Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK8094

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08/01622
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK8094
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antillenzaak. Geschil over (niet van waarde verklaarde) conservatoire beslagen op termijnspaardepositorekeningen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 333
JWB 2010/70
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 08/01622

mr. Wuisman

Rolzitting: 18 december 2009

CONCLUSIE inzake:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

eisers tot cassatie in het principaal cassatieberoep,

verweerders in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: Mr. P. Garretsen;

tegen

Postspaarbank van de Nederlandse Antillen,

verweerster in het principaal cassatieberoep,

eiseres tot cassatie in het incidenteel beroep,

advocaat: Mr. R.S. Meijer.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Eisers tot cassatie in het principaal beroep (hierna: [eisers]) hielden in 1997 ieder bij de Banco di Caribe een rekening aan in verband met een termijnspaardeposito dat liep tot 20 januari 2007 respectievelijk 19 maart 2008.

(ii) Na daartoe verkregen verlof heeft verweerster in het principaal cassatieberoep (hierna: de Postspaarbank) op beide rekeningen op 7 februari 1997 conservatoir beslag gelegd.((2))

(iii) In het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft ook het Openbaar Ministerie de tegoeden van [eisers] bij de Banco di Caribe geblokkeerd.((3))

(iv) Op 13 februari 1997 is de Postspaarbank een vanwaardeverklaringsprocedure gestart. In die procedure is de Postspaarbank niet overgegaan tot het nemen van een conclusie van repliek.((4)) Op 14 maart 2003 is de procedure geroyeerd. Van dit royement waren [eisers] en Banco di Caribe op de hoogte.

(v) Bij brief van 13 januari 2006 aan Banco di Caribe heeft de Postspaarbank de beslagen opgeheven.

1.2 [Eisers] hebben in februari 2006 bij het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) een procedure tegen de Postspaarbank aanhangig gemaakt, waarin zij vorderen (1) voor recht te verklaren dat de handelwijze van de Postspaarbank (het leggen en gelegd houden van de conservatoire beslagen die niet van waarde zijn verklaard) een onrechtmatige daad jegens hen vormt en (2) de Postspaarbank te veroordelen tot vergoeding van de schade uit het niet kunnen beschikken over de beslagen gelden, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet.

1.3 Na eerst nog op 30 oktober 2006 op grond van een tussenvonnis d.d. 18 september 2006 een inlichtingencomparitie te hebben gehouden, komt het GEA in zijn eindvonnis d.d. 4 december 2006 tot afwijzing van de schadevordering van [eisers]. Het GEA is wel van oordeel dat de beslagen onrechtmatig zijn gelegd, maar ook dat niet aannemelijk is geworden dat [eisers] ten gevolge van de beslagen schade hebben geleden.

1.4 In het kader van het principaal beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (GHvJ) bestrijden [eisers] het op de schade betrekking hebbend oordeel van GEA, terwijl de Postspaarbank in het kader van het incidenteel beroep bij het GHvJ opkomt tegen het onrechtmatigheidsoordeel van het GEA.

1.5 In zijn vonnis d.d. 15 januari 2008 oordeelt het GHvJ dat op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad rust ook in een geval, waarin de beslaglegger om welke reden dan ook de procedure over de gegrondheid van de vordering, waarvoor beslag is gelegd, niet wenst voort te zetten, en dat derhalve het GEA terecht heeft geoordeeld dat de Postspaarbank jegens [eisers] aansprakelijk is voor de gevolgen van de door haar gelegde beslagen (rov. 3.3). Maar de aan de schade gewijde stellingen van [eisers] acht het GHvJ onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij schade hebben geleden door de beslagen op de depositio's. Bovendien staat als door [eisers] onvoldoende betwist vast dat hun tegoeden bij de Banco di Caribe ook door het Openbaar Ministerie waren geblokkeerd. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure ziet het GHvJ dan ook geen aanleiding. En dat brengt naar het oordeel van GHvJ mee dat bij gebrek aan belang ook de gevorderde verklaring voor recht niet voor toewijzing in aanmerking komt (rov. 3.4 en 3.5).

1.6 [Eisers] stellen tijdig principaal cassatieberoep in, terwijl de Postspaarbank incidenteel in cassatie komt onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep doel treft. Partijen laten hun standpunt in cassatie door hun advocaten schriftelijk toelichten. Van de advocaat van [eisers] wordt nog een Schriftelijke repliek ontvangen.

