Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6347

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
09/00148 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6347
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geen middel a.b.i. de wet en art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/00148

Mr. Machielse

Zitting 8 december 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 23 december 2008 voor 'Overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan', veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 . Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van 47 fazanten.

2. Mr. drs. P.A.M. Verkuijlen, advocaat te Sint-Oedenrode, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat onderdeel b van lid 1 van artikel 13 van de Flora- en faunawet nog niet in werking was getreden. Dat verweer had de volgende inhoud:

"I. De ontvankelijkheid van het O.M..

Het o.m. is in deze zaak niet ontvankelijk is. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een

daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling (artikel 1 Sr).

In art. 13 van de Flora- en faunawet staat dat de wettekst waar de tenlastelegging op doelt,nog niet in werking is. Ter instructie verwijs ik naar de tekst zoals die voorkomt in het Staatsblad 656 van 2001, op de site www.overheid.nl en in de hier boven genoemde uitgaven. De politierechter zegt dat deze stelling is gebaseerd op een foutieve weergave in een Kluwer-editie van de Flora- en Faunawet.

In appel wordt aangevoerd dat in het staatsblad en op de site van de overheid dezelfde teksten voorkomen. In Staatsblad 656 van 2001, met betrekking tot de in werking treding van een aantal artikelen, lijkt dat wordt aangegeven dat onderdeel b. van lid 1 van artikel 13 van de Flora- en Faunawet nog niet inwerking is getreden. In combinatie met de tekstuitgave zoals

die op de officiële site van de overheid voorkomt, kan niet anders gelezen worden dan dat het ten laste gelegde niet strafbaar is. De volledige tekst van het Staatsblad 402 uit 1998 zou anders kunnen duiden. Artikel 126 bepaald echter uitdrukkelijk dat de artikelen van deze wet pas in werking treden treden op een bij koninklijk besluit nader te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld. De combinatie van de tekst van het later gepubliceerde Staatsblad 656 uit 2001, in combinatie met de tekst op de site Overheid.nl laat zonder achtergrond studie geen andere conclusie toe dan dat de wettekst waar de tenlastelegging op doelt, nog niet in werking was ten tijde van het delict.

De justitiabelen mogen er op vertrouwen dat de door de overheid gepubliceerde teksten juist + duidelijk zijn, zonder een uitgebreid onderzoek te doen naar de wetsgeschiedenis."

3.2. Het hof heeft het verweer verworpen op de volgende gronden:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A

De raadsman heeft zich, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het verbod van het onder zich hebben van inheemse dieren niet op een wet kan worden gebaseerd en derhalve in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verboden gedraging valt onder artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet en dit onderdeel nog niet (in zijn geheel) in werking is getreden. Dit onderdeel van artikel 13 is in een aantal publicaties, waaronder in de Kluwer-editie en het Staatsblad, onjuist weergegeven. Justiabelen mogen erop vertrouwen dat de wetteksten juist zijn.

B1

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

B2

Het hof stelt voorop dat bij de weergave van artikel 13 van de Flora- en faunawet richtinggevend is de wettekst, zoals deze officieel is gepubliceerd en afgedrukt in het Staatsblad.

B3

Het eerste lid van art. 13 Flora- en faunawet, zoals afgedrukt in Stb 1998, 402, luidt:

Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren ofte verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

Artikel 1 van het Besluit van 12 december 2001 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Flora- Faunawet (...), zoals afgedrukt in Stb 2001, 656, luidt, voor zover van belang:

De artikelen (...)13, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, van de Flora- en faunawet treden in werking met ingang van 1 april 2002.

B4

Tot de Kamerstukken betreffende de totstandkoming en inwerkingtreding van de Flora- en faunawet behoort een brief van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gedateerd 9 februari 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 23 147, nr. 127) waarin is uiteengezet dat de Europese Commissie de Nederlandse regering heeft verzocht art. 13, eerste lid, onder b, Flora- en faunawet niet in werking te laten treden wegens strijd met het vrije verkeer van goederen. De Commissie heeft, aldus deze brief, vastgesteld dat de uitbreiding van de verbodsbepalingen ten aanzien van niet bedreigde uitheemse diersoorten als opgenomen in art. 13, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet niet geschikt, niet noodzakelijk en niet evenredig is ter bescherming van het leven van dieren.

