Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6949

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
08/00036 E
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2007:BJ1693
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6949
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Bewijsklacht. De bewezenverklaring kan niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 427
NJB 2010, 672
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00036 E

Mr. Hofstee

Zitting: 15 december 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem wegens 1. "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan", 2. "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd", en 3. "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren", veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en tot een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één maand. Voorts heeft het hof de stillegging van de gehele onderneming van verzoeker voor de duur van een jaar bevolen. Tot slot heeft het hof de verbeurdverklaring van inbeslaggenomen runderen gelast, zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.H.J. Damminga, advocaat te Zwolle, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring en de kwalificatie van feit 1.

4. Ten laste van verzoeker is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 5 januari 2005 tot en met 19 januari 2005, te Doornspijk, gemeente Elburg, samen en in vereniging met een ander opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een aan of nabij de [a-straat] gelegen inrichting voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen en/of wegen van dieren, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 8 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad."

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakt (stam)procesverbaal onder nummer PL0617/05202941 (pagina 7), gesloten en ondertekend op 26 april 2005 door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], allen hoofdagent van politie, voor zover inhoudende de verklaring van een van deze opsporingsambtenaren - zakelijk weergegeven -:

Op 23 maart 2005 hoorde ik, [verbalisant 1], hoofdagent van politie, [betrokkene 1], die verklaarde werkzaam te zijn bij de gemeente Elburg als toezichthouder als bedoeld in artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht. Op 5 januari 2005 ging [betrokkene 1] samen met mij, 1e verbalisant [verbalisant 1] en twee mensen van de Algemene Inspectiedienst, naar het bedrijf van [verdachte] (het hof begrijpt [medeverdachte] en [verdachte]) aan de [a-straat 1] te [plaats]. [Betrokkene 1] telde onafhankelijk van mij, 1e verbalisant de hoeveelheid vee in de stallen. [Betrokkene 1] kwam hierna tot de conclusie dat er 206 stuks runderen, zowel oud als jong vee aanwezig waren in de stallen van de broers [achternaam verdachte]. Hierdoor overschreed men het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het daarbij behorende voorschrift. In het Besluit staat namelijk dat er in totaal 100 runderen ouder dan 2 jaar en 70 stuks jonger dan 2 jaar mogen worden gehouden. [Betrokkene 1] verklaarde verder dat ik 1e verbalisant onafhankelijk van hem had geteld en dat we beiden tot 206 stuks kwamen.

2. Een als bijlage bij (stam)proces-verbaal nummer PL0617/05-200298 gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor nummer PL0617/05-202941 (pagina's 195 tot en met 197), gesloten en ondertekend op 23 maart 2005 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, voor zover inhoudende de verklaring van [betrokkene 1] door hem op die dag afgelegd - zakelijk weergegeven:

Op 5 januari 2005 ging ik naar het bedrijf van [verdachte], samen met u en twee mensen van de Algemene Inspectie Dienst. Ik heb het vee in de stallen van [verdachte] geteld en kwam tot de conclusie dat er 206 stuks runderen, zowel jong als oud aanwezig waren in de stallen. Hierdoor overschreed men het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het daarbij behorende voorschrift.

3. Een als bijlage bij (stam)proces-verbaal nummer PL0617/05-200298 gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor nummer PL0617/05-202941 (pagina's 24 tot en met 27), gesloten en ondertekend op 10 januari 2005 door [verbalisant 1] hoofdagent van politie, voor zover inhoudende de verklaring van [medeverdachte] door hem op die dag afgelegd - zakelijk weergegeven -:

Ik ben samen met mijn broer [verdachte] eigenaar van het melkrundveebedrijf te [plaats], gevestigd aan de [a-straat 1]. Ik weet dat ik 170 stuks melkvee mag houden, inclusief het jongvee.

4. Een als bijlage bij (stam)proces-verbaal nummer PL0617/05-200298 gevoegd in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor nummer PL0617/05-202941 (pagina's 28 tot en met 30), gesloten en ondertekend op 12 januari 2005 door [verbalisant 1] hoofdagent van politie, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte op die dag afgelegd - zakelijk weergegeven -:

Samen met mijn broer [medeverdachte] ben ik eigenaar van een agrarisch bedrijf. Wij hebben samen de dagelijkse leiding.

