Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK7085

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
08/05030
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BC5671
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK7085
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Opzet. Het Hof heeft voorwaardelijk opzet aangenomen op ontoereikende gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/792
NJ 2010/361
NJB 2010, 1355
NBSTRAF 2010/264
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/05030

Mr. Aben

Zitting 15 december 2009

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 3 maart 2008 de verdachte ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

2. Namens de verdachte is cassatie ingesteld. Mrs. J. Goudswaard en I. van Straalen, advocaten te 's-Gravenhage, hebben een schriftuur ingezonden houdende zes middelen van cassatie.(1)

3. Ter inleiding geef ik kort weer waarover deze strafzaak gaat. Bewezen is verklaard dat de verdachte in de periode van 25 januari tot en met 4 februari 2006 in Rotterdam en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Uit de bewijsoverwegingen en de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het hof hierbij het oog heeft gehad op een hoeveelheid van ongeveer 1780 kilo cocaïne die was verborgen in een stoomketel (boiler) die per schip vanuit Curaçao is getransporteerd naar de haven van Rotterdam, alwaar het schip op 25 januari 2006 is binnengevaren. Na ontdekking van de cocaïne is deze hoeveelheid inbeslaggenomen, en is een zakje met 12 gram cocaïne teruggeplaatst. In de bewezenverklaring is in het midden gelaten van welke hoeveelheid cocaïne het hof de opzettelijke invoer bewezen acht, ofschoon de hoeveelheid van ongeveer 1780 kilo in de tenlastelegging wel was gespecificeerd. De verdachte ontkent te hebben geweten van de aanwezigheid van cocaïne.

4. Het eerste middel klaagt terecht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

De verdachte, die preventief gedetineerd is, heeft tegen het arrest van 3 maart 2008 op 14 maart 2008 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens het daarop geplaatste stempel op 3 december 2008 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat levert een overschrijding op van de inzendtermijn met nagenoeg één maand.(2) Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling. Integendeel, de overschrijding van de inzendtermijn heeft ertoe geleid dat de zaak door de Hoge Raad waarschijnlijk niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep kan worden afgedaan. Het verzuim dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering.

5.1. Het tweede middel keert zich tegen 's hofs afwijzing van het verzoek tot het voegen van de stukken van het zogeheten "[...]"-onderzoek.

5.2. Aan de uitlatingen van de officier van justitie ter terechtzitting van de rechtbank te Rotterdam van 15 september 2006 (p. 2 van het proces-verbaal) ontleen ik dat het [...]-onderzoek een "zelfstandig" opsporingsonderzoek betrof dat is verricht door de politie op Curaçao naar aanleiding van de inbeslagneming van een hoeveelheid van 1780 kilo cocaïne in de haven van Rotterdam. Daarvan was de politie op Curaçao verwittigd. Het onderzoek op Curaçao is verricht door de politie en justitie aldaar en strekte tot het achterhalen van de betrokkenen bij het laden en leveren van de verdovende middelen. Het onderzoek "zag niet" op het Nederlandse onderzoek, aldus de officier van justitie.

De rechtbank heeft ter zitting van 29 juni 2006 gelast dat alle stukken inzake het [...]-onderzoek die in het bezit zijn van de politie en het openbaar ministerie in Nederland door tussenkomst van de rechter-commissaris aan het procesdossier worden toegevoegd. Aan deze last is blijkens de mededelingen van de officier van justitie ter zitting van 15 september 2006 gevolg gegeven.

5.3. Het verzoek tot het voegen van de (overige) resultaten van het [...]-onderzoek is in hoger beroep voor het eerst gedaan bij brief van 16 augustus 2007 van de raadsman van de verdachte aan de voorzitter van de strafkamer van het gerechtshof. In de aanloop naar de regiezitting van het gerechtshof van 8 november 2007 is dit verzoek herhaald bij brief van 30 oktober 2007, waarbij is verwezen naar de brief van 16 augustus 2007, die aan de brief van 30 oktober 2007 was gehecht. Bij brief van 7 november 2007 heeft de advocaat-generaal te kennen gegeven zich tegen de inwilliging van het verzoek te verzetten.

Op de regiezitting van 8 november 2007 heeft de raadsman het verzoek nader toegelicht aan de hand van pleitnotities, waaruit ik citeer:(3)

"De verdediging wenst toch zeer, zeer graag van deze stukken op enigerlei wijze kennis te nemen. Het OM stelt zich op het standpunt dat deze stukken geen relevante informatie zou bevatten voor mijn cliënt. Geacht college, met alle respect richting het OM, maar was dat niet ook het OM dat aanvankelijk beweerde dat er niet eens een onderzoek op de Antillen liep? Men zou haast gaan denken dat het OM iets wenst te verbergen. Erg veel waarde hecht ik in ieder geval niet aan dit soort uitspraken. Bovendien leest een politieman en/of officier van justitie een proces-verbaal met een andere bril dan een raadsman/raadsvrouw en betekent de mededeling van het OM "dat het onderzoek min of meer is doodgelopen, er wel verdachten zijn gehoord, maar niet tot aanhoudingen is gekomen" nog niet dat dit dossier geen ontlastend materiaal voor mijn cliënt zou kunnen bevatten.

Want dat is de situatie. Mijn cliënt is tot een aanzienlijke gevangenisstraf veroordeeld, hij begrijpt op zich wel dat hij als verdachte wordt aangemerkt door het OM, maar hij ontkent ten stelligste dat hij ook maar iets van doen heeft gehad met de invoer van de partij verdovende middelen. Cliënt staat met zijn rug tegen de muur en moet alles uit de kast trekken om te proberen zijn onschuld aan te tonen. Met het overlijden van verdachte [betrokkene 2] is volgen mijn cliënt de belangrijkste persoon verdwenen die U had kunnen vertellen hoe het werkelijk zat. Cliënt vermoedt persoonlijk dat [betrokkene 2], die veelvuldig op Curaçao verbleef in die periode, mogelijk alles heeft opgezet, dús de contacten heeft gehad met de mensen aldaar en dús de smokkel heeft georganiseerd. Mogelijk dat dit uit het dossier kan blijken en daar zit het belang in om van het complete [...]-onderzoek kennis te nemen.