Ten aanzien van art. 13 Flora- en faunawet is in deze brief van de Staatssecretaris opgemerkt: "De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen. In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het bezit, vervoer en de handel van beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten. Artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet breidt deze verbodsbepalingen uit tot niet beschermde

uitheemse diersoorten. "

B5

Naar het oordeel van het hof wijst reeds de tekst van artikel 13, eerste lid, Flora- en faunawet, zoals afgedrukt in het Staatsblad, uit dat er een misslag van redactionele aard is opgetreden. Het gestelde in de aanhef en onder a is zinledig, indien het niet gevolgd wordt door hetgeen - zoals in het Staatsblad afgedrukt - onder b volgt na het woord "diersoort". De hiervoor genoemde brief van de Staatssecretaris bevestigt dat het eerste lid van artikel 13 Flora- en faunawet aldus gelezen dient te worden, dat de daar omschreven gedragingen verboden zijn indien zij betrekking hebben op hetzij de planten of dieren genoemd onder a, hetzij de dieren genoemd onder b. Na "b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort" had derhalve een nieuwe regel moeten aanvangen.

B6

Aldus gelezen houdt art. 13, eerste lid, Flora- en faunawet in dat het verbod op de daar omschreven gedragingen ten aanzien van de onder a. genoemde planten en dieren in werking is getreden op 1 april 2002. Er is derhalve geen schending van het legaliteitsbeginsel. Het verweer wordt verworpen."

3.3. De oorspronkelijk voorgestelde artikelen 12 en 13 hadden de volgende inhoud:

"Artikel 12

1. Het is verboden:

a. (...)

b. dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, eieren, nesten of produkten van die dieren;

c. (...)

d. dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort die krachtens artikel 4 is aangewezen als soort, behorende tot de categorie van soorten, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, eieren, nesten of produkten van die dieren, onder zich te hebben.

(...)

Artikel 13

1. Het is verboden dieren en eieren van dieren in de vrije natuur uit te zetten.

2. (...)

3. Het is verboden planten of dieren, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, onder zich te hebben, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden.

(...)"

Volgens de Memorie van toelichting bevat het oorspronkelijk voorgestelde artikel 12 bezits-, vervoers- en handelsverboden ten aanzien van alle beschermde inheemse soorten en beschermde uitheemse soorten.(2) Bij de Tweede nota van wijziging zijn de woorden "onder zich te hebben" in artikel 12 lid 1, aanhef en onder d op een nieuwe regel geplaatst.(3)

Op suggesties van leden van de Tweede Kamer heeft de Minister bij Nota van wijziging de redactie van art. 12 vereenvoudigd.(4) In de derde Nota van wijziging(5) werd het eerste lid van art. 12 aldus omschreven:

"1. Het is verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben."

De Vierde nota van wijziging stelde weer een verandering in de tekst van art. 13 voor:

"In artikel 13, vierde lid, wordt de zinsnede "soorten die van nature in Nederland voorkomen" vervangen door: beschermde inheemse dier- of plantensoorten."(6)

Inmiddels was een hele vracht amendementen ingediend. Dat leidde ertoe dat het wetsvoorstel weer werd gewijzigd en dat artikel 13 er als volgt kwam uit te zien:

"1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

(...)(7)

Daarna werden door de regering nogmaals wijzigingen voorgesteld, welk wijzigingsvoorstel bij de Tweede Kamer is ontvangen op 3 november 1997(8):

"D

In artikel 13 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt de zinsnede beginnend met "te koop te vragen" en eindigend met "of onder zich te hebben" op een nieuwe regel geplaatst."

De dag daarop werd aan de Eerste Kamer het Nader gewijzigd voorstel van wet(9) aangeboden waarin artikel 13 van de volgende inhoud was voorzien:

"1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort,

te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

(...)"

Nadien is het wetsvoorstel niet meer gewijzigd. In de authentieke versie van het Staatsblad waarin de Flora- en Faunawet werd gepubliceerd(10) heeft artikel 13 echter de volgende inhoud gekregen:

"Artikel 13

1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben."

Wel heeft de Staatssecretaris nog de in overweging B4 van het arrest van het hof genoemde brief verzonden, waarin is meegedeeld dat gehoor is gegeven aan het verzoek van de Europese Commissie om artikel 13, eerste lid, onder b nog niet in werking te laten treden.

