Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6903

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
07/10839
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6903
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklachten. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 314
NJB 2010, 453
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10839

Mr. Vellinga

Zitting: 15 december 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "witwassen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is verbeurd verklaard het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van in totaal 63.430,-Zwitserse Francs.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf en dat de bewezenverklaring aldus onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 3 april 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, de herkomst en verplaatsing van een voorwerp te weten een geldbedrag van 63.430,- ChF (EUR 40.767,41) heeft verhuld, en voornoemd geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

5. Het Hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1. Een proces-verbaal van 11 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].

[bijlage nr. AH-001]

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op zondag 3 april 2005 bevond ik mij in dienst op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Ik was samen met diverse collega's op dat moment belast met de controle van reizigers met reizigershandbagage die op dat moment via de Noordhal de hal wilden verlaten. Collega [verbalisant 2] had een fles shampoo uit de bagage van een passagier die zojuist uit Zwitserland gearriveerd was (het hof begrijpt: de verdachte) door het x-ray apparaat gedaan en riep mij vervolgens om mijn visie hierover te geven. Vervolgens heb ik de controle overgenomen. De passagier had alleen één stuk handbagage bij zich.

In de fles bevonden zich in totaal 19 rolletjes in plastic folie verpakt, met hierin bankbiljetten. Na telling van het geld bleek het totaalbedrag 18.850 Zwitserse francs te zijn (omgerekend € 12.227,56).

Ik heb toen de visitatie van zijn handbagage hervat en trof in de tussenwand nog een vreemde plak aan. Deze plak was in zijn geheel ombonden met tape. Na verwijdering van de tape, bleek dit ook om biljetten Zwitserse francs te gaan. In totaal 6.680 Zwitserse francs (omgerekend € 4.333,16).

Ik zag op het beeldscherm van de x-ray dat in de wanden van de schrijfmap een vreemde vorm zichtbaar was. Ik heb toen de wanden van de schrijfmap bij het stiksel opengesneden. Ik trof hier toen ook een aantal stapels met bankbiljetten Zwitserse francs aan. Dit bleek om een totaalbedrag te gaan van 32.800 Zwitserse francs (omgerekend € 21.276,60). Na verdere controle in de handbagage vond ik tevens een envelop, met daarin een aantal Zwitserse francs. Na telling bleek dit een bedrag van 5.100 Zwitserse francs te zijn (omgerekend € 3.308,25).

Aangetroffen goederen:

Een totale inhoud van 63.430 Zwitserse francs.

2. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof te Amsterdam van 24 juli 2007.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte:

Op 3 april 2005 kwam ik aan in Nederland. Ik was van plan om de volgende dag de Zwitserse francs te wisselen voor euro's bij een officieel wisselkantoor.

Mijn broer heeft mij gevraagd om geld op te halen in Zwitserland. Het was de bedoeling dat ik het geld zou gebruiken om auto's te kopen op de automarkt in Utrecht. Mijn broer heeft in Nigeria het geld - afkomstig van mijn broer en zijn medewerkers - op de zwarte markt omgewisseld voor Zwitserse francs. Het omwisselen van geld bij banken is namelijk erg duur. Bovendien gaan veel banken failliet en zijn ze corrupt. De Zwitserse francs heeft mijn broer aan neef [betrokkene 1], die naar Zwitserland reisde, meegeven. Omdat [betrokkene 1] niet over een Schengenvisum kon beschikken, moest ik het geld in Zwitserland ophalen. Uit angst voor ontdekking door de Nigeriaanse autoriteiten hebben mijn broer en [betrokkene 1] het (verpakte) geld verstopt. In Zwitserland heb ik ook nog geld in de tussenwanden van mijn eigen handbagage verstopt.

Het geld was al verborgen in de bagage in Nigeria. Mijn broer heeft dit gedaan samen met de man die het geld van Nigeria naar Zürich heeft gebracht. Deze persoon heeft het geld aan mij overhandigd.

Het geld komt uit de autohandel en andere handel in tweedehands goederen. Het geld is niet gewisseld bij officiële wisselkantoren maar op de zwarte markt.

Ik moest het geld wisselen in Euro's. Ik heb dat vaker gedaan. Ik weet niet hoeveel keer ik in het verleden geldbedragen heb gewisseld in Nederland. Ik was niet van plan het geldbedrag in één keer te wisselen. Dat is niet mogelijk. Het maximumbedrag dat je in één keer kan wisselen is Sfr. 10.000,00.