De beslissing van de rechtbank om voeging van het complete dossier uit Curaçao af te wijzen is eigenlijk ook geen inhoudelijke kwestie, maar veel eerder een praktische kwestie geweest, namelijk dat de Nederlandse autoriteiten simpelweg de Antilliaanse autoriteiten niet kunnen "dwingen" deze af te staan. Dit is misschien juist, maar er om gevraagd is er ook niet!

(...) Samenvattend denkt de verdediging er voldoende belang bij te hebben om in ieder geval te proberen in het bezit te komen van het [...]-onderzoek. Ook het tegenargument van de advocaat-generaal, dat u niet de bevoegdheid heeft te bevelen om opdracht te geven deze stukken te verstrekken, staat niet aan een simpel verzoek in de weg."

5.4. Het hof heeft dit verzoek op de zitting van 8 november 2007 vervolgens afgewezen,

"nu er geen enkele aanwijzing is, noch door de verdediging wordt gesteld dat ten aanzien van de verdachte dwangmiddelen zijn toegepast, anders dan hier in Nederland. Het voorliggende dossier verschaft daarin reeds voldoende inzicht. Dat dit onderzoek op enige wijze jegens de verdachte onregelmatig zou zijn geweest, is door de verdediging niet aangevoerd en evenmin anderszins aannemelijk geworden. Evenmin is aangevoerd of aannemelijk geworden, dat de verdachte in enig belang is geschaad ten gevolge van dat onderzoek. Het staat ook niet ter discussie dat het [...]-onderzoek pas is gestart nadat de cocaïne in Nederland is aangetroffen.

Het hof is dan ook van oordeel dat met afwijzing van het verzoek de verdediging redelijkerwijs niet in enig belang wordt geschaad."

5.5.1. In de toelichting op het middel wordt allereerst geklaagd over de maatstaf die het hof heeft aangelegd, te weten (kort gezegd) het verdedigingsbelang.

5.5.2. Die klacht is gegrond,(4) maar dat hoeft niet tot cassatie te leiden. In het oordeel van het hof dat de verdediging met afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in enig belang wordt geschaad, ligt immers besloten dat de noodzaak tot toewijzing niet is gebleken. In zoverre is de verdachte dus niet benadeeld.

5.5.3. Met juistheid stipt de toelichting op het middel aan dat een verzoek als het onderhavige een verzoek betreft als bedoeld in de artikelen 328 en 331 Sv, om gebruik te maken van een in artikel 315 Sv omschreven bevoegdheid.(5) Het hof moet dus beoordelen of de toewijzing van het verzochte noodzakelijk is. Daarbij moeten beginselen van een goede procesorde in aanmerking worden genomen. Het hof heeft dat laatste m.i. niet miskend. In cassatie ligt (vervolgens) ter toetsing voor of het afwijzende oordeel begrijpelijk is in het licht van de redenen die aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd.

5.5.4. In het middel wordt opgekomen tegen 's hofs overwegingen, die niet ingaan op hetgeen door de raadsman was aangevoerd.

5.5.5. De gewraakte overwegingen brengen m.i. tot uitdrukking dat het hof zich ambtshalve de vraag heeft gesteld welke (andere) omstandigheden zouden kunnen leiden tot het oordeel dat toevoeging van de resultaten van het [...]-onderzoek noodzakelijk is. Die overwegingen zijn dus nuttig, aangezien zij inzicht geven in 's hofs gedachtegang, ook al voerden zij niet tot een toewijzing van het verzochte. Kennelijk oordeelde het hof hetgeen daartoe door de verdediging wél was aangedragen niet toereikend.

5.5.6. Van de raadsman die zich sterk maakt voor de voeging van resultaten van opsporingsonderzoek in een ander land mag m.i. worden verlangd dat hij specificeert welke aanwijzingen nopen tot het oordeel dat voeging noodzakelijk is. Indien door hem uitsluitend wordt betoogd dat in een ander land opsporingsonderzoek is gedaan naar (andere) verdachten van een misdrijf dat nauw samenhangt met het misdrijf waarvan de cliënt wordt verdacht, en vervolgens louter wordt aangevoerd dat hij belang heeft bij kennisneming van de daarvan opgemaakte processen-verbaal, heeft een verzoek dat daarop steunt alle kenmerken van een "fishing expedition". Daarbij wordt op goed geluk bezien of er in die processen-verbaal voor de verdachte iets ontlastends valt te ontwaren. Dat is alleen al uit proceseconomisch oogpunt niet aangewezen en een daartoe strekkend verzoek moet naar mijn mening vruchteloos blijven.

5.5.7. Het thans besproken verzoek bezit inderdaad de kenmerken van een "fishing expedition", en als ik het goed zie wordt dat in essentie niet betwist. De vraag was om welke reden de resultaten van het [...]-onderzoek redelijkerwijze enig belang zouden kunnen hebben voor de onderhavige strafzaak. Die vraag wordt door de raadsman in hoger beroep zelfs niet in aanzet beantwoord. Hij blijft steken in de mededeling dat de resultaten van belang zijn voor zijn ontkennende cliënt, die tot een aanzienlijke gevangenisstraf is veroordeeld, en dat niet kan worden uitgesloten dat zich tussen de onderzoeksresultaten uit Curaçao ontlastend materiaal bevindt. De omstandigheid waarop het verzoek steunt, namelijk dat op Curaçao andere personen betrokken zijn geweest bij het transport van de verdovende middelen, is niet maatgevend. Het hof heeft dat ongetwijfeld willen aannemen doch klaarblijkelijk en begrijpelijk niet ingezien om welke reden de enkele stelling dat van het bestaan van die andere medeplegers/medeplichtigen moet worden uitgegaan noopt tot belangrijke aannames omtrent de rol van de verdachte in Nederland. Bij die stand van zaken kan het hof niet worden verweten geen acht te hebben geslagen op wat er ter ondersteuning van het verzoek wél was aangevoerd, aangezien dat geen substantie had.