3.4. De steller van het middel betrekt het standpunt dat moet worden uitgegaan van de tekst zoals die in het Staatsblad is verschenen. Uit de hiervoor gereleveerde wetsgeschiedenis kan echter niet anders dan geconcludeerd worden dat de tekst van artikel 13 zoals die officieel is gepubliceerd, niet overeenkomt met de bedoeling van de wetgever. In het verleden hebben zich meer gevallen voorgedaan waarin de Hoge Raad tot de conclusie is gekomen dat in de tekst van een wet een vergissing is geslopen die door de rechter mag worden gecorrigeerd in die zin dat de rechter uit mag gaan van een uitleg van de tekst van de wet zoals die overeenstemt met de duidelijke bedoeling van de wetgever en/of een manifeste vergissing mag negeren.(11)

Dat heeft het hof hier ook gedaan. Het hof heeft artikel 13 Flora- en faunawet uitgelegd op een wijze die overeenstemt met de oorspronkelijke en niet mis te verstane bedoeling van de wetgever. Het standpunt van de verdediging zou ertoe leiden dat het artikel op een geforceerd formele wijze zou worden uitgelegd, waardoor het van iedere redelijke zin zou worden beroofd. Dat het hof daarin niet is meegegaan acht ik volkomen begrijpelijk.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel verwijst naar de toelichting op het eerste middel en komt tot de conclusie dat aan verdachte niet verweten kan worden dat hij ongeringde fazanten hield. De steller van het middel verwijst naar de pleitaantekeningen en meer in het bijzonder naar de "inspanningen van verdachte", om dit middel te onderbouwen.

4.2. Ik ga er maar vanuit dat in hoger beroep bedoeld is een beroep op verontschuldigbare dwaling m.b.t. het wederrechtelijkheid te doen. Wil een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling kans van slagen hebben dan is vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.(12)

Gesteld noch aannemelijk is geworden dat verdachte zich, toen de wetgeving voor hem niet duidelijk zou zijn, zich tot zo een gezaghebbend persoon of instantie heeft gewend.

4.3. Voorts wijs ik op het volgende. In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat verdachte

"op 20 november 2006 in de gemeente Sint Oedenrode, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk zevenenveertig fazanten zijnde dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort onder zich heeft gehad".

In de samenhangende zaak met nummer 08/02794 heeft de politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch verdachte op 21 september 2006 voor een gelijksoortig delict, kort gezegd het houden van fazanten op 20 december 2005, veroordeeld. In appel is verdachte weer veroordeeld en tegen dat arrest is cassatie ingesteld (nr. 08/02794). Deze veroordeling had verdachte zich ter harte moeten nemen. In ieder geval zal hij zich na deze veroordeling niet meer op een verontschuldigbare rechtsdwaling kunnen beroepen verwijzend enkel naar een incomplete wettekst of niet adequate informatie van de Vogelvereniging ESKV.

Het middel faalt.

5. Wat als derde middel wordt gepresenteerd voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel mogen worden gesteld. De stelling wordt geponeerd dat het hof ten onrechte verdachte als houder van ongeringde fazanten en als houder van fazanten met een doorgeknipte pootring heeft beschouwd en voor de 'motivatie' van deze stelling wordt verwezen naar wat in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd.

Als cassatiemiddel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de schriftuur onder C aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.(13)

6.1. Het vierde middel klaagt over de beslissing van het hof om geen deskundigen in te schakelen om zich te laten voorlichten over de stelling van de verdediging dat de voorgeschreven pootringen voor fazanten ondeugdelijk zijn.

6.2. Het hof heeft dienaangaande als volgt overwogen en beslist:

"Tevens is betoogd dat verdachte niet verweten kan worden dat meerdere fazanten niet geringd waren, nu de ringen ondeugdelijk zijn voor hun doel, te weten als controlemiddel voor handhaving van de Flora- en faunawet. De ringen moeten aangebracht kunnen worden zonder risico dat ze afvallen. De ondeugdelijkheid van deze ringen mag niet ten nadele van verdachte werken. Hij moet erop kunnen vertrouwen, dat wanneer deze door de overheid voorgeschreven

ringen worden aangebracht, hij van vervolging is gevrijwaard, aldus de raadsman. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een deskundige te horen met betrekking tot de deugdelijkheid van de ringen en het gekozen systeem.

