Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK7077

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08/03265 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK7077
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klacht dat het p-v van het onderzoek in raadkamer niet inhoudt wat door de rm is aangevoerd. In aanmerking genomen dat het p-v niet inhoudt dat de rm heeft verlangd dat op de voet van art. 25.2 Sv enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen voldoet het opgemaakte p-v aan het bepaalde in art. 25.1 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 477
NJ 2010/404 met annotatie van P.A.M. Mevis
NJB 2010, 868
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03265 B

Zitting: 15 december 2009

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

[Klager]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 15 februari 2008 het klaagschrift van verzoeker strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen, ongegrond verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat art. 25 Sv is geschonden nu het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige raadkamer van het hof d.d. 4 januari 2008 niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

4. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang:

"De raadsman licht het klaagschrift toe.

De advocaat-generaal voert het woord en concludeert tot ongegrondverklaring van het beklag.

De raadsman en na hem de advocaat-generaal voeren wederom het woord.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten (...)"

5. Art. 25 Sv luidt, voor zover van belang:

"1. Van het onderzoek der raadkamer wordt door den griffier een proces-verbaal opgemaakt, behelzende den zakelijken inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen.

2. Indien een verdachte, getuige of deskundige of de raadsman of de advocaat verlangt dat eenige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat, voor zoover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk."

6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verslaglegging in het proces-verbaal omtrent hetgeen ter zitting is voorgevallen en mondeling aan de orde is gekomen, te summier is om aan de in art. 25 Sv gestelde eisen te voldoen. Nu in het proces-verbaal niet is weergegeven hetgeen door de raadsman en de advocaat-generaal ter zitting naar voren is gebracht en de bestreden beschikking daar ook weinig over inhoudt, is van een behoorlijke verslaglegging geen sprake, terwijl dat een belangrijke functie is van het proces-verbaal, en kan derhalve de beschikking niet in stand blijven, aldus de toelichting.

7. Art. 25 Sv regelt de wijze waarop en door wie het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling wordt opgemaakt. Ingevolge het eerste lid bevat het proces-verbaal de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en van hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Het tweede lid wil voorkomen dat mondelinge uiteenzettingen als gevolg van een onjuiste interpretatie van de griffier verkeerd in het proces-verbaal terecht komen. Om die reden kunnen onder meer de verdachte (klager) en diens advocaat verlangen dat de griffier hun verklaringen zoveel mogelijk in hun eigen bewoordingen vastlegt. Van deze mogelijkheid is in de onderhavige zaak geen gebruik gemaakt.

8. Het eerste lid vereist niet dat in het proces-verbaal letterlijk wordt weergegeven wat tijdens de behandeling in raadkamer is verklaard. Slechts de zakelijke inhoud van die verklaringen wordt vermeld. Hieraan voldoet het onderhavige (en wellicht summier ogende) proces-verbaal naar mijn oordeel. Twee korte opmerkingen vooraf zijn daarbij van belang. Uit de beschikking van het hof blijkt dat verzoeker zelf niet bij de behandeling van het klaagschrift aanwezig is geweest zodat zich niet het geval heeft voorgedaan dat een door verzoeker bij de behandeling in raadkamer afgelegde verklaring noopte tot een uitvoeriger verslaglegging in het proces-verbaal. Voorts bevindt zich in het dossier zowel het klaagschrift als de 'Conclusie Openbaar Ministerie inzake beklag over inbeslagname ex. 552a'. Het proces-verbaal houdt in dat de raadsman het klaagschrift toelicht en daaruit kan worden afgeleid dat deze is gebleven bij het in het klaagschrift neergelegde standpunt resulterend in het verzoek tot opheffing van het beslag, met last tot teruggave aan klager. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de advocaat-generaal. Blijkens het proces-verbaal heeft deze het woord gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Dit stemt overeen met de inhoud van, kort aangehaald, de voornoemde 'Conclusie'. De daarop volgende zin in het proces-verbaal, inhoudende dat de raadsman en na hem de advocaat-generaal wederom het woord voeren, lees ik aldus dat zij ieder bij hun standpunt zijn gebleven.

