Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6328

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/02915
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6328
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht. Ingevolge art. 2 Sr is de NL strafwet toepasselijk op ieder die zich in NL aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten NL gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is o.g.v. de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in NL mogelijk, ook t.a.v. de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten NL hebben plaatsgevonden (vgl. HR LJN ZD1413). Op grondslag van de tll., die inhoudt dat de gedragingen behoudens te Amsterdam en/of Utrecht en/of Oosterbeek, althans (elders) in NL, tevens in België te Antwerpen zijn begaan, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de NL strafwet daarop van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 273
NJ 2010, 89
NJB 2010, 403
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02915

Mr. Machielse

Zitting 8 december 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 16 juni 2008 voor 1. Mensenhandel, voor 3. Een ander door een feitelijkheid dwingen dan wel door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, en Opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich onder de onder 1° van artikel 250a Wetboek van Strafrecht genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en voor 4. Opzettelijk een vervalst geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

2. Mr. R.M. Maanicus, advocaat te Nieuwegein, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek om getuigen te horen heeft afgewezen.

3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 2 juni 2008 houdt het volgende in:

"De raadsman verzoekt het hof de behandeling van de zaak aan te houden teneinde [betrokkene 1] en [slachtoffer] als getuigen tegen het tijdstip van een nadere terechtzitting op te roepen en voert ter adstructie, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2006, LJN AV4834, aan dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaringen van genoemde personen, de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten rechtstreeks kan volgen, en die personen nadien door de rechter-commissaris zijn gehoord en ten overstaan van deze hun verklaringen hebben ingetrokken, of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring hebben afgelegd.

Derhalve dienen deze personen ter terechtzitting in hoger beroep opnieuw als getuigen te worden opgeroepen, opdat het hof zich door eigen waarneming van de getuigen een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

De advocaat-generaal concludeert tot afwijzing van dit verzoek.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het hof vaststelt dat beide verzochte getuigen reeds door de rechter-commissaris, in aanwezigheid van de verdediging, zijn gehoord. Voorts is het hof van oordeel dat de door de raadsman beschreven situatie zich in casu niet voordoet (de getuigen zijn immers niet op hun verklaringen teruggekomen of hebben ze deze afgezwakt), zodat een beroep op het genoemde arrest van de Hoge Raad de verdachte geen soelaas kan bieden. Derhalve is voldaan aan het verdedigingsrecht, waarbij komt dat de raadsman niet heeft gesteld noch onderbouwd dat er bij de verdediging nieuwe vragen terzake zijn gerezen.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek van de verdediging te worden afgewezen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij persisteert bij het verzoek de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de aangeefsters [betrokkene 1] en [slachtoffer] als getuigen tegen het tijdstip van een nadere terechtzitting op te roepen en hij pleit overigens overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities."

In zijn arrest heeft het hof nogmaals het verzoek afgewezen op basis van dezelfde motivering als in het proces-verbaal is opgenomen.

3.3. De steller van het middel voert aan dat aan alle voorwaarden die de Hoge Raad in HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 heeft gesteld in het onderhavige geval is voldaan. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend, de verklaringen van de gevraagde getuigen zijn de enige bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de strafbare feiten rechtstreeks kan volgen. De getuige [betrokkene 1] heeft volgens de steller van het middel op 23 mei 2007 ten overstaan van de rechter-commissaris benadrukt dat zij vrijwillig de prostitutie bedreef en niet gedwongen.

3.4. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"1. hij in de periode van 1 november 2006 tot en met 14 mei 2007 te Goes en in België te Antwerpen, [betrokkene 1] heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk [betrokkene 1] in een ander land, te weten België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor derden tegen betaling

en

die bovengenoemde [betrokkene 1] (telkens) met één of meer van de in artikel 213f lid 1, sub 1 van bet Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling, immers:

is hij, verdachte, toen en daar, een (liefdes) relatie met [betrokkene 1] aangegaan, wetende/vermoedende dat [betrokkene 1] daar ontvankelijk voor was gelet op haar (kwetsbare) persoonlijkheid/verleden en heeft hij, verdachte, toen en daar, opzettelijk (in bovengenoemd kader) tegen [betrokkene 1] gezegd dat ze (hij, verdachte en [betrokkene 1]) snel een huisje zouden hebben en dat zouden gaan inrichten en daar zouden gaan wonen en

heeft hij, verdachte, toen en daar, (telkens) opzettelijk - (na een aantal dagen na het begin van die relatie) aan [betrokkene 1] gevraagd of zij als prostituee (in Antwerpen) zou kunnen werken en gezegd dat werken als prostituee wel iets voor haar ([betrokkene 1]) zou zijn en