5.6. Het middel kan dus niet slagen.

6.1. Het derde, vierde, vijfde en zesde middel keren zich tegen 's hofs bewezenverklaring, die steunt op de toepassing van het leerstuk van het voorwaardelijk opzet, de motivering daarvan en de verwerping van bewijsverweren.

6.2. Zoals al gezegd is bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 25 januari tot en met 4 februari 2006 in Rotterdam en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. In het bestreden arrest heeft het hof de volgende bewijsoverweging opgenomen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat - kort en zakelijk weergegeven - er aan de zijde van de verdachte in het geheel geen sprake is geweest van opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne, ook niet in voorwaardelijke zin. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte er vanuit is gegaan dat alle handelingen van hem en zijn medeverdachten er slechts op waren gericht om in aanmerking te komen voor het zogenaamde '[...]project' op Curaçao.

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het overige verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte samen met zijn medeverdachten [betrokkene 1] en de inmiddels overleden [betrokkene 2], actief betrokken is geweest bij het vervoer van een stoomketel van Nederland naar Curaçao en weer terug. De verdachte is - voorafgaand aan dat transport naar Curaçao - tevens betrokken geweest bij het plaatsen van broodjes lood in de stoomketel, met in totaal ongeveer hetzelfde gewicht als de cocaïne, waarmee de stoomketel op de terugweg naar Nederland bleek te zijn gevuld. Voor het verzwaren van de ketel met het lood kan, juist voor de verdachte, die ook naar eigen zeggen de 'technische man' bij de operatie was en in 2005 eerder technische bemoeienis met een stoomketel heeft gehad, geen andere verklaring zijn dan het bewerkstelligen dat het totaalgewicht van de ketel, tijdens het transport vanuit Nederland naar Curaçao en weer terug, gelijk bleef.

Dat de verzwaring nodig zou zijn opdat de ketel hetzelfde gewicht zou hebben als op de 'papieren van de ketel' stond vermeld, zoals de verdachte heeft verklaard van [betrokkene 2] te hebben gehoord, is door [betrokkene 2] weersproken en vindt ook overigens geen steun in het dossier. Nu de verdachte direct betrokken is geweest bij het verzwaren van de ketel en er weet van heeft gehad dat de ketel vanaf Curaçao weer naar Nederland zou worden getransporteerd, is het hof van oordeel dat hij hiermee welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard - het is immers een feit van algemene bekendheid dat er vanaf Curaçao veel cocaïne wordt gesmokkeld - dat er verdovende middelen (cocaïne) in de ketel naar Nederland zouden worden vervoerd. Dat het hierbij om een substantiële hoeveelheid zou gaan, moet de verdachte op zijn minst genomen hebben kunnen vermoeden, gelet op de omvang van de ketel, het gewicht van het lood en de enorme - economische gezien onbegrijpelijke - kosten die met het vervoer ervan heen en terug waren gemoeid.

Voor wat betreft de mogelijke deelname aan het [...]project en het verweer van de raadsman dat de handelingen van de verdachte slechts daarop waren gericht, wijst het hof erop dat uit de zich in het dossier bevindende stukken geenszins blijkt dat de verdachten en zijn medeverdachten mogelijk in aanmerking zouden komen voor deelname aan dit project, juist nu de inschrijvingstermijn reeds gesloten was op het moment dat de ketel op Curaçao arriveerde. Daarom is ook niet aannemelijk geworden, dat de met het vervoer gepaard gaande hoge kosten redelijkerwijs als investering voor de zakelijke toekomst kunnen worden beschouwd.

Van alleen verregaande naïviteit aan de zijde van de verdachte, zoals door de verdediging aangevoerd, kan in het licht van voormelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof geen sprake zijn.

Het hof verwerpt dan ook het verweer en gaat bij de bewezenverklaring uit van de opzettelijke invoer, minstgenomen in voorwaardelijke zin, van cocaïne.

Het hof is van oordeel dat in casu sprake is van medeplegen, gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Deze samenwerking kwam mede tot uitdrukking in het veelvuldige contact, het gezamenlijke bezoek aan Curaçao van verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] en de taakverdeling zoals die ook door de verdachte is beschreven in de vorm van een 'technische man' (verdachte), een 'logistieke man' (medeverdachte [betrokkene 1]) en een 'leading man' (medeverdachte [betrokkene 2])."