9. Verder neem ik in aanmerking dat de Hoge Raad ten aanzien van het met art. 25 Sv vergelijkbare art. 326 Sv - dat ziet op het proces-verbaal van de terechtzitting - heeft geoordeeld dat met de vermelding in het proces-verbaal dat de P-G het woord voert, zijn vordering voorleest en aan het hof overlegt, en dat de verdediging het woord tot verdediging voert, is voldaan aan het gestelde in die bepaling (in verbinding met art. 311, tweede lid, Sv).(1) Tot slot merk ik op dat in het middel niet is aangevoerd welk belang van verzoeker in concreto zou kunnen zijn geschaad door de summiere weergave van hetgeen door de raadsman en de advocaat-generaal is aangevoerd en bijvoorbeeld niet is gesteld dat het hof niet of onvoldoende heeft gerespondeerd op enig door de raadsman gevoerd verweer.

10. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het proces-verbaal van de zitting de kenbron bij uitstek van hetgeen op die zitting is gebeurd. Ik merk dit op, nu aan de schriftuur als bijlage 1 een stuk houdende 'Pleitnotities' is gehecht, betreffende 's hofs zitting van 4 januari 2008. De steller van het middel, tevens de raadsman op die zitting, voert in de toelichting op het middel aan dat hij op de zitting van 4 januari 2008 overeenkomstig deze 'Pleitnotities' een nader standpunt heeft ingenomen, terwijl dit niet uit het proces-verbaal blijkt. Als ik over de 'papieren muur' heenkijk, constateer ik dat de 'Pleitnotities' ten opzichte van het klaagschrift niet zozeer van een nader als wel (opeens) van een ander juridisch betoog is voorzien. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt echter niet dat de raadsman aan de hand van de 'Pleitnotities' het woord heeft gevoerd. Ook blijkt daaruit niet dat de raadsman het verzoek heeft gedaan de 'Pleitnotities' aan het proces-verbaal te doen hechten, met het verzoek de inhoud daarvan te doen insereren in het proces-verbaal. Of hij overeenkomstig die 'Pleitnotities' het woord heeft gevoerd, kan alleen worden beoordeeld aan de hand van het proces-verbaal van de zitting van 4 januari 2008. En dit proces-verbaal maakt daarvan op geen enkele wijze melding. In cassatie zal het stuk houdende de 'Pleitnotities' derhalve buiten beschouwing dienen te blijven.(2) De steller van het middel schiet er dus, zoals hij zelf ook wel inziet, niets mee op door de 'Pleitnotities' als bijlage 1 aan de schriftuur te hechten.

11. Op grond van het vorenstaande meen ik, anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, dat het proces-verbaal voldoende is voorzien van de zakelijke inhoud van hetgeen door de raadsman en de advocaat-generaal naar voren is gebracht en van de gang van zaken op de zitting, en dat aldus is voldaan aan de in art. 25 Sv gestelde eis.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof op grond van feitelijk onjuiste vaststellingen heeft geoordeeld dat sprake is geweest van een rechtmatig gelegd beslag op de halsketting, en dat daarom de beschikking ontoereikend met redenen is omkleed en niet in stand kan blijven.

14. De bestreden beschikking houdt in, voor zover hier van belang:

"Namens de klager is ter terechtzitting aangevoerd dat de inbeslagneming van de halsketting en de personenauto op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering onrechtmatig heeft plaatsgevonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op 20 september 2003 werd onder leiding van de rechter-commissaris, in onder andere de woning van de klager, op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering een schakelhalsketting 'IBN-code [verdachte]' en een personenauto, merk Volkswagen, type Golf Cabrio, kenteken [AA-00-BB], inbeslaggenomen. Anders dan klager meent, vereist artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering geen vordering van de officier van justitie en evenmin een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris.

(...)

Uit het voorgaande volgt dat zowel het beslag ex artikel 94 als dat ex artikel 94a rechtmatig heeft plaatsgevonden. Het hof zal het beklag, derhalve ongegrond verklaren."

