Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK8104

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
09/04637
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK8104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Machtiging tot voortgezet verblijf; verzoek om contra-expertise kan slechts gemotiveerd worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 303
RFR 2010, 54
NJB 2010, 392
JWB 2010/60
BJ 2010/6
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/04637

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 18 december 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

tegen

Officier van Justitie te 's-Hertogenbosch

In deze Bopz-zaak wordt opgekomen tegen een machtiging tot voortgezet verblijf. In cassatie gaat het hoofdzakelijk om het weigeren van een verzoek om contra-expertise.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene), thans 65 jaar oud, verblijft krachtens een eerder verleende machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis van GGZ Eindhoven. Op 3 augustus 2009 heeft de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoek was onder meer een geneeskundige verklaring d.d. 30 juli 2009 gevoegd, opgemaakt door de geneesheer-directeur/psychiater [A], zelf niet bij de behandeling betrokken. Diens diagnose houdt in: "opgenomen in verband met een dementieel syndroom, frontotemporaal type, met gedragsstoornissen". In de geneeskundige verklaring wordt gewezen op het progressieve karakter van deze stoornis.

1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 17 augustus 2009 in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsman, de echtgenote en een dochter van betrokkene en de behandelend psychiater [psychiater 1]. Betrokkene heeft de juistheid van de diagnose in de geneeskundige verklaring betwist. De behandelend psychiater heeft, in reactie hierop, gezegd dat de psychiatrische problematiek door vier deskundigen is vastgesteld. Uit de laatste MRI-scan in Geldrop(1) zou zijn gebleken dat sprake is van frontotemporale dementie. De behandelend psychiater [psychiater 1] is aan de hand van de MRI-scan zelf tot de conclusie gekomen dat er MRI-technisch meer aanwijzingen zijn voor Alzheimer. De klinisch psychiater [psychiater 2] heeft de psychische problemen beoordeeld. Klinisch zijn er meer aanwijzingen voor frontotemporale dementie. Daarnaast is volgens de behandelend psychiater [psychiater 1] neuropsychologisch onderzoek gedaan door [B], waaruit bleek dat sprake is van cognitieve verslechtering. In totaal zou de psychiatrische problematiek door vier deskundigen zijn vastgesteld.

1.3. Door en namens betrokkene is de juistheid van de geneeskundige verklaring betwist, met het argument dat deze uitsluitend op dossieronderzoek berust. In het bijzonder heeft betrokkene de gestelde diagnose betwist, met het argument dat de MRI-scan is beoordeeld door een röntgenoloog, niet door een neuroloog. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat bij hem op 63-jarige leeftijd, na een auto-ongeval, een MRI-scan is gemaakt te Nieuwegein en dat toen geen bijzonderheden zijn aangetroffen. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht een nieuw rapport te laten maken door een met name genoemde psychiater.

1.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 17 augustus 2009 de verzochte machtiging verleend, ingaande op diezelfde datum en voortdurend tot en met 17 augustus 2010. Zij overwoog, voor zover thans van belang:

"dat betrokkene lijdt aan een stoornis van zijn geestvermogens. Door een viertal deskundigen is dementie vastgesteld. Daarnaast blijkt uit neuro-psychologisch onderzoek dat sprake is van toenemende cognitieve beperkingen. Tevens is er sprake van gedragsstoornissen;

dat deze stoornis gezien zijn aard ook na het verlopen van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn;

dat deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken dat met name bestaat uit gevaar voor de psychische gezondheid van anderen, in het bijzonder voor die van de gezinsleden van betrokkene, ernstige zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang;

dat dit gevaar niet kan worden afgewend buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene heeft geen ziektebesef en -inzicht. Hij is van mening dat slechts sprake is van somatische problematiek waarvoor hij behandeling behoeft. Klinische behandeling is noodzakelijk om voornoemd gevaar te voorkomen;

(...)"