Het geld is niet via de bank overgemaakt omdat je op deze manier veel geld verliest. Je moet de bank veel commissie betalen en ze gebruiken een slechte wisselkoers.

3. Een proces-verbaal van 18 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3].

[bijlage nr. AH-005]

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen voornoemde verdachte, [verdachte], heb ik, [verbalisant 3], ambtenaar van de Belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, op 3 april 2005 onderzoek gedaan naar de onder de verdachte inbeslaggenomen bescheiden. Hierbij is ten aanzien van de handel in auto's het volgende bevonden met betrekking tot de uitvoer van een DAF truck, kenteken [AA-00-BB], omstreeks 29-03-2001.

In de bescheiden las ik dat de betreffende auto op 29-01-2001 was aangekocht op naam van [verdachte] voor een bedrag van Fl. 12.000,-.

Op één van deze bescheiden, een factuur van [A] B.V. te [plaats], gedateerd 29 januari 2001, staat vermeld dat deze factuur bestemd is voor [verdachte], [a-straat 1] te [woonplaats]. Op deze factuur is te zien dat daar waar de naam [verdachte] vermeld staat de laatste drie letters, te weten "[...]", middels de handtekening van verdachte [verdachte] zijn doorgehaald. Op een formulier waarop een kopie van het kentekenbewijs deel 1 is afgedrukt, staat naast deze afdruk vermeld:

[verdachte]

[a-straat 1]

[0000 AA] [woonplaats].

4. Een geschrift van 15 april 2005, zijnde een overzicht van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties naar aanleiding van een verzoek van de Landelijk officier van justitie van 4 april 2005.

[bijlage nr. D-004]

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Opdrachtgever [verdachte] ([geboortedatum]1972)

transactiedatum 22-12-2003

valuta CHF

bedrag 10.000

bijzonderheden Aankoop door GWK[verdachte]

Opdrachtgever [verdachte] ([geboortedatum]1972)

transactiedatum 12-02-2004

valuta VHF

bedrag 15.000

bijzonderheden Aankoop door GWK. Is volgens ons gelijk aan [verdachte].

Op basis van bovenstaande opmerking (en gegevens in relatie met bewijsmiddel 3) constateert het hof dat - zoals ook vermeld staat op de justitiële documentatie op beide namen - sprake is van één persoon met dezelfde voorna(a)m(en) [verdachte] en dezelfde geboortedatum, te weten: [geboortedatum] 1972.

5. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof te Amsterdam van 24 juli 2007.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte:

Op vragen van het hof en de advocaat-generaal betreffende de naam [verdachte], waarbij de verdachte stukken worden voorgehouden die betrekking hebben op [verdachte], verklaart de verdachte - zakelijk weergegeven -:

Ik wil niet verklaren over de naam [verdachte]."

6. Het Hof heeft voorts in het bijzonder het volgende overwogen:

"Nadere bewijsoverweging

Het Hof neemt voorts de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

De verdachte is op 3 april 2005 op Schiphol aangehouden, nadat bij visitatie door de Douane van de handbagage in de tussenwand, de wanden van een schrijfmap, een enveloppe en in een shampoofles een hoeveelheid bankbiljetten in (kleine) coupures was aangetroffen. Het bleek in totaal te gaan om een bedrag van 63.430,- ChF (EUR 40.767,41).

De verdachte heeft bij zijn aanhouding omtrent (de herkomst van) het geld verklaard dat het geld afkomstig is van de autohandel en handel in tweedehands goederen.

De verdachte heeft ter staving van deze eerste stelling schriftelijke auto- en vrachtautobescheiden overgelegd, gedateerd uit een periode vanaf 1999, waaruit de koop en verscheping van (vracht)auto's en tweedehands goederen zou moeten blijken. De verdachte heeft aangegeven dat hij het geld in Zwitserland heeft ontvangen van zijn neef en in zijn eigen, meegebrachte bagage heeft verstopt.

De door de verdachte gegeven verklaring over de herkomst en bestemming van het geld komen het hof niet aannemelijk voor op de volgende gronden:

* de verdachte heeft een deel van het geld verstopt in de tussenwand van zijn handbagage;

* het geld is van de Nigeriaanse munteenheid gewisseld in Zwitserse francs op de zwarte markt in Nigeria en de Zwitserse francs zouden vervolgens in Nederland moeten worden omgewisseld voor euro's;

* de overlegde bescheiden houden geen direct verband met de herkomst van het aangetroffen geld.