- tegen haar ([betrokkene 1]) gezegd dat ze na twee maanden in de prostitutie te hebben gewerkt zou stoppen en dat ze in die twee maanden wat geld zou verdienen om hun huis in te (kunnen) richten en

- (vervolgens) [betrokkene 1] naar een kamerverhuurbedrijf (voor prostituees) in Antwerpen gebracht, en [betrokkene 1] zich aldaar als prostituee aan laten melden en

- voor [betrokkene 1] in Antwerpen een kamer/raam (ten behoeve van het bedrijven van prostitutie) betaald en [betrokkene 1] in contact gebracht met een persoon welke een dergelijke kamer/raam verhuurde en/of [betrokkene 1] in Antwerpen een kamer/raam laten huren en

- samen met [betrokkene 1] onder andere lingerie en condooms aangeschaft en betaald en

- [betrokkene 1] vanuit Nederland naar Antwerpen laten brengen en haar (na haar werkzaamheden) (weer) naar Nederland terug laten brengen en

- (aan de hand van de inkomsten van [betrokkene 1] als prostituee) de werktijden te Antwerpen en/of vrije dagen van [betrokkene 1] bepaald en

- in de nabijheid van die kamer/dat raam i n Antwerpen verbleven teneinde toezicht op [betrokkene 1] te kunnen uitoefenen;

3. hij in na te noemen periode in Nederland en in België te Antwerpen, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, genaamd [slachtoffer] door een feitelijkheid heeft gedwongen of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [slachtoffer] met derden tegen betaling,

terwijl hij, verdachte, en/of diens mededader(s) wist(en) dat [slachtoffer] zich onder de onder lid 1 sub 1° van artikel 250a Wetboek van Strafrecht genoemde omstandigheden beschikbaar stelde tot bet plegen van die handelingen, immers:

heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s) in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 13 september 2002 opzettelijk tegen [slachtoffer] gezegd (zakelijk weergegeven) dat ze een mooi meisje was en dat zij de ware voor hem, verdachte, was en dat zij ([verdachte] en [slachtoffer]) bij elkaar hoorden en niet meer bij elkaar weg zouden gaan en

- (vervolgens) [slachtoffer] meegenomen naar de prostitutie-zone te Antwerpen en haar ([slachtoffer])

daar voorgesteld aan een prostituee (welke haar, [slachtoffer], in zou werken) en

- voor haar ([slachtoffer]) (werk)kleding betaald en haar een raam aangewezen (voor het bedrijven van

prostitutie) en

- in de nabijheid van dat raam in Antwerpen verbleven teneinde toezicht op [slachtoffer] te kunnen uitoefenen en

- het door [slachtoffer] in de prostitutie te Antwerpen verdiende geld aan hem, verdachte, en/of diens mededader(s) laten afgeven;

4.

hij in de periode van 8 september 2003 tot en met 21 mei 2007 te Goes opzettelijk voorhanden heeft gehad een vervalst (Belgisch) rijbewijs, genummerd [001],

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - , terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

immers was dat rijbewijs valselijk voorzien van een pasfoto van hem, verdachte, en valselijk voorzien van een droogstempel (deels aangebracht over die pasfoto) waarin de Engelse tekst "LIABILITY - CO ANY" en "KENLE" leesbaar was en was op dat rijbewijs ingevuld dat dit rijbewijs op 12 maart 2002 te Bruxelles was afgegeven."