15. Als bijlage bij het klaagschrift is gevoegd een op 24 september 2003 opgemaakt 'proces-verbaal inbeslagneming goederen fouillering verdachte [verdachte]'. Dat proces-verbaal houdt onder meer in:

"Door mij, [verbalisant 1], brigadier-rechercheur-specialist van de politie Zuid-Holland-Zuid en werkzaam bij bovenvermelde afdeling, wordt het navolgende gerelateerd:

Overdracht goederen

Op dinsdag 23 september 2003 werd door [verbalisant 2] ambtenaar van de politie Zuid-Holland-Zuid (1071), aan mij een aantal goederen overgedragen waarvan [verbalisant 2] verklaarde dat deze waren veiliggesteld uit de fouillering van verdachte [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1981.

Inbeslagneming

Op dinsdag 23 september 2003 heb ik te Dordrecht, in opdracht van de teamleiding inzake het onderzoek [A]/[B], de aan mij overgedragen goederen inbeslaggenomen. Bijgevoegd is een inventarisatie betreffende deze goederen."

De in het proces-verbaal genoemde inventarisatielijst houdt in, voor zover hier van belang:

"Fouillering verdachte [verdachte]

IBN-code Omschrijving inbeslaggenomen goed

[verdachte]goud/zilverkleurige (grove) schakel

Halskantting, lengte 70 cm, breedte 1,2 cm

(...)

Inbeslaggenomen te Dordrecht op 23 september 2003"

16. Voorts kan men in de meergenoemde 'Conclusie' van het openbaar ministerie met betrekking tot het beklag over de inbeslagname lezen:

"Op 20 september 2003 werd onder leiding van de rechter-commissaris mr. H.W. Bezemer doorzoeking ter inbeslagneming verricht in onder andere de woning van klager, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. De halsketting en de personenauto zijn op 20 september 2003 inbeslaggenomen ex artikel 94 Sv."

17. Gelet op met name de hierboven in punt 15 weergegeven inhoud van het proces-verbaal van inbeslagneming en mede gezien het feit dat de 'Conclusie' van het openbaar ministerie niet inhoudt dat de halsketting onder leiding van de rechter-commissaris in beslag is genomen, terwijl één en ander ook overigens niet uit de stukken van het geding blijkt, is 's hofs overweging dat de halsketting op a) 20 september 2003 en b) onder leiding van de rechter-commissaris in beslag is genomen, onbegrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.

18. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Uit de weergave van de bestreden beschikking (hierboven in punt 14) blijkt dat die onbegrijpelijke overweging deel uitmaakt van 's hofs overwegingen waarin het hof - kennelijk naar aanleiding van de (onjuiste) stelling van klager dat het beslag ten aanzien van de halsketting op de voet van art. 94a Sv is gelegd en onrechtmatig is geschied nu een op vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris verleende machtiging ex art. 103 Sv ontbreekt - als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het beslag in eerste instantie op grond van art. 94 Sv was gelegd en dat deze bepaling geen vordering van de officier van justitie of een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris vereist. Nu voor dat oordeel de exacte datum van inbeslagname en de betrokkenheid van de rechter-commissaris daarbij niet van belang zijn, kunnen 's hofs onbegrijpelijke vaststellingen daaromtrent niet afdoen aan de begrijpelijkheid en juistheid van dat oordeel en daarmee evenmin aan de begrijpelijkheid van de beschikking. Daarbij neem ik in aanmerking dat de omstandigheid dat het beslag op de halsketting niet onder leiding van de rechter-commissaris is gelegd maar zelfstandig door een opsporingsambtenaar, niet maakt dat het beslag onrechtmatig is. De opsporingsambtenaar (zoals de hierboven in punt 15 genoemde brigadier-rechercheur-specialist) heeft immers ingevolge art. 96, eerste lid, Sv de zelfstandige bevoegdheid om voorwerpen in beslag te nemen.

19. Ook dit middel is tevergeefs voorgesteld.

20. Beide middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 15 november 1983, NJ 1984, 312, LJN AC4384. Zie ook: HR 9 januari 2007, NJ 2007, 53, LJN AY9203.

2 Voor een onderzoek naar de vraag of ter zitting door de betrokkene meer naar voren is gebracht dan in het proces-verbaal van de zitting is vermeld, is in cassatie geen plaats (HR 9 januari 2007, NJ 2007, 53, LJN AY9203).