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld(2). In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel I klaagt dat de overweging (bedoeld zal zijn: de vermelding in het dictum) dat de machtiging ingaat op 17 augustus 2009, in strijd is met art. 17 lid 3 Wet Bopz, althans onbegrijpelijk is.

2.2. Deze klacht faalt. Ingevolge art. 17 lid 3 Wet Bopz heeft een machtiging tot voortgezet verblijf een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening. De beschikking is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad (art. 17 lid 5 Wet Bopz). Hoewel niet noodzakelijk is dat de rechter de ingangsdatum vermeldt - die vloeit voort uit de wet -, is niet rechtens onjuist noch onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft bepaald dat de machtiging terstond ingaat. Voor zover het middelonderdeel, zonder het te zeggen, doelt op de uitleg door de rechtbank van de term "na haar dagtekening" volsta ik met verwijzing naar HR 8 juni 2007, NJ 2007, 323(3).

2.3. Onderdeel II klaagt dat de rechtbank zich in haar beschikking niet uitlaat over het verzoek van betrokkene om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De enkele opmerking van de rechter met betrekking tot het verzoek om een second opinion, zoals vastgelegd in het proces-verbaal (blz. 2), namelijk dat reeds door meerdere, ook onafhankelijke, deskundigen een stoornis van de geestvermogens bij verzoeker is vastgesteld, is volgens het middel niet voldoende. Het middelonderdeel wijst in dit verband op het ontbreken van verslaglegging van een onderzoek door klinisch psychiater [psychiater 2] en van een neuropsychologisch onderzoek door [B] en op het feit dat de informatie uit Geldrop kennelijk afkomstig is van een toen bij de behandeling betrokken arts. Ook wijst het middel op het door psychiater [psychiater 1] vermelde verschil van mening tussen de artsen omtrent de juiste diagnose. Hiermee hangt samen de klacht van onderdeel III over onbegrijpelijkheid van de eerste overweging, geciteerd in alinea 1.4 hiervoor.

2.4. Met betrekking tot de beoordeling van een verzoek om een nader deskundigenonderzoek(4) geldt sinds HR 29 april 2005 (LJN: AS5978)(5) de volgende maatstaf:

"(...) De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van nader onderzoek af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan de motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten."(6)

2.5. In haar beschikking heeft de rechtbank niet de reden opgegeven waarom het verzoek van betrokkene om een nader onderzoek door een deskundige niet is ingewilligd. Het verzoek is in de beschikking zelfs niet genoemd. De motivering kan niet worden ontleend aan de in het middel aangehaalde opmerking van de rechter, zoals vastgelegd in het proces-verbaal(7). Evenmin is sprake van een afzonderlijk op schrift gestelde tussenbeschikking.

2.6. Ten overvloede merk ik het volgende op. Op zichzelf is voor de lezer van de beschikking de gevolgtrekking begrijpelijk dat, indien een stoornis van de geestvermogens zoals dementie is aangetoond door vier deskundigen waaronder ten minste één deskundige die niet bij de behandeling is betrokken, de rechter van oordeel is dat over de aard van de stoornis voldoende duidelijkheid is verkregen om een beslissing te kunnen nemen over het verzoek van de officier van justitie. Echter, de premisse dat door vier deskundigen `dementie' is vastgesteld en dat uit neuropsychologisch onderzoek blijkt van toenemende cognitieve beperkingen is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk. Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat sprake is van gedragsstoornissen. Ik licht dit nader toe.