I.

Het hof begrijpt dit verweer aldus dat namens verdachte gesteld wordt dat de in de tenlastelegging bedoelde fazanten oorspronkelijk waren voorzien van een voorgeschreven pootring zodat te dezen sprake is van een vrijstelling als bedoeld in art. 5 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. De omstandigheid dat een aantal ringen van de poot zijn gevallen zou daar niet aan af doen, nu de (on)deugdelijkheid van de voorgeschreven ringen niet aan verdachte kan worden tegengeworpen.

J.

Het hof is van oordeel dat het niet aan de rechter is om te oordelen over de (geschiktheid van de) middelen die de wetgever aanwijst teneinde een goede controle en handhaving van wet- en regelgeving te bewerkstelligen. Het hof moet er vanuit gaan dat de wetgever de geschiktheid van het ringen als controlemiddel heeft meegewogen bij het stellen van de norm. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Op dezelfde gronden wordt het verzoek tot het horen van een deskundige afgewezen. De noodzaak tot het benoemen en horen van een deskundige is immers niet gebleken.

K.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6.3. Het subsidiair verzoek is erop gericht de rechter gebruik te laten maken van zijn bevoegdheid van art. 315 lid 1 Sv. Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe het voorgeschreven criterium toegepast.(14) Ik schets eerst de achtergrond van de ringverplichting alvorens nader in te gaan op de motivering van de afwijzing.

6.4. Artikel 19 van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer(15) luidt, voorzover relevant, aldus:

"Volgens de procedure van artikel 18:

1. stelt de Commissie uniforme bepalingen en criteria vast voor:

(...)

iii) het opstellen, wanneer zulks nodig is, van procedures voor het merken van specimens als hulpmiddel bij hun identificatie en ter naleving van de verordening".

Ten tijde van het bewezenverklaarde feit was aan artikel 19 uitvoering gegeven in de Verordening (EG) nr. 865/2006 van 4 mei 2006 (verder te noemen; de Uitvoeringsverordening).(16)

Artikel 66 van de Uitvoeringsverordening handelt over de merkingsmethoden. Deze bepaling luidt, voor zover relevant, aldus:

"2. In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden gemerkt overeenkomstig lid 8 of, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat deze methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van het betrokken dier niet geschikt is, door middel van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E).

(...)

8. In gevangenschap geboren en gefokte vogels alsook andere in een gecontroleerd milieu geboren vogels worden gemerkt met behulp van een individueel gemerkte naadloze, gesloten pootring.

Als naadloze, gesloten pootring geldt een ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt, en die commercieel voor dat doel is vervaardigd."

Deze omschrijving van een naadloze, gesloten pootring is letterlijk - behoudens het laatste deel betreffende de commerciele vervaardiging - overgenomen in het Besluit vrijstellingen beschermde dier- en plantensoorten (Besluit van 28 november 2000, Stb. 2000, 525). In artikel 5 van het Besluit vrijstellingen wordt de mogelijkheid geopend van een uitzondering op het verbod van artikel 13 van de Flora- en faunawet:

"1. Van de verboden, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 en 13, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, alsmede voor eieren, nesten of producten van die vogels, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, of, indien het eieren, nesten of producten van die vogels betreft, dat de betrokken producten van gefokte vogels afkomstig

zijn en voorzover:

a. deze vogels zijn voorzien van een pootring als bedoeld in artikel 6;

b. registratie heeft plaatsgevonden in de administratie bedoeld in artikel 8 en

c. voldaan is aan de krachtens artikel 18 gestelde regels."(17)

Artikel 6 van het Besluit vrijstellingen heeft de volgende inhoud:

"1. Gefokte vogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort zijn voorzien van een door Onze Minister op aanvraag afgegeven gesloten pootring, dan wel van een gesloten pootring die door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland, of een door een overheidsorgaan van een andere staat dan Nederland erkende organisatie, is afgegeven.

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de afgifte en kenmerken van gesloten pootringen."

De fazant (Phasianus colchicus) is ingevolge art. 4 lid 1, aanhef en onder b, Flora- en faunawet een beschermde inheemse vogel. De ministeriële regeling waarnaar art. 6 van het Besluit vrijstellingen verwijst is de Regeling afgifte en kenmerken besloten pootringen en andere merktekens van de 5 maart 2002 (Stcrt. 2002, 51, blz. 24).