6.3.1. Blijkens 's hofs overwegingen heeft het hof bewezen geacht dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de invoer van een hoeveelheid cocaïne. Een bewijsconstructie die is gegrond op 'voorwaardelijk opzet' mag zich binnen de rechtspraak in drugszaken verheugen op een hoge mate van populariteit. In die zaken wordt door de verdachte bijvoorbeeld een scenario aangedragen waarin hij een zekere betrokkenheid erkend bij het grensoverschrijdende transport van bepaalde voorwerpen (koffers, containers), doch wetenschap betwist van de aanwezigheid van de verdovende middelen die op een later moment in die (mede) door hem vervoerde voorwerpen zijn aangetroffen. Hoewel ik mij niet aan de indruk kan onttrekken dat de feitenrechter in die gevallen slechts zelden enig geloof hecht aan het door de verdachte aangedragen scenario, wordt blijkens de bewijsoverwegingen niettemin in dat scenario meegegaan, doch daaraan een andere conclusie verbonden dan de conclusie die wordt getrokken door of namens de verdachte. Het door de verdachte geschetste scenario komt doorgaans niet verder dan de erkenning dat hij wel enige argwaan koesterde of had moeten koesteren, maar dat hij meende dat het risico (op de aanwezigheid van verdovende middelen) waarvoor hij bevreesd was zich niet werkelijk zou realiseren, als hij zich van dat risico al bewust was. Dat is - hooguit - een erkenning van bewuste, respectievelijk onbewuste schuld dienaangaande. De feitenrechter oordeelt in die gevallen echter dikwijls anders, namelijk dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van die verdovende middelen in het (mede) door hem vervoerde voorwerp heeft aanvaard. De rechter stelt dus omtrent de gemoedstoestand van de verdachte ten tijde van het vervoer van de verdovende middelen vast dat hij niet heeft gedacht: 'het zal zo'n vaart niet lopen' of 'ik geloof wat X mij heeft verteld', maar dat hij wel moet hebben gedacht: 'ik weet niet zeker of ik verdovende middelen vervoer, maar het is zeer wel mogelijk, en ik ga desondanks door met mijn bijdrage aan dit transport', althans noties van dien aard.

6.3.2. Aan het optuigen van een dergelijke bewijsconstructie zijn, zoals hieronder zal blijken, risico's verbonden. Wat betreft het bewijs van het opzet kan immers niet uitsluitend worden gevaren op de door de verdachte ingezette koers. Zoals hiervoor aangegeven wordt dat opzet door de verdachte nou juist veelal betwist.(6)

Ter ondersteuning van zijn bewijsoordeel maakt de rechter dan ook met enige regelmaat gebruik van daartoe aangedragen 'feiten van algemene bekendheid', die het door de verdachte volgehouden relaas van een andere betekenis (zouden moeten) voorzien. Dat is in deze zaak niet anders. In de toelichting op het vierde middel wordt terecht gewezen op het gevaar van een al te ruime toepassing van algemene ervaringsregels ter constructie van het bewijs van voorwaardelijk opzet. Daarbij zoeken de stellers van de middelen steun bij mijn voormalige ambtgenoot Wortel(7) en de tweede druk van De Hullu's 'Materieel strafrecht'.(8)

6.3.3. De risico's die zijn verbonden aan een op het voorwaardelijk opzet gegronde bewijsvoering kunnen zich in het bijzonder manifesteren bij een al te kwistig bewijsgebruik van verdachtes verklaringen.

Behoudens in geval van een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte, mogen onderdelen van de verklaring van de verdachte of een getuige waaraan geen geloof wordt gehecht niet worden opgenomen in de bewijsmiddelen. Zij zijn als zodanig niet redengevend voor het bewijs,(9) en het gebruik van die onderdelen verhoudt zich slecht met een bewezenverklaring. Niettemin mag de rechter, al dan niet in reactie op een bewijsverweer, de onaannemelijk geachte onderdelen van de verklaring van de verdachte weergeven in bewijsoverwegingen indien hij vervolgens tot uitdrukking brengt dat en waarom daaraan moet worden voorbijgegaan.(10)

Het opnemen in de bewijsmiddelen van passages uit de verklaring van de verdachte, ofschoon moet worden aangenomen dat de rechter daaraan geen geloof hecht, heeft dus implicaties voor de begrijpelijkheid van de bewijsvoering. Dit kan aanleiding geven voor cassatie. De Hoge Raad pleegt bij de beoordeling van klachten hierover acht te slaan op nadere bewijsoverwegingen en de bewijsvoering in haar geheel te beschouwen. Eventuele gebreken behoeven in het licht daarvan niet aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring in de weg te staan. Dit doet zich voor in gevallen waarin het betreffende onderdeel van de bewijsvoering slechts van ondergeschikte betekenis is,(11) dan wel de bewijsoverwegingen of de overige inhoud van de bewijsmiddelen geen misverstand laten bestaan over hoe de rechter de betreffende passage uit de verklaring heeft gewaardeerd.(12)

Zoals gezegd moet uitzondering worden gemaakt voor verklaringen van de verdachte indien en voor zover zij hebben te gelden als 'kennelijk leugenachtig'. Zij mogen als zodanig in de bewijsmiddelen worden opgenomen. Aan die verklaringen zal de rechter evenmin geloof hechten, maar de omstandigheid dat de verdachte langs die weg heeft getracht de waarheid te bemantelen kan op zichzelf wel weer bijdragen tot het bewijs. Het oordeel dat een verklaring als zodanig moet worden aangemerkt behoeft echter een afzonderlijke onderbouwing, waarbij dat oordeel grondslag moet kunnen vinden in andere bewijsmiddelen dan de verklaring(en) van de verdachte.(13)

6.4.1. In de voorliggende casuspositie heeft de feitenrechter overeenkomstig mijn eerder beschreven indrukken gebruik gemaakt van de bewijsconstructie van het voorwaardelijk opzet. Het openbaar ministerie heeft blijkens de overgelegde schriftelijke aantekeningen en het schriftelijk requisitoir daarentegen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep met kracht van argumenten een scenario voorgehouden waarin wegens onaannemelijkheden, tegenstrijdigheden en kennelijke leugens geen enkele ruimte was voor het 'hooguit argwaan'-verhaal van de verdachte. Het hof heeft het openbaar ministerie daarin niet willen volgen.

6.4.2. De vraag rijst of de door het hof gehanteerde bewijsconstructie begrijpelijk is en of de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen in voldoende mate recht doen aan de ter zitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, als zij dat tenminste zijn. Ik zal daartoe de bewijsmiddelen voor zover relevant bespreken.