3.5. Het eerste middel kan alleen maar betrekking hebben op de getuige [betrokkene 1]. Het stelt immers niet dat de getuige [slachtoffer] ook ten overstaan van een rechter haar belastende verklaringen heeft ingetrokken. Voorts geldt voor het als feit 3 bewezenverklaarde, van welke feit [slachtoffer] het slachtoffer is geworden, dat haar verklaringen voldoende worden ondersteund door bijvoorbeeld bewijsmiddel 4.1, houdende de verklaring van de vader van het slachtoffer, bewijsmiddel 4.3 en de verklaring van [betrokkene 2], de prostituee [slachtoffer] moest 'inwerken'.(1)

3.6. Maar ook met betrekking tot feit 1 gaat het middel niet op. Dat [betrokkene 1] tegenover de rechter-commissaris zou hebben verklaard dat zij vrijwillig de prostitutie inging en niet was gedwongen staat immers niet op gespannen voet met de bewezenverklaring van feit 1. Verdachte is niet veroordeeld voor het dwingen van het slachtoffer, maar voor het aanwerven en meenemen met het oogmerk om het slachtoffer in België ertoe te brengen als prostituee te werken, waartoe hij haar heeft misleid en misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin zij zich bevond. In bewijsmiddel 2 verklaart verdachte dat het klopt dat [betrokkene 1] door hem in de prostitutie is gaan werken en dat zij dat daarvoor niet eerder had gedaan. Dit bewijsmiddel biedt dus steun aan de verklaringen van het slachtoffer. Dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de getuige [betrokkene 1] haar verklaringen, voorzover die voor het bewijs zijn gebezigd, bij de rechter-commissaris niet heeft afgezwakt of zich daarvan niet heeft gedistantieerd, is niet onbegrijpelijk. Het hof was daarom niet gehouden om [betrokkene 1] als getuige op te roepen voor de terechtzitting, en kon dus zonder meer gebruik maken van de verklaringen die zij bij de politie heeft afgelegd.(2)

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte het OM ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging terzake van feit 3.

4.2. Het arrest houdt dienaangaande het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities, aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte dient te worden verklaard ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover het betreft de beschuldiging dat de verdachte dat feit in België heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 5, eerste lid, 2°, (oud) van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Het hof stelt vast dat in casu aan genoemde voorwaarden is voldaan, zodat het gevoerde verweer wordt verworpen.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte."

4.3. De steller van het middel betoogt dat niet blijkt dat het hof de strafbaarheid naar Belgisch recht van feit 3 heeft onderzocht. Het hof heeft niet zomaar mogen aannemen dat die strafbaarheid een feit van algemene bekendheid zou zijn. Voorts had art. 5 lid 1 onder 3 Sr ten tijde van het ten laste gelegde een andere inhoud dan thans. Indertijd had Nederland geen rechtsmacht met betrekking tot vrouwenhandel in het buitenland voorzover het ging om meerderjarige slachtoffers.

4.4. Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.(3)

4.5. De tenlastelegging zoals die ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2007 is gewijzigd kent de volgende inhoud, voorzover hier relevant:

"(dat) hij in/op of omstreeks na te noemen periode(n) en/of data, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 23 december 2002 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Oosterbeek, in elk geval (elders) in Nederland en/of in België te Antwerpen (etc.)".

Deze tenlastelegging houdt in dat feit 3 te situeren is in Nederland en in België. Aldus is dit feit ook bewezenverklaard, waarmee de ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging voor dit feit is gegeven. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld, wat er ook zij van de motivering die het hof ten grondslag heeft gelegd aan de verwerping van het verweer.

4.6. Ten overvloede merk ik op dat de steller van het middel zich vergist in zoverre het middel ervan uitgaat dat op feit 3 art. 5 lid 1 onder 3 Sr zoals weergegeven in de schriftuur onder 3.4 van toepassing was. De in de schriftuur aangehaalde tekst is eerst geldend geworden op 1 oktober 2002. Bovendien ziet de steller van het middel over het hoofd dat de door hem geciteerde tekst niet afdoet aan de toepassing van de Nederlandse strafwet op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. Art. 5 lid 1 onder 3 (oud) Sr, waarop de steller van het middel het oog heeft, is een aanvulling op de algemene regel van art. 5, lid 1 onder 2 Sr in dier voege dat de Nederlandse strafwet ook van toepassing is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakte aan de genoemde zedendelicten ten aanzien van een minderjarige, ook al zouden die delicten niet strafbaar zijn gesteld door de wet van het land waar het feit is begaan.(4) In zijn motivering van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het OM heeft het hof doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de in art. 5, eerste lid onder 2 (oud) Sr gestelde voorwaarden en heeft het deze vervuld geacht. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting noch is het onbegrijpelijk.(5)

5.1. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3. De periode waarin dit feit zou zijn begaan "in de periode van 1 augustus 2002 tot en met 13 september 2002" zou niet worden ondersteund door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. De voor het bewijs gebezigde verklaring van [slachtoffer] heeft immers betrekking op de periode vanaf eind augustus 2002 tot 14 september 2002, zodat het hof, aldus de steller van het middel, ten onrechte de periode vanaf 1 augustus 2002 bij het bewezenverklaarde heeft betrokken.