De Regeling is ingevolge art. 2 van toepassing op gefokte vogels, behorende tot beschermde inheemse diersoorten. Art. 3 tot en met 6 van de Regeling bevatten eisen waaraan de pootringen moeten voldoen. Volgens Bijlage I bij de Regeling dienen fazanten te zijn voorzien van een gesloten pootring met een maximale binnendiameter van 12 mm. In de toelichting bij de Regeling stelt de Staatssecretaris dat zoveel mogelijk is aangesloten bij de voorheen bestaande regels, waardoor de in het verleden opgebouwde kennis en expertise m.b.t. de afgifte van gesloten pootringen is gewaarborgd.(18)

6.5. Artikel 66 lid 2 van de Uitvoeringsverordening wijst de weg die betreden moet worden als de burger van mening is dat de door de (materiële) wetgever gekozen methode niet adequaat is voor de doeleinden die aan de wetgever voor ogen stonden. Hij zal zich moeten wenden tot de verantwoordelijke uitvoerder of regelgever. Bij de rechter is men aan het verkeerde adres. Deze mag immers volgens artikel 11 Wet AB in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. De rechter mag niet zijn eigen oordeel stellen in de plaats van dat van de wetgever.(19) Wel kan de rechter lagere materiële regelgeving aan hogere regelgeving toetsen, evenals aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur - met name aan het verbod van willekeur -, maar deze laatste toetsing zal met grote terughoudendheid dienen te geschieden.(20)

6.6. Het hof heeft doen blijken de grenzen die gesteld zijn aan de rechterlijke toetsing van de wet te kennen en deze te willen respecteren. Het horen van een deskundige is door het hof afgewezen omdat de verdediging een deskundige wilde horen met het oog op de doeltreffendheid van de methode die de wetgever heeft voorgeschreven. De gedachte van het hof dat de verdediging aldus het hof trachtte te bewegen tot een oordeel over de innerlijke waarde en billijkheid van de regelgeving acht ik niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof dit onderdeel van de verdediging niet heeft opgevat als een beroep op een strafuitsluitingsgrond, bijvoorbeeld op overmacht, omdat de verdediging die gevoerd werd door een rechtsgeleerd raadsman zich niet expliciet in die richting heeft uitgelaten.

Het middel faalt.

7. De voorgestelde middelen falen. Het eerste, tweede en vierde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. De derde klacht voldoet niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen en kan naar mijn mening daarom onbesproken blijven. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1Deze zaak hangt samen met nr. 08/02794 ([verdachte]), waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Kamerstukken II 1992/93, 23147, 3, pagina 67/68.

3 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 10.

4 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 12, pagina 44.

5 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 13.

6 Kamerstukken II 1997/98, 23147, nr. 14.

7 Kamerstukken II 1997/98, 23147, nr. 125.

8 Kamerstukken II 1997/98, 23147, nr. 126.

9 Kamerstukken I 1997/98, 23147, nr. 104, gedateerd 4 november 1997.

10 Stb. 1998, 402.

11 HR 31 maart 1998, DD 98.240; HR 24 september 2002, LJN AE6122; HR 16 september 2003, LJN AG3126; HR 15 juni 2004, NJ 2005, 5 m.nt. Buruma; HR 30 augustus 2005, LJN AT7546; HR 30 oktober 2007, NJ 2008, 146 m.nt. Keijzer.

12 Bijv. HR 26 februari 2008, LJN BC0813.

13 Mr. A.J.A. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 172 e.v.; HR 1 september 2009, nr. 07/13506.

14 HR 19 juni 2007, LJN BA5856.

15 PbEG 1997, L 61.

16 L 166/1.

17 Artikel 18 geeft de minister de bevoegdheid nadere regels te stellen over het voeren van de administratie en over het verstrekken van gegevens.

18 In dit verband wijs ik er overigens op dat onder het regime van de Vogelwet 1936 fazanten als klein wild werden beschouwd en niet als beschermde vogels. Zie art. 1, aanhef en onder 2 Vogelwet 1936 juncto artikel 2 Jachtwet.

19 Prof. mr. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel Recht, 6e druk, p. 365.

20 HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251 m.nt. Scheltema.