2. Bespreking van het principaal cassatieberoep

2.1 In het kader van het principaal cassatieberoep worden twee cassatiemiddelen voorgedragen.

cassatiemiddel I

2.2 Cassatiemiddel I is gericht tegen het achterwege laten door het hof van de verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure. Dat niet verwijzen naar de schadestaatprocedure stoelt het hof op twee gronden: (1) het geleden zijn van schade is onvoldoende aannemelijk gemaakt; (2) [eisers] hebben over hun tegoeden bij de Banco di Caribe ook niet kunnen beschikken, omdat deze eveneens door het Openbaar Ministerie waren geblokkeerd. Indien zij juist zijn, kan ieder van deze twee gronden de eindbeslissing van het hof ten volle dragen.

2.3 In verband met de eerste grond overweegt het GHvJ in rov. 3.4 onder meer: "Blijkens rov. 3.3 van het bestreden vonnis hebben zij bij de comparitie van partijen gesteld dat zij niet over de rente van hun deposito's konden beschikken ten einde daarmee te investeren. Het bij memorie van grieven overgelegde memorandum maakt aannemelijk dat [eisers], indien de beslagen niet waren gelegd, vrijelijk hadden kunnen beschikken over de ieder kwartaal op een betaalrekening te boeken rente en tegen betaling van een boete hadden kunnen beschikken over de hoofdsommen van de deposito's. Bij de toelichting op de eerste grief hebben [eisers] gesteld dat zij aan die bedragen hadden kunnen komen om daarmee 'de kosten en schulden te betalen'. In de pleitnotities hebben zij hieraan toegevoegd dat zij door de beslagen niet hebben kunnen investeren in 'bijvoorbeeld het opkopen en verkopen van auto's'. Deze enkele stellingen zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij schade hebben geleden door de beslagen op de deposito's."

2.4 De zojuist weergegeven overweging van het GHvJ wordt in cassatiemiddel I onder 7.2 t/m 7.9 bestreden. De kern van de bestrijding is te vinden onder 7.8 en 7.9. Onder 7.8, wordt aangevoerd: "Voldoende doch noodzakelijk voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is de aannemelijkheid van (geleden of te lijden) schade (vaste rechtspraak). Het hof heeft niet onderkend dat reeds die hiervoor aangegeven beknotting - (gedoeld wordt op het niet kunnen beschikken over de per kwartaal vrijvallende rente en, tegen betaling van een boete, over het geld op de depositorekening; opmerking A-G) - gedurende deze jaren 1997 tot en met 2006 die of zodanige vorm van (vermogens-)schade met zich brengt of in zich houdt. Het niet kunnen investeren respectievelijk het achterwege laten van investeringen dan wel het niet kunnen betalen van kosten en schulden impliceert aldus en als zodanig (een vorm van) vermogensschade, al hetgeen het hof niet heeft onderkend en derhalve miskend", en onder 7.9 onder meer: "Zonder nadere toelichting - welke evenwel ontbreekt - is aldus niet-begrijpelijk dat en waarom het hof overweegt en oordeelt in deze rov. 3.4: 'Deze enkele stellingen zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij schade hebben geleden door de beslagen op de deposito's, nu toch zijdens Postspaarbank een reactie ter zake is uitgebleven'."

2.5 De motiveringsklacht komt gegrond voor. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is nodig maar ook voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.((5)) Dit betekent dat geen hoge eisen mogen worden gesteld aan stellingen in de hoofdprocedure omtrent de geleden en/of te lijden schade. Schadeposten hoeven nog niet concreet te worden gesteld. In het licht hiervan maakt het hof niet voldoende duidelijk waarom het hof de stellingen vooral inzake het niet hebben kunnen investeren in opkopen en verkopen van auto's onvoldoende acht om de mogelijkheid van schade aannemelijk te achten. Toereikend daarvoor is in ieder geval niet dat, zoals het hof overweegt, [eisers] weer over de deposito's en de daarover gekweekte rente kunnen beschikken sinds de beslagen zijn opgeheven. De schadevordering ziet op de periode vóór het opheffen van het beslag.

2.6 Naar aanleiding van de tweede grond, die door het hof wordt gebezigd als grond voor het niet verwijzen van de zaak naar de schadestaatprocedure, wordt onder 7.10 van cassatiemiddel I opgemerkt: "dat er (ook) beslag is gelegd door het Openbaar Ministerie er hoogstens toe kan leiden dat in plaats van één, er twee (hoofdelijk) aansprakelijke personen zijn uit hoofde van onrechtmatige beslaglegging c.q. hun risico-aansprakelijkheid, die alsdan (ieder voor het geheel) kunnen worden aangesproken."