Het hof kan verdachte nog volgen in zijn verklaringen dat het geld in Nigeria op de zwarte markt is omgewisseld in buitenlandse valuta (Zwitserse Francs) en dat er aanleiding was de aanzienlijke som contant geld te verstoppen tijdens het vervoer vanuit Nigeria naar Zwitserland. De verklaring van de verdachte wordt naar het oordeel van het hof onaannemelijk vanaf het moment van aankomst van het geld in Zürich. De verdachte heeft er immers niet voor gekozen om het geld per bank vanuit Zwitserland naar Nederland over te laten maken, maar is speciaal naar Zürich gereisd om het geld aldaar op te halen en vervolgens - ook in de tussenwand van de door hem meegevoerde tas verstopt - verder per vliegtuig naar Nederland te vervoeren. Met deze reis heeft de verdachte onnodig extra kosten moeten maken en ontbrak de directe noodzaak tot verstoppen op het laatste gedeelte van het reistraject. Zowel deze extra kosten als ook de omstandigheid dat eerst Nigeriaanse valuta is omgewisseld in Zwitserse francs, terwijl die Zwitserse francs vervolgens in Nederland weer zouden moeten worden omgewisseld in euro's zijn tegenstrijdig met de verklaringen van de verdachte dat hij teveel geld zou verliezen door te betalen provisie en nadelige wisselkoersen bij het gebruik van banken. Bovendien ontbreken bescheiden (administratie), althans wil de verdachte ze niet overleggen, met betrekking tot de legaal gepretendeerde handel waarmee hij zich in Nederland bezig zou houden; ook ontbreekt iedere (papieren) verantwoording van het inbeslaggenomen geld.

Daarbij komt nog het volgende bij.

Op grond van de navolgende feiten en omstandigheden en temeer daar de verdachte voor de omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs van het hem tenlastegelegde feit, geen redelijke ontzenuwende verklaring heeft willen geven, is het hof tot het oordeel gekomen dat [verdachte] en [verdachte] namen zijn die de verdachte voert maar in feite één en dezelfde persoon betreffen.

Het hof beschouwt ook deze dubbele naamvoering als een aanwijzing dat de verdachte de herkomst van het meegebrachte geld heeft willen verhullen:

* bij de aanhouding is in de bagage van de verdachte een document op naam van [verdachte] aangetroffen. Het betreft een factuur die bestemd is voor [verdachte], [a-straat 1], te [woonplaats]. Op deze factuur is te zien dat daar waar de naam [verdachte] vermeld staat de laatste drie letters, te weten "[...]", zijn doorgehaald met de handtekening van de verdachte [verdachte];

* [verdachte] is op 22 december 2003 opdrachtgever van een wisseltransactie van 10.000 Zwitserse francs op het Grenswisselkantoor Amsterdam. Op 12 januari 2004 wordt geregistreerd dat [verdachte] opdrachtgever is van een transactie van 15.000 Zwitserse francs bij het Grenswisselkantoor Amsterdam. Als opmerking wordt genoteerd dat het vermoeden bestaat dat dit dezelfde persoon betreft als [verdachte];

* uit de justitiële documentatie op naam van [verdachte] blijkt dat zowel de verdachte [verdachte] als [verdachte] de voornaam "[verdachte]" dragen en beiden als geboortedatum, [geboortedatum] 1972, hebben;

* ter terechtzitting heeft de verdachte geen antwoord willen geven op vragen die betrekking hebben op de naam [verdachte].

Gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van een misdrijf afkomstig is en de verdachte de herkomst van het geld kennelijk heeft willen verhullen."

7. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de bewijsmotivering van het Hof onbegrijpelijk dan wel inconsistent is omdat het Hof enerzijds heeft overwogen verdachte nog te kunnen volgen in zijn verklaringen dat het geld in Nigeria op de zwarte markt is omgewisseld in buitenlandse valuta en dat er aanleiding was het geld te verstoppen tijdens het vervoer vanuit Nigeria naar Zwitserland, maar anderzijds heeft geoordeeld dat hem de verklaring van verdachte over de herkomst en bestemming van het geld niet aannemelijk voorkomt, te weten dat verdachte een deel van het geld heeft verstopt en het geld op de zwarte markt in Nigeria van de Nigeriaanse munteenheid in Zwitserse francs is gewisseld.