6.5.1. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard (bewijsmiddel 1):

"De ketel is ter promotie naar Curaçao vervoerd. Ik heb de ketel voor het vervoer naar Curaçao klaar gemaakt. [Betrokkene 2] kon zelf alleen plannen maken. Ik heb deze samen met onder andere [betrokkene 1] uitgevoerd. Ik moest van [betrokkene 2] het gewicht van de toebehoren van de ketel, dat er was afgehaald, met broodjes lood compenseren. Ik vond het vreemd. Ik wist dat de ketel ook weer terug naar Nederland zou komen. Drie of vier dagen voordat de ketel in Rotterdam zou aankomen, werd ik hiervan op de hoogte gesteld. Ik heb het huurcontract voor de huur van de loods gesloten. Het geld daarvoor had ik van [betrokkene 2] gekregen. Op het moment dat er een betalingsprobleem met de expediteur was, ben ik er weer actief bij betrokken geraakt. Voordat de ketel in de loods in Amsterdam arriveerde, ben ik in die loods geweest."

6.5.2. In eerste aanleg heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard (bewijsmiddel 2):

"Ik ben betrokken geweest bij de aanschaf en de ontmanteling van de ketel die naar Curaçao is vervoerd. Ik was nodig voor de techniek. Er is lood in die ketel gestopt. Het gewicht moest op peil gebracht worden, zodat de papieren zouden kloppen. Ik wist dat die ketel weer terug zou komen naar Nederland. Je wist niet altijd wat je aan [betrokkene 2] had. [Betrokkene 2] had verteld dat wij rijk zouden worden."

6.5.3. Bewijsmiddel 21 behelst een ten overstaan van de politie afgelegde verklaring van de verdachte:

"[Betrokkene 2] is op zoek gegaan naar een ketel maar aangezien hij geen bedrijf heeft, kon hij zo'n ketel zelf niet kopen. De ketel moest op naam van een bedrijf komen en dat is gebeurd door het bedrijf [C] Dit bedrijf is van een man, genaamd [betrokkene 1]. Waarschijnlijk was het oktober 2005 dat ik gehoord heb, dat de ketel in Curaçao aan zou komen. Ik wist ook dat hij weer terug moest komen, want er zat geen certificering meer op. Ik ben samen met [betrokkene 2] in oktober/november 2005 naar Curaçao gegaan. Ik weet bijna zeker dat [betrokkene 2] daar tot eind december 2005 is gebleven.

Tussen kerst en oud en nieuw heb ik contact met hem gehad over het feit, dat de ketel weer terug zou komen. Ik heb ergens in januari 2006 weer contact met [betrokkene 2] gehad. Ik hoorde op een gegeven moment van [betrokkene 2] dat de ketel weer in Rotterdam was, ik denk dat dat de laatste week van januari 2006 was.

We hebben het er nog over gehad waar we die ketel zouden laten.

[Betrokkene 2] en ik zijn toen op zoek gegaan naar een loods. U vraagt mij naar de eigenaar van het bedrijf [C] Ik ken de man als een chauffeur die vroeger bij een bedrijf in afvalproducten heeft gewerkt. Ik weet nu dat hij [betrokkene 1] heet. Ik noem hem altijd [betrokkene 1]. Hij was er bij met het transportklaar maken van de ketel."

6.5.4. Bewijsmiddel 22 haalt een andere politieverklaring van de verdachte aan:

"[Betrokkene 1] is pas later in beeld gekomen. Wij, [betrokkene 2] en ik, hadden een bedrijf nodig. Dat was het moment waarop [betrokkene 1] in beeld kwam. Ik heb me altijd met de technische kant en het productieproces bezig gehouden. Toen de ketel terug zou komen, zijn [betrokkene 2] en ik samen op zoek gegaan naar een ruimte om die ketel neer te zetten."

6.5.5. Bewijsmiddel 23 bevat de volgende politieverklaring van de verdachte:

"[Betrokkene 2] kreeg een papier van de transporteur [betrokkene 9] en ik zag dat het om ongeveer 29.000 euro ging. [Betrokkene 2] heeft met [betrokkene 1] gebeld om te vragen of [betrokkene 1] al geld bij elkaar had. [Betrokkene 1] kon dat geld pas 's middags hebben. [Betrokkene 2] zei tegen mij, dat de betaling geen probleem was. [Betrokkene 2] zei dat we naar de sponsor gingen en of ik mee ging. Toen we weggingen vroeg [betrokkene 2] of ik met hem mee wilde rijden, omdat hij veel geld bij zich had. Bij de transporteur heb ik gezien dat [betrokkene 2] twee plasticzakken met geld had. Ik heb gezien dat [betrokkene 2] het geld aan [betrokkene 9] heeft gegeven. U vraagt mij nu naar de loods, waarin de ketel is terechtgekomen. [Betrokkene 2] en ik hebben die gezocht en gevonden in Amsterdam. De loods was groot genoeg om de ketel in te plaatsen. We vonden die loods ongeveer een week voor 1 februari 2006. De loods is door ons gehuurd vanaf 1 februari 2006 voor de periode van een maand. Er is huur betaald."

6.5.6. In bewijsmiddel 24 is de volgende politieverklaring van de verdachte opgenomen:

"Ik neem aan dat we via [betrokkene 1], die toen voor mij voor het eerst in beeld kwam, aan de ketel zijn gekomen. Ik ben vanaf het begin bij de sloop aanwezig geweest. Onder andere [betrokkene 8] en [betrokkene 1] hebben daarbij geassisteerd. De ketel moet dicht zijn voor het transport over zee, want anders kan er water in komen. Het is een normale procedure dat het afgesloten vervoerd moet worden. Ik heb het ventilatorkanaal en het schoorsteenkanaal met houten schotten dichtgemaakt. Niet alle gaten zijn door mij gedicht.