2.7 Met de beslissing dat [eisers] ook wegens die beslaglegging van het Openbaar Ministerie niet over hun tegoeden bij Banco di Caribe hebben kunnen beschikken, beoogt het hof aan te geven dat causaal verband ontbreekt tussen het door de Postspaarbank gelegde beslag en de gestelde schade. Met de in 2.6 vermelde klacht wordt hiertegen tevergeefs opgekomen.

2.8 Vooropgesteld dient te worden dat de bestreden beslissing heel algemeen is geformuleerd en, naar het voorkomt, bedoeld is als een zelfstandige grond voor het geheel afwijzen van de schadevorderingen van [eisers]. Uit deze omstandigheden valt, zo schijnt het toe, af te leiden dat het hof bij die beslissing ervan is uitgegaan dat: (1) de tegoeden van [eisers] door het Openbaar Ministerie zijn geblokkeerd, (2) de tegoeden van beiden gelijktijdig door het Openbaar Ministerie zijn geblokkeerd en (3) de tegoeden geblokkeerd zijn gebleven gedurende de tijd dat op de depositorekeningen het beslag van de Postspaarbank lag. Deze uitgangspunten worden in cassatiemiddel I niet bestreden. Hetgeen in de Schriftelijke repliek sub 5, eerste volzin omtrent het eindigen van een strafrechtelijk beslag wordt opgemerkt, moet als te laat aangevoerd worden beschouwd.

2.9 Het uitgangspunt in de klacht dat de beslaglegging van het Openbaar Ministerie ook onrechtmatig is geweest en er bijgevolg gesproken kan worden van twee hoofdelijk aansprakelijke personen voor de schade, kan niet worden aangehouden. Dit uitgangspunt is niet eerder naar voren gebracht. Dat kan in cassatie niet voor het eerst geschieden. Het blokkeren dient bijgevolg voor rechtmatig te worden gehouden.

2.10 Van het blokkeren van de tegoeden door het Openbaar Ministerie en het beslag van de Postspaarbank op de depositorekeningen kan worden gezegd dat ieder op zichzelf genomen tot de beweerde schade van [eisers] hebben geleid. Het blokkeren door het Openbaar Ministerie van de tegoeden van [eisers] met als gevolg dat zij ook door die maatregel niet meer over de hoofdsom en de rente van de depositorekening konden beschikken, vormt, nu het blokkeren voor rechtmatig dient te worden gehouden, evenwel een door henzelf opgeroepen en daarmee een aan hen toe te rekenen omstandigheid. Voor een dergelijk geval van meervoudige causaliteit wordt aangenomen dat er onvoldoende reden is om af te wijken van de grondregel dat ieder zijn eigen schade draagt. Dit resultaat bereikt men door in dat geval rechtens het er voor te houden dat de aan de gelaedeerde zelf toe te rekenen omstandigheid wel het causaal verband tussen de schade en de handeling van de tot schadevergoeding aangesproken persoon doorbreekt.((6)) Dit betekent dat het hof terecht geen causaal verband tussen het beslag van de Postspaarbank op de depositorekeningen van [eisers] en de door hen gestelde schade heeft aangenomen.

2.11 Zoals hierboven al opgemerkt, kan de beslissing inzake het geblokkeerd zijn van de tegoeden van [eisers] bij de Banco di Caribe door ook het Openbaar Ministerie eveneens het niet verwijzen van de zaak naar de schadestaatprocedure ten volle dragen. Dit betekent tevens, dat de gegrondheid van de klacht tegen de eerste door het hof gebezigde grond voor het niet verwijzen van de zaak naar de schadestaatprocedure bij gebrek aan belang niet tot vernietiging van het bestreden vonnis van het GHvJ kan leiden.

2.12 Het voorgaande voert tot de slotsom dat cassatiemiddel I geen doel treft.

cassatiemiddel II

2.13 Cassatiemiddel II keert zich tegen de beslissing van het hof in rov. 3.5 om, nu verwijzing naar de schadestaatprocedure achterwege blijft, de gevorderde verklaring voor recht dat het beslag van de Postspaarbank onrechtmatig is, bij gebrek aan belang af te wijzen. Met de vaststelling dat de door de Postspaarbank gelegde beslagen onrechtmatig zijn gelegd, is, zo wordt betoogd, de aansprakelijkheid van de Postbank voor de schade en daarmee het vereiste belang bij de verklaring voor recht gegeven.