8. Het gewraakte oordeel van het Hof moet kennelijk aldus worden begrepen dat verdachtes verklaring over de herkomst van het geld, te weten de handel in tweedehands goederen niet aannemelijk is, omdat er een goede reden mag zijn voor inwisseling van geld op de zwarte markt in Nigeria van de Nigeriaanse munteenheid in Zwitserse francs en voor het verstoppen van dat geld in de bagage tijdens een reis van Nigeria naar Zwitserland, maar dat daarmee nog niet is verklaard waarom de verdachte dat geld in zijn bagage heeft verstopt voor de reis van Zwitserland naar Nederland. Voor dat laatste traject, aldus het Hof, gold niet de noodzaak van het verstoppen van het geld terwijl dat wel is geschied en voorts heeft de verdachte door het geld eerst in Nigeria in te wisselen in Zwitserse francs en vervolgens naar Zwitserland te reizen om het geld op te halen om het in Nederland in euro's te wisselen, kosten gemaakt die niet opwegen tegen te betalen provisie en nadelige wisselkoersen bij het gebruik van banken. Voorts in aanmerking genomen dat de verdachte niet alleen in Zwitserland de bagage met daarin het verstopte geld heeft overgenomen maar - naar het Hof overweegt - een deel van het geld in zijn eigen, meegebrachte bagage heeft verstopt, is het aldus begrepen oordeel van het Hof op zichzelf niet onbegrijpelijk of inconsistent.

9. Vervolgens wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het Hof geen gegevens in zijn arrest heeft opgenomen over de extra reiskosten die de verdachte zou hebben gemaakt en verliezen aan provisie en wisselkoersen. Kennelijk heeft het Hof hier als vanzelfsprekend aangenomen dat de reiskosten(1) de bedragen aan bespaarde provisie en kosten van nadelige wisselkoersen te boven gaan. Of de reiskosten van de verdachte inderdaad de bedragen aan bespaarde provisie en kosten van wisselkoersen te boven gaan heb ik niet kunnen achterhalen. Dat het Hof zich heeft kunnen baseren op feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels zou ik dan ook niet durven zeggen. Op dit punt is de bewezenverklaring dus niet voldoende met redenen omkleed. Het gaat hier om het ontbreken van bewijsmateriaal voor een essentieel onderdeel in de overwegingen van het Hof, namelijk die met betrekking tot het van misdrijf afkomstig zijn van het geld en - impliciet - verdachtes wetenschap als bedoeld in art. 420bis Sr daarvan.

10. Tenslotte merk ik gelet op het laatste onderdeel van de in het eerste middel geformuleerde klacht nog op, dat het feit dat de verdachte op een zondag vanuit Zwitserland op Schiphol aankwam en dat (Zwitserse) banken op zondag gesloten zijn in dezen irrelevant is, aangezien degene die geld wil overmaken daartoe vele middelen ten dienste staan, waarvoor niet steeds noodzakelijk is dat wordt gebruik gemaakt van de diensten van een bank tijdens de openingsuren van de bank.

11. Het middel slaagt ten dele.

12. Het tweede middel richt zich tegen het als derde bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal, opgemaakt door opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende dat:

"op deze factuur [...] te zien [is] dat daar waar de naam [verdachte] vermeld staat de laatste drie letters, te weten "[...]", middels de handtekening van verdachte [verdachte] zijn doorgehaald."

13. Anders dan de steller van het middel ben ik van mening dat hetgeen voornoemde opsporingsambtenaar in het proces-verbaal heeft gerelateerd niet heeft te gelden als een schriftkundige analyse van een handtekening waarvoor specialistische kennis is vereist. Uit de gewraakte passage blijkt slechts dat verbalisant [verbalisant 3]- en met hem het Hof, zo blijkt uit 's Hofs overweging op pagina drie van het arrest - waarneemt dat op een factuur de naam [verdachte] staat vermeld en dat de laatste drie letters ("[...]") worden doorgehaald door de handtekening van de verdachte. Aan het enkele feit dat de handtekening van de verdachte de letters "[...]" doorkruist wordt door de verbalisant geen gevolgtrekking verbonden. Het kennelijke oordeel van het Hof dat meerbedoeld proces-verbaal als bewijsmiddel in de zin van art. 344, eerste lid en onder 2° Sv kan worden gebezigd getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is daarnaast niet onbegrijpelijk.