5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt (stam)proces-verbaal nummer PL0617/05-200298 (pagina's 3 tot en met 14), gesloten en ondertekend op 26 april 2005 door [verbalisant 1], [verbalisant 2], en [verbalisant 3] allen hoofdagent van politie voor zover inhoudende als verklaring van een van de opsporingsambtenaren - zakelijk weergegeven -:

Op 18 januari 2005 ging ik, verbalisant [verbalisant 1], met twee mensen van de AID en een dierenarts van de Gezondheidsdienst voor dieren naar het bedrijf van de gebroeders [achternaam verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats]. De controleurs van de AID controleerden het vee aan de hand van de stallijsten en de oormerken. Zij kwamen tot de conclusie dat de broers [achternaam verdachte] 139 stuks vee hadden die 2 jaar en ouder waren. De broers mochten maar 100 stuks vee hebben van 2 jaar en ouder."

6. Artikel 8.1, eerste lid, aanhef en sub c (oud) Wet milieubeheer bepaalde kort gezegd en voor zover hier van belang dat het verboden was zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in werking te hebben. Ingevolge art. 1, eerste lid, aanhef en onder a sub 5º van het 'Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer' (oud)(1) werd onder een melkrundveehouderij verstaan een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, (oud) Wet milieubeheer aangewezen categorie behoorde en die uitsluitend of in hoofdzaak was bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee, voor zover niet meer dan 100 stuks melkrundvee werden gehouden.

7. Het middel klaagt terecht dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker niet over de (vereiste) vergunning beschikte om de inrichting aan de Zuiderzeestraatweg in werking te hebben en dat aldus het feit niet kan worden gekwalificeerd als 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer'.

8. De gebezigde bewijsmiddelen houden enkel in, voor zover hier van belang, dat verzoeker 100 runderen ouder dan twee jaar en 70 stuks jongvee mocht houden en dat hij door de aanwezigheid van in totaal 206 runderen in zijn stallen het 'Besluit melkveehouderijen milieubeheer' en het daarbij behorende voorschrift overschreed.(2) De bewijsmiddelen houden echter niet in dat verzoeker geen vergunning had voor het houden van (meer dan) 170 runderen, terwijl genoemd Besluit noch de in de Bijlage I bij dat Besluit genoemde voorschriften (zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit 1), iets inhouden omtrent een vergunningplicht of het aantal runderen dat al dan niet was toegestaan zonder vergunning.(3) De enkele vaststelling dat verzoeker in strijd handelde met dat Besluit en het bijbehorende voorschrift betekent derhalve niet zonder meer dat verzoeker zonder (de vereiste) vergunning handelde. Of verzoeker zonder daartoe verleende vergunning de bedoelde inrichting in werking heeft gehad, blijkt evenmin uit a) het proces-verbaal van 20 januari 2005 (nr. 24397), b) het 'aanvullend proces-verbaal bij proces-verbaal nummer 24397' (nr. 26227) - waarin juist het volgende wordt gerelateerd: "Door het intrekken van de milieuvergunning door de gemeente Elburg in 2005, is de inrichting voor het houden van rundvee, aan de [a-straat 1] komen te vervallen" -, en c) het 'Feitenrelaas over de gebr. [achternaam verdachte] aan de [a-straat 1]' van de Gemeente Elburg (waarin een chronologisch overzicht is gegeven van de bevindingen van deze gemeente in de periode van 14 oktober 2004 tot en met 15 december 2006, met een opsomming van de overtreden voorschriften na de bedrijfscontrole op 5 januari 2005).

9. Weliswaar heeft verzoeker blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2007 aldaar verklaard dat hij en zijn broer een milieuvergunning hadden voor 170 stuks dieren omdat ze onder een algemene maatregel van bestuur vielen. Mogelijk heeft hij daarmee willen zeggen dat hij en zijn broer zonder de vereiste vergunning meer dan 170 runderen hadden. Maar misschien heeft hij er iets anders mee bedoeld. Alleen al deze onduidelijkheid maakt, naar ik meen, dat de bedoelde verklaring niet kan worden gebruikt voor een verbeterde lezing van de bewijsvoering, omdat deze exercitie zou neerkomen op een onaanvaardbare schakelredenering. Eerst zou dan deze verklaring overeenkomstig de bewezenverklaring en dus ten laste van verzoeker dienen te worden uitgelegd om vervolgens aan te nemen dat de aldus uitgelegde verklaring abusievelijk niet is opgenomen bij de gebezigde bewijsmiddelen.

