, willen zij de lamp vermijden waartegen zij anders zouden lopen. De opvatting van de steller van het middel dat het er bij art. 10.2 Wm in de kern om gaat op welke wijze men zich ontdoet van de afvalstoffen, vindt nu juist géén steun in het recht: het gaat daar om het zich ontdoen van afvalstoffen. Het middel kan niet slagen.

21. De middelen 1 en 2 falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ook het derde middel is tevergeefs voorgesteld.

22. Ambtshalve wijs ik op het tijdsverloop. Namens verzoeker is op 4 december 2007 beroep in cassatie ingesteld. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 16 maanden, verzoeker bevindt zich in voorlopige hechtenis, zijn verstreken sedert het instellen van het cassatie beroep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoel in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 "Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo'n verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist,"

aldus HR 30 september 2008, LJN BD3662.