Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6681

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
09/02105
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6681
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partner- en kinderalimentatie. (art. 81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 256
JWB 2010/33
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/02105

Mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 11 december 2009

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Deze zaak, waarin het gaat om de vaststelling van partner- en kinderalimentatie, leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2005 is tussen verzoeker tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 24 februari 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In de echtscheidingsbeschikking is aan de man geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen van partijen opgelegd en evenmin een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw.

1.2 Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van 28 maart 2008, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2007 een bedrag van € 300,- per maand per kind aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen alsmede, met ingang van dezelfde datum, een bedrag van € 750,- per maand aan partneralimentatie.

In hoger beroep heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het verzoek van de man om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van de rechtbank te schorsen bij beschikking van 30 juli 2008 afgewezen en vervolgens bij beschikking van 25 februari 2009 de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

De man heeft tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld tegen de eindbeschikking van 25 februari 2009. Er is afgezien van het voeren van verweer.

1.3 Middel I klaagt dat de man geen 'fair hearing' heeft gehad, omdat de incidentele beschikking en de eindbeschikking zijn gewezen door dezelfde voorzittende raadsheer, zodat sprake is van vrees voor partijdigheid.

Het middel faalt nu de daarin beschreven omstandigheid niet meebrengt dat het recht op een onpartijdige behandeling is geschonden(2).

1.4 Middel II is gericht tegen rechtsoverweging 4 waarin het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank terecht de nettotoelage die de man ontvangt tot het inkomen heeft gerekend. Geklaagd wordt dat de man de toelage als beroepsmilitair onbelast ontvangt, ter delging van kosten voortvloeiende uit plaatsing in het buitenland, alsmede omdat gezinsleden in het buitenland geen eigen inkomen kunnen genereren. De toelage dient derhalve (gedeeltelijk) buiten de draagkrachtberekening te blijven. Voorts zou het hof ten onrechte feiten en/of verweermiddelen van de vrouw hebben aangevuld.

1.5 Het middel miskent dat de feitenrechter een hoge mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de financiële middelen waarover de alimentatieplichtige kan beschikken. Hij mag rekening houden met alles wat de alimentatieplichtige rechtens en feitelijk ter beschikking staat(3), waaronder onkostenvergoedingen(4) en buitenlandtoelagen(5). Het oordeel geeft mitsdien niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Voor het overige stuit het middel af op art. 407 lid 2 Rv.

1.6 Middel III richt zich tegen de verwerping door het hof in rechtsoverweging 5 van de grief van de man over de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum van 1 oktober 2007. Geklaagd wordt (i) dat de vrouw een WWI-uitkering ontvangt, zodat primair de uitkeringsinstelling beslist of partneralimentatie wordt gevorderd. De man behoefde derhalve (ii) niet te verwachten dat de vrouw zelfstandig een verzoek daartoe zou doen. Ook is (iii) in het verzoekschrift niet het adres van de man maar van zijn toenmalige advocaat vermeld, zodat de man laat en niet op de rechtens voorgeschreven wijze op de hoogte is gekomen van het verzoekschrift. Het hof heeft (iv) miskend dat de alimentatieprocedure wordt beheerst door art. 6 EVRM.

1.7 Voorop gesteld moet worden dat art. 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting laat(6). Het oordeel van het hof dat, nu de man reeds begin 2007 aan de vrouw een voorstel had gedaan tot het betalen van alimentatie, hij er rekening mee had kunnen houden dat de vrouw aan de rechtbank een verzoek zou doen ter verkrijging van alimentatie voor de kinderen, is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Daarop strandt de klacht onder (ii). De klacht onder (i) dat de vrouw niet gerechtigd zou zijn partneralimentatie te vorderen zonder instemming van de uitkeringsinstelling, betreft een novum in cassatie. De klacht onder (iii) faalt reeds op de grond dat de man in de procedure is verschenen en verweer heeft gevoerd en niet is gesteld of gebleken dat de man daarin zou zijn geschaad. De klacht onder (iv) voldoet niet aan art. 407 lid 2 Rv.

Ook middel III kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

1.8 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conlusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 25 mei 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

2 Om met de woorden van annotator Vranken in zijn noot onder HR 30 juni 1989, NJ 1990, 382 te spreken zou een andere opvatting "de bijl zetten aan de wortels van het procesrecht". Zie voorts: Burgerlijke Rechtsvordering, Hammerstein, art. 36, aant. 1; P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 2008, p. 314; HR 15 februari 2002, NJ 2002, 197.

3 Zie Asser-De Boer, 2006, nr. 625 met verdere verwijzingen.

4 Zie onder meer: HR 10 maart 1978, NJ 1978, 372 en HR 28 mei 1982, NJ 1982, 472.

5 Zie A-G De Vries Lentsch-Kostense in haar conclusie vóór HR 31 januari 2003, LJN: AF1794 onder 4 en A-G Verkade in zijn conclusie vóór HR 14 juli 2006, LJN: AX5382 onder 3.29. Dit volgt ook uit HR 22 april 2005, LJN: AS4187.

6 HR 1 februari 2002, NJ 2002, 185; Asser-De Boer, 2006, nr. 1049.