10. Ik wijs er bovendien op dat - anders dan in bijvoorbeeld HR 23 augustus 2005, LJN AT5802 (verbeterde lezing pleegplaats) en HR 21 januari 2003, LJN AF1976 (verbeterde lezing pleegdatum) - de gebezigde bewijsmiddelen niet alleen niets inhouden waaruit direct dan wel indirect kan worden afgeleid of verzoeker al dan niet beschikte over een vergunning en, zo ja, wat de inhoud daarvan was, maar dat bovendien het bewezenverklaarde niet beschikken over de vereiste vergunning van essentiële betekenis is voor de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Ook om deze reden ben ik van oordeel dat voor een verbeterde lezing van de bewijsvoering in die zin dat bedoelde, door verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring abusievelijk niet is opgenomen bij de gebezigde bewijsmiddelen, geen plaats is.(4)

11. Het middel slaagt dus.

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 55, eerste lid, Sr ten aanzien van de onder 2 primair en 3 bewezenverklaarde feiten.

13. Ten laste van verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard:

"2 primair.

hij in de periode van 22 december 2004 tot en met 19 januari 2005 te Doornspijk, gemeente Elburg, samen en in vereniging met een ander, als houder van een aantal runderen, aan die runderen de nodige verzorging heeft onthouden, immers:

- was van een rund (met het levensnummer [001]) een oog geheel geabcedeerd en had een ander rund (met het levensnummer [002]) een (vrij diepe) wond aan de kop (ontstaan doordat een hoornpunt de kop was ingegroeid),

- had een aantal runderen (ernstige) huidproblemen (schurft), en

- had een aantal runderen geen droge ligplaats, waarbij aan voornoemde runderen de nodige (medische) verzorging werd onthouden.

3.

hij in de periode van 1 november 2004 tot en met 19 januari 2005, te Doornspijk, gemeente Elburg samen en in vereniging met een ander, een aantal runderen heeft gehuisvest niet overeenkomstig artikel 5 van het Besluit welzijn productiedieren, immers:

- werden voornoemde runderen gehuisvest in stallen waar onvoldoende verlichting was voor grondige controle van het dier op elk willekeurig tijdstip,

- werd een ziek rund (met levensnummer [003]) niet afgezonderd in een passend onderkomen (lid 2),

- waren de luchtcirculatie, de temperatuur en/of de relatieve luchtvochtigheid in de omgeving van een aantal runderen schadelijk voor die runderen (lid 5), en

- werd een aantal runderen in één of meer stallen permanent in het duister en/of in (ongeschikt) kunstlicht gehouden."

14. Het bepaalde in art. 55 Sr ziet op de situatie dat een feit in meer dan één strafbepaling valt. Van deze eendaadse samenloop is sprake wanneer hetzelfde feit of dezelfde gedraging door de omstandigheden waaronder het wordt gepleegd of waarvan het vergezeld gaat tevens een ander strafbaar feit oplevert.(5)

15. Nu de bewezenverklaringen van feit 2 primair en feit 3 blijkens de feitelijke omschrijving van de verweten gedragingen in die bewezenverklaringen geen betrekking hebben op dezelfde feiten of gedragingen, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting geen toepassing gegeven aan art. 55 Sr.

16. Het middel faalt.

17. Het derde middel klaagt dat het hof de oplegging van de bijkomende straf van stillegging van de gehele onderneming van verzoeker, ontoereikend heeft gemotiveerd.

18. De motivering van de strafoplegging luidt als volgt:

"Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van voorwaardelijke vrijheidsstraffen en de onvoorwaardelijke stillegging van de gehele onderneming voor de duur van een jaar leiden.

De feiten zijn ernstig en er is sprake van herhaalde recidive.