Ik heb de vuurmond niet afgesloten met de houten plaat. De plaat heb ik daar laten staan om die er later op te maken. Want er moest nog compensatiegewicht in de ketel gelegd worden. Dat was ter compensatie voor de materialen die er af zijn gegaan. Er is tussen de 1500 en 2000 kilo aan loden broodjes ingedaan. Ik moest van [betrokkene 2] de houten plaat nog niet monteren, omdat er gewicht in de ketel moest. Ik heb aan [betrokkene 2] gevraagd, waarom dat gewicht er in moest. [Betrokkene 2] zijn antwoord was, dat de ketel op hetzelfde gewicht moest blijven als het gewicht inclusief de gedemonteerde appendages. De ketel moest het gewicht behouden zoals op de papieren van de ketel omschreven stond. De volgende dag kwam er een vrachtauto met 2 pallets lood. [Betrokkene 2] heeft het kennelijk geregeld. [Betrokkene 8] en [betrokkene 2] zijn bezig geweest met het in de ketel leggen van de broodjes. Ik heb dat gezien. Ik zag de ketel pas op de laatste dag van mijn verblijf op Curaçao. Ik heb toen een stalen plaat en de houten plaat van de vuurmond verwijderd om de ketel te laten luchten. Ik kon de broodjes lood daardoor zien liggen. Ik hoorde van [betrokkene 2] dat de ketel terug naar Nederland kwam. [Betrokkene 2] en ik hebben samen besloten dat de ketel in een loods moest komen, er moest aan gewerkt worden."

6.5.7. Bewijsmiddel 25 bevat als verklaring van de verdachte:

"Ik heb gezien dat [betrokkene 8] in de ketel broodjes aanpakte die [betrokkene 2] hem gaf om de ketel te verzwaren. Op een gegeven moment is met [betrokkene 2] ter sprake gekomen, dat we een loods moesten hebben om de ketel binnen te kunnen zetten. Er moesten werkzaamheden aan de ketel worden verricht."

6.5.8. De getuige [getuige 2] (bewijsmidddel 3) verklaart dat "het demonteren van een ketel werd gedaan door [verdachte] (de verdachte, D.A.), [betrokkene 2], [betrokkene 8] en [betrokkene 1]". De getuige zag dat door een paar mensen in de zogenaamde vuurgang van de ketel broodjes van lood werden neergelegd, en verklaart dat hem werd verteld dat het lood diende voor stabilisatie tijdens de bootreis naar Curaçao. Andere getuigen ([getuige 1], bewijsmiddel 4, en [getuige 3], bewijsmiddel 5) verklaart respectievelijk verklaren dat de ketel onbruikbaar wordt door daaraan te slijpen of te snijden, en dat de verzwaring van de ketel met lood ter stabilisatie van de ketel een "onzinverhaal" is, omdat verzwaring overbodig is.

6.5.9. De getuige [betrokkene 9] (bewijsmiddel 7, 15 en 16), van de vervoerder [D], verklaart dat [betrokkene 2] bij hem op kantoor stond voor het verschepen van een ketel naar Curaçao en weer terug. Over het hele verschepen had hij contact met [betrokkene 1], en met hem zijn de daadwerkelijke afspraken gemaakt. De transportkosten zouden ongeveer € 28.000,= bedragen.

6.5.10. Verscheidene bewijsmiddelen hebben betrekking op de reizen naar en van Curaçao door de betreffende schepen (bewijsmiddel 8), het aantreffen en het in beslag nemen (op 25 januari 2006) van de verdovende middelen, en het onderzoek daaraan. In weer andere bewijsmiddelen (6 en 26) wordt meer ingegaan op de bewerkingen aan de stoomketel, waarvoor zoals gezegd in het bijzonder [betrokkene 2] en de verdachte verantwoordelijk waren. Voorts verklaart [betrokkene 1] (bewijsmiddel 19) dat de verdachte en [betrokkene 2] naar Curaçao zijn gevlogen om "daar alles te regelen", overigens zonder dat daaruit kan volgen wat dat regelen precies voorstelde. Uit mededeling van de verdachte begreep [betrokkene 1] dat de verdachte aan de stoomketel moest branden en slijpen. Bovendien verklaart [betrokkene 1] dat de verdachte samen met [betrokkene 2] het geld, waarvan hij naar zijn zeggen had vernomen dat het smokkelwaar betrof, uit de stoomketel moest halen, nadat die ketel was teruggekomen in Nederland.

7.1. Het derde middel klaagt over het gebrek aan redengevendheid van diverse passages uit de verklaringen van de verdachte en uit verklaringen van [betrokkene 1]. In de bewijsmiddelen is als verklaring van de verdachte opgenomen (bm 2) dat het gewicht van de stoomketel (door hem) op peil moest worden gebracht, zodat "de papieren zouden kloppen", (bm 21) dat hij wist dat de stoomketel terug naar Nederland moest komen omdat er geen certificering meer op zat en een keuring nodig was, en (bm 24) dat hij van [betrokkene 2] had vernomen dat het gewicht van de ketel gelijk moest zijn aan dat wat in de papieren stond. In het middel wordt hierover opgeworpen dat deze mededelingen van de verdachte een ondersteuning vormen van zijn bewijsverweer en dus niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs van voorwaardelijk opzet. Evenzo wordt in het middel betoogd dat de verklaringen van [betrokkene 1], die uiting gaf aan zijn twijfels omtrent de ware aard van het transport, niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs. Niet blijkt dat [betrokkene 1] zijn twijfels heeft gedeeld met de verdachte, zodat [betrokkene 1]s twijfels de verdachte niet regarderen. De verklaring van [betrokkene 1] dat hij [betrokkene 2] uiteindelijk wel geloofde biedt bovendien juist ondersteuning voor de verklaringen van de verdachte, die zich wat dat betreft in een gelijke positie bevond, zo begrijp ik de toelichting op het middel.

