Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6348

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
09/00225
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG9161
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6348
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gijzeling [C.M.]. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 285
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/00225

Mr. Machielse

Zitting 8 december 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 30 december 2008 voor "medeplegen van gijzeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

2. Mr. B. Yesilgoz, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. M.E. Van der Werf, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel verwijt aan het hof dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door in de bewezenverklaring een zinsnede op te nemen die in de tenlastelegging, zoals gewijzigd, niet voorkomt. Er is geen sprake van een kennelijke verschrijving die door het hof kon worden verbeterd noch van een verbeterde lezing.

3.2. Aan verdachte is, na wijziging in eerste aanleg, onder 1 tenlastegelegde dat

"hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 september 2005 tot en met 15 september 2005 te Amsterdam en/of te Braamt en/of Wijchen en/of Laag-Keppel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [C.M.] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten de familie van die [C.M.], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders), die [C.M.] in haar huis op de [a-straat 1] te [plaats] op de grond gelegd en/of haar enkels en/of haar handen vastgebonden het tape en/of haar mond afgeplakt met tape en/of een muts over haar hoofd getrokken en/of haar (een) vuurwapen(s) getoond en/of de kinderen van die [C.M.] laten plaatsnemen in een kast en of die [C.M.] laten instappen in een kist waama deze kist werd afgesloten en/of vervolgens die [C.M.] in deze kist in een auto vervoerd naar vakantiepark Stroombroek, Landal Greenpark te Braamt en/of voorts die [C.M.] tegen haar wil vastgehouden in een afgesloten kamer in een vakantiehuisje van voomoemd park en/of die [C.M.] geboeid en/of vastgebonden aan een bed met handboeien en/of tie-wraps en/of touw en/of in de woning van die [C.M.] een brief achtergelaten waarin hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) losgeld (300 kilo cocaïne) heeft/hebben geëist in ruil voor haar, [C.M.],vrijlating".

Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat hij

"in de periode van 12 september 2005 tot en met 15 september 2005 te Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [C.M.] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, met het oogmerk anderen, te weten de familie van die [C.M.], te dwingen iets te doen, immers hebben zijn mededaders, die [C.M.] in haar huis op de [a-straat 1] te [plaats] op de grond gelegd en haar enkels en haar handen vastgebonden met tape en haar mond afgeplakt met tape en een muts over haar hoofd getrokken en haar een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp(1) getoond en die [C.M.] laten instappen in een kist waama deze kist werd afgesloten en vervolgens die [C.M.] in deze kist in een auto vervoerd naar vakantiepark Stroombroek, Landal Greenpark te Braamt en voorts, die [C.M.] tegen haar wil vastgehouden in een kamer in een vakantiehuisje op voomoemd park en die [C.M.] geboeid en vastgebonden aan een bed met handboeien, tie-wraps en touw en haar een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp getoond (2) en in de woning van die [C.M.] een brief achtergelaten waarin hij, verdachte en zijn mededaders

losgeld (300 kilo cocaïne) hebben geëist in ruil voor de vrijlating van de genoemde [C.M.]."

Aan deze bewezenverklaring gaat de volgende overweging vooraf:

"Uit hetgeen is verhandeld ter terechtzittingen in hoger beroep is gebleken dat niet is komen vast te staan dat het ten laste gelegde gebruik van een vuurwapen door verdachtes mededaders een echt vuurwapen betreft. Het hof verstaat de tenlastelegging aldus, dat de steller daarvan met het opnemen van het element "vuurwapen" mede het oog heeft gehad op een daarop gelijkend voorwerp. Door de lezing van dit -feitelijk minder wezenlijke- onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad, te minder omdat een op de aldus verstane tenlastelegging gegronde bewezenverklaring niet raakt aan de kwalificatiebeslissing of de wettelijke strafpositie."

3.3. Dat de beantwoording van de vraag of het slachtoffer bedreigd is met een vuurwapen of met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp niet van belang zou zijn voor de wettelijke strafpositie van verdachte wordt door de steller van het middel bestreden omdat de hoogte van een te formuleren strafeis mede afhankelijk van de mate van (bedreiging met) geweld. Daarom had het hof moeten vrijspreken van het onderdeel "en/of haar (een) vuurwapen(s) getoond". Dat zou waarschijnlijk gevolgen hebben gehad voor de opgelegde straf.

3.4. Een technisch rapport over het voorwerp waarvan één van de ontvoerders zich heeft bediend (zie de bewijsmiddelen 1 en 5) ontbreekt, zodat niet duidelijk is of een echt pistool is gebruikt. Of het gaat om een echt pistool (categorie III volgens art. 1 Wet wapens en munitie) of om een namaak pistool (categorie IV) is van belang voor de beoordeling onder de Wet wapens en munitie (zie bijvoorbeeld artikel 26 van die wet), maar maakt voor de toepassing van artikel 282a Sr niet uit. Op welke wijze iemand van zijn vrijheid wordt beroofd is voor het strafmaximum onverschillig, hoewel die wijze natuurlijk wel door de rechter in aanmerking kan worden genomen bij de straftoemeting. Het hof heeft kennelijk het woord 'vuurwapen' hier niet beperkt tot de betekenis die artikel 1, aanhef en onder 3 Wet wapens en munitie, daaraan geeft, maar er kennelijk ook onder verstaan een voorwerp dat naar uiterlijke verschijningsvorm er als een vuurwapen uitzag en dat mitsdien geschikt was als dreigmiddel.(3)

Deze uitleg van de tenlastelegging, die geen betrekking had op overtreding van de Wet wapens en munitie maar op art. 282a Sr, is niet onbegrijpelijk en dient in cassatie te worden geëerbiedigd. Dat de beantwoording van de vraag of het om een echt pistool ging of om een voorwerp dat voor pistool kon doorgaan voor de strafeis van belang zou zijn volgt niet uit het requisitoir, waarin de AG immers op bladzijde 2 bovenaan zelf spreekt over "een vuurwapen, althans een voorwerp dat daarop leek". In de strafmotivering in het arrest heeft het hof geen aandacht gewijd aan deze vraag, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het voor het hof onverschillig was of er een echt of een namaak pistool werd gebruikt.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1Cursief door mij, AM, aangebracht.

2Cursief door mij, AM, aangebracht.

3 HR 23 maart 1999, NJ 1999, 419, overwegingen m.b.t. het eerste cassatiemiddel; HR 18 september 2001, LJN ZD2853; HR 24 maart 2009, LJN BH0150 rov. 2.5.