De onderneming van verdachte en zijn broer is eerder stilgelegd op grond van artikel 7 van de Wet op de economische delicten en bij voorlopige maatregel op grond van artikel 29 van die wet. Bij beschikking van de gemeente Elburg van 8 februari 2005 is bepaald dat de inrichting van verdachte en zijn broer aan de [a-straat 1] te [plaats] met ingang van 21 februari 2005 diende te worden gesloten. Deze beschikking is onherroepelijk geworden en geëffectueerd.

Er bestaat geen reëel vooruitzicht dat voor de melkrundveehouderij van verdachte en zijn broer een vergunning krachtens de Wet milieubeheer wordt verleend. Evenmin bestaat er reëel vooruitzicht dat verdachte en zijn broer binnen afzienbare termijn kunnen voldoen aan de eisen die het Besluit melkrundveehouderijen stelt, noch aan de eisen die bij en krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn gesteld. Zulks vergt investeringen die in het verleden achterwege zijn gebleven en thans niet of nauwelijks te financieren zijn. Inzicht in de noodzaak van dergelijke investeringen heeft verdachte niet, althans onvoldoende gedemonstreerd. Gegeven de ernst van de feiten, de herhaalde recidive en het ontbreken van reëel perspectief op een legale bedrijfsuitoefening door verdachte en zijn broer, is de door de advocaat-generaal gevorderde bijkomende straf van stillegging van de gehele onderneming van verdachte en zijn broer voor de duur van een jaar geboden en derhalve toewijsbaar."

19. Het hof heeft uiteengezet dat het - gegeven de ernst van de feiten, de herhaalde recidive en het ontbreken van een reëel perspectief op een legale bedrijfsuitoefening door verzoeker (en zijn broer) - van oordeel is dat de stillegging van de gehele onderneming is geboden. Dat oordeel acht ik, anders dan het middel, aldus toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

20. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van zijn beschikking van 23 juni 2005 nu wel een stillegging van de gehele onderneming noodzakelijk acht, geldt dat het hof daartoe niet was gehouden. De keuze en de waardering van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, zijn voorbehouden aan de feitenrechter en behoeven geen motivering.(6) Het hof heeft de feiten en omstandigheden nu kennelijk anders gewaardeerd dan in 2005, hetgeen in cassatie moet worden gerespecteerd. Deze waardering is overigens ook zonder motivering niet onbegrijpelijk, reeds gelet op de (klaarblijkelijke) recidive van verzoeker en zijn broer na 2005. In de toelichting op het middel wordt voorts nog geklaagd dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het een stillegging van de gehele onderneming bovenop de reeds eerder bij beschikking opgelegde gedeeltelijk stillegging, geboden acht. Ook die klacht stuit af op de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van de strafbepalende factoren. Voor zover wordt gesteld dat uit de strafmotivering niet blijkt dat met die voorlopige maatregel van gedeeltelijke sluiting rekening is gehouden, wijs ik erop dat het hof in zijn strafmotivering nadrukkelijk heeft onderkend dat de gemeent Elburg bij beschikking van 8 februari 2005 tot sluiting van de inrichting aan de [a-straat 1] te [plaats] heeft besloten

21. Het middel faalt.

22. Het vierde middel klaagt dat het hof bij de verbeurdverklaring niet heeft aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de draagkracht van verzoeker en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het geen toekenning van een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming heeft gelast.

23. Het hof heeft de verbeurdverklaring als volgt gemotiveerd:

"De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven runderen, volgens opgave van verdachte aan hem en zijn broer toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het runderen zijn met betrekking tot welke het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Hierbij is rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Voor zover de runderen aan zijn broer toebehoren, geldt dat deze bekend was met het gebruik van de runderen in de inrichting zonder vergunning.

Gelet op de getaxeerde waarde van de runderen ad € 14.200,--, de ernst van het delict en het strafrechtelijk verleden van verdachte en zijn broer, bestaat geen grond voor een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming."

24. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2007 houdt in als verklaring van verzoeker (die ter terechtzitting in hoger beroep niet werd bijgestaan door een raadsman), voor zover hier van belang:

"Verdachte verklaart nog als volgt -zakelijk weergegeven- :

Ik sluit mij aan bij hetgeen mijn broer zojuist in zijn strafzaak als laatste heeft verklaard, inhoudende:

"Ik vraag vrijspraak voor alle feiten. Als dat niet kan, vraag ik een gedeeltelijke stillegging van ons bedrijf. Een gehele stillegging van de onderneming is heel erg. Dat is einde verhaal want dan kunnen we helemaal geen beesten meer houden. Jullie mogen vaker komen kijken als jullie menen dat we het niet goed doen. De opbrengst van het verkochte vee, dat toebehoorde aan mij en mijn broer, zou ik graag alsnog willen ontvangen"."

25. Het hof heeft overwogen dat bij de vaststelling van de verbeurdverklaring rekening is gehouden met de draagkracht van verdachte en dat geen grond bestaat voor een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming gelet op de getaxeerde waarde van de runderen, de ernst van het delict en het strafrechtelijk verleden van verzoeker en zijn broer. Daarin ligt als 's hofs oordeel besloten dat verzoeker door de verbeurdverklaring niet onevenredig wordt getroffen in zijn inkomen en vermogen.(7) Voor zover het middel derhalve klaagt dat het hof bij de beoordeling of een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming moest worden toegekend, niet is nagegaan of verzoeker onevenredig door de verbeurdverklaring wordt getroffen, maar zou hebben geoordeeld dat een vergoeding of tegemoetkoming niet passend zou zijn, faalt het reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.

26. 's Hofs oordeel dat verzoeker door de verbeurdverklaring niet onevenredig wordt getroffen is voorts niet onbegrijpelijk, mede gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de daarop gestelde straf van ten hoogste zes jaren gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie(8), de recidive van verzoeker en de waarde van de runderen . Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, ook niet in het licht van de omstandigheid dat aan verzoeker tevens de bijkomende straf van stillegging van de gehele onderneming was opgelegd. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, aldaar door verzoeker met betrekking tot de verbeurdverklaring niets is aangevoerd omtrent die stillegging, noch overigens een bijzonder verweer is gevoerd.(9)

27. Het middel faalt.

28. Het tweede, het derde en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

29. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing ten aanzien van feit 1 en de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Stb. 1991, 324. Het oorspronkelijke Besluit melkveehouderijen milieubeheer is na zijn inwerkingtreding per 1 augustus 1991 diverse malen gewijzigd. Het Besluit is per 6 december 2006 vervallen en vervangen door het Besluit landbouw milieubeheer (Stb. 2006, 390).

2 Goed beschouwd is niet duidelijk wat precies met 'het daarbij behorende voorschrift' wordt bedoeld. Ik ben er op grond van de stukken niet achter kunnen komen.

3 Vgl. bijv. HR 7 juli 2009, LJN BI4727.

4 In zijn conclusie voor HR 23 augustus 2005, LJN AT5802, concludeerde mijn ambtgenoot Jörg dat de pleegplaats (van het bewezenverklaarde onttrekken van een minderjarige aan het bevoegd toezicht) weliswaar niet kon volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen maar dat dit niet tot cassatie behoefde te leiden nu uit de gebezigde bewijsmiddelen genoegzaam kon volgen dat de verdachte woonachtig was te Rotterdam en zijn zoon aldaar in huis had genomen. De Hoge Raad deed de klacht af met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Zie in vergelijkbare zin HR 21 januari 2003, LJN AF1976, waarin abusievelijk de pleegdatum niet in het bewijsmiddel was opgenomen.

5 Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, 4e druk, p. 501 e.v. met daarin o.m. de verwijzing naar Smidt, I, p. 478.

6 Vgl. bijv. HR 21 november 2006, LJN AY7805; HR 14 maart 2006, LJN AU9353, HR 16 november 1999, LJN ZD1451, NJ 2000, 214. Zie ook: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, p. 263-266.

7 Vgl. HR 23 juni 1992, LJN ZC9071, NJ 1993, 7 en HR 25 januari 2005, nr. 02824/03 (niet gepubliceerd).

8 Art. 8.1 (oud) Wet milieubeheer in samenhang met art. 1a onder 1° (oud) en art. 6, eerste lid onder 1° (oud) WED.

9 Vgl. HR 23 juni 1992, NJ 1993, 7, rov. 5.3.