7.2.1. Het middel treft doel. Ik verwijs daarvoor naar hetgeen ik onder 6.3.3 heb opgemerkt. Blijkens de onder 6.2 aangehaalde bewijsoverweging heeft het hof geen geloof gehecht aan de verklaring van de verdachte dat het gewicht van de stoomketel (door hem) op peil moest worden gebracht, zodat "de papieren zouden kloppen", en dat hij van [betrokkene 2] had vernomen dat het gewicht van de ketel gelijk moest zijn aan dat wat in de papieren stond. Binnen de bewijsmiddelen vervullen de aangeduide passages uit de verklaring van de verdachte derhalve een kwestieuze rol. De passages zijn niet van ondergeschikte betekenis, zou ik menen. Het betreft in de kern genomen het scenario waarop de verdachte zijn verdediging heeft gestoeld.

7.2.2. Over de gewraakte passages uit de verklaringen van [betrokkene 1] wil ik nog wel kwijt dat zij op zichzelf beschouwd - inderdaad - niet bijdragen tot de bewezenverklaring. Zij zijn daarmee echter ook niet in strijd, net zo min als dat zij tegenstrijdig zijn met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Veeleer zouden zij als overbodig kunnen worden gekenschetst. Overbodige onderdelen van de bewijsmiddelen maken de bewijsconstructie m.i. niet snel onbegrijpelijk, al is het maar doordat zij in de bewijsvoering hooguit van ondergeschikte betekenis (kunnen) zijn.(14)

8.1. Het vierde middel stelt de toereikendheid van het bewijs van voorwaardelijk opzet aan de orde.

8.2. Ik heb over de risico's van de bewijsconstructie van het voorwaardelijk opzet onder 6.3 reeds het een en ander opgemerkt. De verklaringen van de verdachte heb ik, voor zover opgenomen in de bewijsmiddelen, hiervoor in extenso weergegeven. Noch aan die verklaringen zelf, noch aan andere feiten en omstandigheden die kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen kan ik in voldoende mate ontlenen dat verdachtes gedragingen zozeer zijn gericht op de invoer van de aangetroffen verdovende middelen dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

8.3. Het middel slaagt.

9.1. Het vijfde middel stelt aan de orde dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen een beroep heeft gedaan op niet in de bewijsmiddelen vermelde redengevende feiten en omstandigheden, maar die feiten niet met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overwegingen heeft aangeduid en niet de wettige bewijsmiddelen heeft aangegeven waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend.

9.2. In de toelichting op het middel worden de pijlen gericht op twee passages uit 's hofs nadere bewijsoverweging die hierboven is aangehaald. In de eerste plaats de verwijzing naar verdachtes eerdere bemoeienis met een stoomketel, en in de tweede plaats de overweging dat [betrokkene 2] de door de verdachte betrokken stelling over het doel van de verzwaring van de stoomketel zou hebben weersproken. Beide passages kunnen inderdaad niet in de bewijsmiddelen worden teruggevonden en zij zijn evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid aangeduid, bijvoorbeeld door middel van een voetnoot waarin de vindplaatsen zijn vermeld.

Indien de rechter aan de verwerping van een bewijsverweer nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden ten grondslag legt waarop de bewezenverklaring steunt, moet worden gesproken van feiten en/of omstandigheden die door de rechter redengevend voor de bewezenverklaring worden geacht.(15) Juist nu het bewijs van het voorwaardelijk opzet binnen de door het hof opgetuigde bewijsconstructie berustte op een wankele basis was een nauwkeurige, thans ontbrekende aanduiding noodzakelijk. Van de in de bewijsoverweging aangedragen feiten en omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat zij van ondergeschikte betekenis zijn.

9.3. Het middel treft doel.

10.1. Het zesde middel klaagt dat het hof niet dan wel onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk en onderbouwd standpunt. Dit standpunt hield kort gezegd in dat de verdachte heeft gemeend en dat hij ook mocht menen dat het vervoer en de technische bewerkingen aan de stoomketel van belang was voor deelname aan het zogeheten [...]project op Curaçao. De verdachte had dus geen rekening hoeven houden met de aanmerkelijke kans dat de stoomketel een dekmantel zou zijn voor het vervoer van verdovende middelen, aldus begrijp ik het middel.

10.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(16)

Artikel 359, tweede lid, Sv, zoals die bepaling luidt sedert 1 januari 2005, heeft daarin geen wijziging gebracht. Ook thans is de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal aan de feitenrechter voorbehouden. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien de verdediging ter zake van de bewijsvoering ten overstaan van die rechter een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen.(17)

Onder die omstandigheden dient de nadere motivering in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de feitenrechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd. Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt.(18)

10.3. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting van 18 februari 2008 is aangevoerd met betrekking tot de motieven voor bewerking en verscheping van de stoomketel kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Voor zover het middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag evenwel niet tot cassatie leiden. 's Hofs overweging betrof onmiskenbaar een respons op hetgeen door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd.

10.4. In de tweede plaats klaagt het middel over de begrijpelijkheid van de bewuste overweging van het hof, die ik hier nogmaals weergeef:

"Voor wat betreft de mogelijke deelname aan het [...]project en het verweer van de raadsman dat de handelingen van de verdachte slechts daarop waren gericht, wijst het hof erop dat uit de zich in het dossier bevindende stukken geenszins blijkt dat de verdachten en zijn medeverdachten mogelijk in aanmerking zouden komen voor deelname aan dit project, juist nu de inschrijvingstermijn reeds gesloten was op het moment dat de ketel op Curaçao arriveerde. Daarom is ook niet aannemelijk geworden, dat de met het vervoer gepaard gaande hoge kosten redelijkerwijs als investering voor de zakelijke toekomst kunnen worden beschouwd."