2.14 Voor aansprakelijkheid van de Postspaarbank voor door [eisers] geleden schade is niet slechts vereist dat het door de bank gelegde beslag een onrechtmatigheid vormt, maar ook dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en die onrechtmatigheid. Het hof acht dat causaal verband niet aanwezig. De betreffende beslissing wordt, zoals hierboven in 2.8 t/m 2.10 uiteengezet, niet op een doeltreffende wijze bestreden. Ook bij het ontbreken van het zojuist genoemde causaal verband mist een verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure goede zin en geldt nog steeds dat dan [eisers] bij toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht belang missen. Dit laatste gaat te meer op, nu het hof aan het slot van rov. 3.5, in cassatie niet bestreden, vaststelt dat ook voor het overige geen belang bij de verklaring voor recht is gesteld of gebleken.

3. Bespreking van het incidenteel cassatieberoep

Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal beroep van [eisers] doel treft. Dat is niet het geval met als gevolg dat het incidenteel beroep voor niet ingesteld moet worden gehouden en derhalve niet voor bespreking in aanmerking komt.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep. ((7))

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Deze feiten worden, voor zover niet anders aangegeven, vermeld onder 2 van het vonnis d.d. 4 december 2006 van het Gerecht in Eerste Aanleg.

2. Het verzoekschrift van de Postspaarbank voor het verkrijgen van verlof voor het leggen van beslag is in eerste aanleg als productie 1 bij het inleidend verzoekschrift overgelegd. De Postspaarbank vraagt het verlof in verband met een beweerde vordering tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden doordat [eiser 1] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tezamen en in vereniging met [eiseres 2] gelden van haar hebben verduisterd tot een totaal bedrag van circa NAF. 500.000,- . [Eiser 1] is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld wegens valsheid in geschrifte.

3. Dit feit is ontleend aan een daarop betrekking hebbende, in cassatie niet bestreden overweging van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba in rov. 3.4 van zijn vonnis d.d. 15 januari 2008. Het hof haakt daarbij aan bij hetgeen de Postspaarbank stelt in haar Memorie van grieven in het incidenteel appel, blz. 5, voorlaatste en laatste alinea. In hun Memorie van antwoord in het incidenteel appel reageren [eisers] niet op de betrokken stellingen.

4. Op blz. 5 van haar memorie van grieven in het incidenteel appel geeft de Postspaarbank hiervoor een verklaring. Zij voert aan dat achter het royement bedrijfseconomische overwegingen staken. Zij wilde het vertrouwen van haar cliënten niet beschamen omwille van onrechtmatige daden van een medewerker en bovendien had het Openbaar Ministerie alle tegoeden bij de Banco di Caribe doen blokkeren op 7 februari 1997, op welke dag zij beslag op de depositorekeningen had doen leggen.

5. Zie onder meer: HR 28 oktober 2005, NJ 2006, 558, rov. 3.7; conclusie, sub 3.10 - 3.12, van A-G Mr. Wesseling-van Gent voor HR 24 november 2006, NJ 2007, 539, m.nt. HJS, JBPr 2007, 34 m.nt. K. Teuben; T.F.E. Tjong Tjin Tai, De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure, TCR 2008, blz. 3, sub 2.

6. Zie in dit verband Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-II*, 2009, nr. 90 alsmede HR 2 februari 1990, LJN: AB7897, NJ 1991, 292 (geval van causaal verband doorbroken) en HR 7 december 2001, LJN: AB2795, NJ 2002, 576, m.nt. JMBV (geval van causaal verband niet doorbroken).

7. De voorliggende zaak wordt mede hierdoor gekenmerkt dat een aantal aspecten ervan in het debat tussen partijen niet bijzonder goed uit de verf zijn gekomen. Bij een aantal thema's ontbreekt detaillering, toelichting of afdoende bestrijding. Het betreft vooral: de rol en plaats van [eiseres 2] in het geheel, het blokkeren door het Openbaar Ministerie van tegoeden bij de Banco di Caribe, het royement van de vanwaardeverklaringsprocedure en de geleden schade. De conclusie die uiteindelijk wordt bereikt, is dan ook ten dele de resultante van een tocht door een dossier waarin een aantal zaken onduidelijk zijn gebleven. Nu die onduidelijkheden vooral het gevolg zijn van het niet benutten door partijen zelf van hen gedurende de procedure geboden gelegenheden, bestaat er, zo komt het voor, toch niet een voldoende reden om ruimte voor een herkansing te bieden.