2.7. In haar beschikking heeft de rechtbank de stukken vermeld waarvan zij kennis heeft genomen. Naast de (betwiste) geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur beschikte de rechtbank niet over enige andere medische rapportage. De rechtbank moet de bestreden beslissing dus hebben gebaseerd op de mondeling ter zitting verschafte informatie van de behandelend psychiater [psychiater 1]. Daarmee beschikte de rechtbank over de onderzoeksresultaten van twee artsen. Over een onderzoeksverslag van de beide andere artsen ([psychiater 2] en de arts die de MRI-scan in Geldrop zou hebben beoordeeld), beschikte de rechtbank niet. Hierover was hoogstens iets te kennen uit de zeer summiere mededelingen die [psychiater 1] heeft gedaan over onderzoek van anderen. Voor de lezer is in elk geval niet controleerbaar, welke onderzoeksresultaten de rechtbank heeft gebruikt. Hetzelfde geldt ten aanzien van de resultaten van enig neuropsychologisch onderzoek dat [B] op enig tijdstip zou hebben gedaan. Uit de beschikking of het proces-verbaal blijkt niet dat de rechter inlichtingen bij deze artsen heeft ingewonnen (op de voet van art. 17 lid 2 jo. art. 8 Wet Bopz).

2.8. Indien de rechtbank voor ogen heeft gestaan dat de precieze diagnose geen verschil maakt voor de toewijsbaarheid van de verzochte machtiging, omdat uit de genoemde medische onderzoeken in elk geval enigerlei vorm van dementie naar voren is (zou zijn) gekomen, dan kan dit veronderstelde oordeel evenmin de weigering van het verzoek om een contra-expertise dragen. De juistheid van deze diagnose is ter zitting uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. De afwijzing van het verzoek om een nader deskundigenonderzoek is temeer onbegrijpelijk, omdat de psychiater [psychiater 1] melding maakt van een verschil van inzicht tussen de artsen omtrent de precieze diagnose. Het type dementie kan in dit geval verschil maken voor de ernst van de stoornis van de geestvermogens en voor de aard van het te duchten gevaar(8), zodat betrokkene er praktisch belang bij heeft dat een deskundige dit nader onderzoekt alvorens hem op deze grond de vrijheid wordt ontnomen. De slotsom is dat de onderdelen II en III gegrond zijn en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

2.9. Onderdeel IV klaagt dat, wanneer onvoldoende duidelijk is wat voor stoornis er is en wanneer de bedoelde medische rapportage ontbreekt, ook niet deugdelijk kan worden vastgesteld dat de stoornis betrokkene gevaar zal doen veroorzaken. Deze klacht bouwt voort op de vorige middelonderdelen. Indien onderdeel II of III gegrond is, zal na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld of er sprake is van een gevaar als bedoeld in art. 1 en art. 2 jo. art. 15 lid 2 Wet Bopz. Verder behoeft deze klacht thans geen bespreking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Bedoeld is kennelijk de psychiatrische afdeling van het St. Anna-ziekenhuis te Geldrop, waar betrokkene opgenomen is geweest voorafgaand aan zijn opname in het psychiatrisch ziekenhuis te Eindhoven.

2 Te weten op 17 november 2009. Het dossier is op 4 december 2009 gecompleteerd.

3 LJN: BA3535; BJ 2007, 35 m.nt. WD.

4 Ook wel aangeduid als een contra-expertise of second opinion, hoewel deze termen elkaar niet volledig overlappen; zie voetnoot 1 van mijn conclusie voor HR 4 december 2009, LJN: BK1617.

5 NJ 2007, 153 m.nt. J. Legemaate; BJ 2005, 14, m.nt. W. Dijkers.

6 Zie in gelijke zin: HR 18 april 2008 (LJN: BC6545), BJ 2008, 23; HR 5 september 2008 (LJN: BD7071), BJ 2008, 56. Zie voorts: HR 18 september 2009, LJN: BJ 2675, BJ 2009, 45, m.nt. red.

7 Vgl. HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB; HR 1 mei 1998, NJ 1998, 794; HR 11 februari 2000, NJ 2000, 260.

8 Blijkens de Richtlijn Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie (Ned. Ver. voor Klinische Geriatrie, 2005, par. 1.3 resp. 1.5) is er verschil tussen de Ziekte van Alzheimer en Frontotemporale dementie. Naar ik daaruit begrijp, staan bij de laatste de veranderingen in het persoonlijk en sociaal gedrag op de voorgrond bij de diagnose; bij de diagnose van Alzheimer staan geheugenstoornissen op de voorgrond.