14. Het middel faalt.

15. Het derde middel klaagt dat het Hof heeft gehandeld in strijd is met de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR door een melding op grond van de Wet melding ongebruikelijke transacties (hierna: Wet MOT) voor het bewijs te bezigen.

16. De Wet MOT(2) hield ten tijde van het tenlastegelegde feit het volgende in, voor zover hier van belang:

Artikel 1

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[...]

d. ongebruikelijke transactie: een transactie die aan de hand van de ingevolge artikel 8 bepaalde indicatoren als zodanig wordt aangemerkt;

[...]."

Artikel 3

"Het meldpunt heeft tot taak:

a. het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor de voorkoming en opsporing van misdrijven;

b. het verstrekken van persoonsgegevens en andere gegevens in overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet politieregisters bepaalde;

c. degene die overeenkomstig artikel 9 een melding heeft gedaan, in afwijking van artikel 4, tweede lid, met het oog op de juiste naleving van de meldingsplicht, berichten over de afdoening van de melding. In dat geval wordt slechts meegedeeld of verstrekking heeft plaatsgevonden overeenkomstig onderdeel b;

d. het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van witwassen en heling van geld en naar de verbetering van de methoden om witwassen en heling van geld te voorkomen en op te sporen;

e. het geven van aanbevelingen voor de bedrijfstakken omtrent de invoering van passende procedures voor interne controle en communicatie en andere te treffen maatregelen tot voorkoming van het gebruik van die bedrijfstakken voor witwassen en heling van geld;

f. het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van witwassen en heling van geld:

1°. aan de bedrijfstakken en beroepsgroepen;

2°. aan het openbaar ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten;

3°. aan het publiek;

g. het onderhouden van contacten met buitenlandse van overheidswege aangewezen politiële- of niet-politiële instanties die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt;

h. het jaarlijks uitbrengen van een verslag van zijn werkzaamheden en van zijn voornemens voor het komende jaar aan Onze Minister van Justitie, en het ter kennis brengen van dit verslag van Onze Minister van Financiën."

Artikel 8

"1. Door Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk worden, na overleg met het meldpunt zo nodig per daarbij te onderscheiden categorieën transacties, voor een termijn van ten hoogste zes maanden, de indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.

2. De indicatoren bedoeld in het vorige lid blijven na afloop van de in dat lid genoemde termijn van kracht, indien deze binnen deze termijn worden goedgekeurd bij algemene maatregel van bestuur."

Artikel 9

"1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het meldpunt.

2. Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:

a. de identiteit van de cliënt;

b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt;

c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;

d. de omvang en bij een dienst bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, de bestemming en de herkomst van de bij de transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of andere waarden;

e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt;

f. bij een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a sub 9°: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde;

g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, gegevens.

3. Degene die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, verleent is verplicht de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op toegankelijke wijze te bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding."

Enige aanwijzing dat degene van wie wordt gemeld dat hij een ongebruikelijke transactie heeft verricht niet voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan bevat deze wettelijke regeling niet. Die aanwijzing ligt met name niet besloten in de omstandigheid dat de verkregen gegevens worden gebezigd ter voorkoming en opsporing van misdrijven zoals dat ook niet het geval is met gegevens verkregen op grond van voldoening aan de in art. 162 Sv voorziene verplichting tot aangifte. Aan het bezigen voor het bewijs van een melding op grond van de Wet melding ongebruikelijke transacties valt dus niet te ontlenen dat het Hof heeft gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

19. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

20. Het cassatieberoep is ingesteld op 10 augustus 2007. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 12 juni 2008 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is terecht voorgedragen, maar kan buiten bespreking blijven wanneer het arrest van het Hof, zoals ik voorsta, op grond van het eerste middel wordt vernietigd.

21. Ambtshalve heb ik afgezien van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over overschrijding van de termijn van twee jaar geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Een blik over de papieren muur leert dat de verdachte op 3 april 2005 heeft verklaard dat hij een dag eerder van Barcelona naar Zürich is gereisd voor een bedrag van € 168,- en op 3 april 2005 een retourticket Zürich - Amsterdam heeft gekocht voor 295,50 Zwitserse Francs.

2 De Wet MOT is vervallen tegelijk met de inwerkingtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (15-07-2008, Stb. 303).