10.5. 's Hofs weerlegging van het door de verdediging betrokken standpunt mag gerust summier worden genoemd, in aanmerking genomen de moeite die de raadsman zich blijkens de vele pagina's van zijn pleitnota heeft getroost om dit onderwerp onder de aandacht van het hof te brengen. Nu is kwantiteit niet maatgevend, realiseer ik me wel.

De weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt berust op een veronderstelling die nergens in de bewijsmiddelen(19) wordt hard gemaakt. Die houdt in dat de verdachte een belangrijker rol vervulde dan die van alleen de technische man die op verzoek van [betrokkene 2] bepaalde klussen heeft verricht. De veronderstelling houdt in dat de verdachte gelijk de andere verdachten kennis droeg van de economische haalbaarheid van het project en weet had van het verloop van besprekingen en onderhandelingen inzake dat project. Het hof specificeert zijn overwegingen niet naar gelang de betreffende verdachte en scheert hen over dezelfde spreekwoordelijke kam. Daar kunnen goede redenen voor zijn, maar in de bewijsmiddelen tref ik die niet aan. Integendeel, verdachte wordt daarin geportretteerd als de technicus die aan de stoomketel moest slijpen en snijden, en die heeft geholpen de stoomketel te verzwaren met de vele 'broodjes' lood. Aan de hand van de bewijsmiddelen heeft het hof kunnen oordelen dat dit een betrekkelijk onverstandige, zo niet onzinnige exercitie heeft betroffen. De vraag is of dat de verdachte duidelijk is geweest, maar waar het hier om gaat is dat 's hofs veronderstelling omtrent de rol en kennis van de verdachte over de besognes op Curaçao niet gedragen wordt door bewijsmiddelen of andere bewijsoverwegingen. Daarmee is de weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet toereikend.

10.6. In zoverre slaagt het middel.

11. Het tweede middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende korte motivering worden afgedaan. Het eerste, derde, vierde, vijfde en zesde middel slagen.

12. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

13.Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [betrokkene 1], nr. 08-01754, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, r.o. 3.3. Ik teken aan dat het beroep in cassatie dateert van vóór de ijkdatum van 1 september 2008.

3 Deze pleitnotities van 8 november 2007 zijn hoofdzakelijk een herhaling van hetgeen in de brief van 16 augustus 2007 aan argumenten is aangedragen.

4 Vgl. HR 25 januari 2000, LJN AA4575; HR 1 februari 2005, CAG Jörg, LJN AP4584, NJ 2006, 421 (vuurwerkramp Enschede).

5 Het is welhaast overbodig te melden dat deze bepalingen in hoger beroep op grond van artikel 415 Sv van overeenkomstige toepassing zijn.

6 Daar komt nog iets anders bij. De strafoplegging sluit in veel gevallen naar mijn beleving naadloos aan bij casus waarin de verdachte het oogmerk om verdovende middelen in te voeren wordt toegeschreven. De mogelijk mindere strafwaardigheid van de gemoedstoestand van iemand die niet de bedoeling heeft om verdovende middelen in te voeren maar "slechts" welbewust het aanmerkelijke risico neemt, wordt in de regel niet verdisconteerd in de strafmaat. Dat sterkt mij in het vermoeden dat de feitenrechter de lezing van de verdachte niet serieus neemt, maar die - paradoxaal - wel gebruikt voor het bewijs.

7 Zie zijn lezenswaardige conclusie voor HR 30 januari 2001, LJN ZD 2120, NJ 2001, 256.

8 Op p. 235 van De Hullu, Materieel strafrecht, 4e druk, 2009, blijkt dat De Hullu zijn standpunt hierover (nog) niet heeft herzien.

9 Vgl. HR 17 februari 2009, CAG Vellinga, LJN BG5966; HR 3 juni 2003, LJN AF5087, rov. 6.3.

10 HR 18 november 2008, LJN BF1182, NJ 2008, 612.

11 HR 23 september 2008, LJN BD3902 en HR 20 juni 2006, LJN AW4479.

12 Althans zo begrijp ik: HR 4 juni 2002, LJN AD9474, NJ 2002, 603 m.nt. Mevis. In deze zaak had het hof een met de bewezenverklaring strijdig (en dus niet redengevend) onderdeel van de verklaring van de verdachte opgenomen onder de bewijsmiddelen (i.t.t. in een bewijsoverweging). Niettemin stond zulks - gelet op de nadere bewijsoverwegingen - aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg. Zie voorts HR 3 juni 2003, LJN AF5087.

13 Vgl. CAG Vellinga voor HR 17 februari 2009, LJN BG5966; HR 24 maart 1987, NJ 1987, 893; HR 19 maart 2002, NJ 2002, 567 en HR 24 mei 2005, NJ 2005, 396.

14 Zie nogmaals HR 23 september 2008, LJN BD3902. In HR 14 september 1992, LJN AC3716, NJ 1993, 54 werd ook de verklaring van de medeverdachte/getuige uitdrukkelijk als kennelijk leugenachtig aangemerkt, hetgeen toch weer een stap verder is dan die het hof in deze zaak heeft gezet.

15 Zie HR 24 juni 2003, LJN AF7985, NJ 2004, 165 en HR 5 december 2006, LJN AZ0662, alsmede de door de stellers van het middel genoemde HR 23 oktober 2007, BA5851 en BA5858, NJ 2008, nrs. 69 en 70.

16 Vgl. HR 1 april 2003, LJN AF3121, NJ 2003, 553, rov. 3.3. en HR 27 juni 2000, LJN ZD1915, NJ 2000, 580.

17 Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.1.

18 Zie vorige voetnoot, rov. 3.8.2 onder (i).

19 En trouwens ook niet in het schriftelijk requisitoir, leert een blik achter de papieren muur.