5.2. Zowel de tenlastelegging als de bewezenverklaring rept van 1 augustus 2002 als begin van de periode waarin of omstreeks welke de feiten zouden zijn begaan.

Het middel miskent dat een zodanige bewezenverklaring niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht.(6)

Het middel gaat uit van een onjuiste uitleg van tenlastelegging en bewezenverklaring en faalt daarom.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof ten onrechte niet de bijzondere redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van het tweede lid van art. 359 Sv. Daartoe betoogt de toelichting op het middel dat in eerste aanleg en in hoger beroep het verweer is gevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] niet betrouwbaar zijn.

6.2. Voorzover het middel betoogt dat het hof geen antwoord heeft gegeven op het betrouwbaarheidsverweer mist het feitelijke grondslag omdat het hof, blijkens de hierna opgenomen 'Nadere bewijsoverweging', het oordeel dienaangaande van de rechtbank heeft overgenomen:

"Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities, aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters [betrokkene 1] en [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn, zodat deze niet aan het bewijs van het onder 1 en 3 tenlastegelegde mogen meewerken.

Het hof neemt op dit op punt de overwegingen uit het vonnis van de rechtbank onder "Bewijsoverweging" over en verwerpt dit verweer op grond daarvan."

De bewijsoverweging in het vonnis van de rechtbank waarnaar het hof verwijst heeft de volgende inhoud:

"Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de op 10 september 2007 gedane aangifte/verklaring van [betrokkene 1] onbetrouwbaar is en van het bewijs moet worden uitgesloten omdat deze onder emotionele druk is afgelegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Nadat de politie haar telefoongesprekken heeft laten horen waarin ondubbelzinnig door verdachte werd gezegd dat hij haar, [betrokkene 1], alleen voor het geld had, is het tot haar doorgedrongen hoe zij al die tijd geestelijk gemanipuleerd werd.

Toch is het slachtoffer [betrokkene 1] nog enige tijd gebleven bij verklaringen die de verdachte beschermden. De rechtbank laat in het midden of zij dit deed uit liefde, mededogen of uit angst. Pas na enige tijd heeft zij in een onafhankelijker positie een verklaring kunnen afleggen omdat verdachte gedetineerd bleef en zij geleidelijk aan van hem en zijn invloed los heeft kunnen komen.

Van belang is dat ook op andere wijze is komen vast te staan dat eerder door het slachtoffer afgelegde verklaringen niet overeen kwamen met de werkelijkheid. Zo heeft zij in die eerdere verklaringen gezegd in de prostitutie werkzaam te zijn geweest voordat zij verdachte leerde kennen, terwijl uit gegevens van de GGD-arts naar voren komt dat zij in die bedoelde periode in instellingen heeft verbleven.

Met betrekking tot feit 1 (parketnummer 12/715211-07) overweegt de rechtbank dat de bewezenverklaring voornamelijk steunt op de aangifte van [slachtoffer]. De aangifte bestaat uit verhoren van aangeefster op verschillende tijdstippen in 2002 en in 2007 en zijn consistent te noemen. Op diverse ondergeschikte punten worden zij ondersteund door verklaringen van getuigen, zodat de aangifte ook al hierom betrouwbaar wordt geacht.

Daamaast overweegt de rechtbank dat er een duidelijke overeenkomst bestaat in de handelwijze en optreden van verdachte in relatie tot de slachtoffers [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1983, en [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1985, (feit 1 parketnummer 12/700100-07)."

6.3. De steller van het middel voert aan dat de rechtbank er kennelijk van uit is gegaan dat [betrokkene 1] niet steeds naar waarheid heeft verklaard en pas correct is gaan verklaren toen zij onder de druk van verdachte uit was. Aldus heeft de rechtbank, en in haar voetsporen het hof, volgens de steller van het middel zich een psychologisch oordeel aangematigd waartoe het niet bevoegd was.

6.4. Ik denk daar anders over. De rechtbank is tot een conclusie gekomen over de oorzaak van de wijziging die de getuige in haar verklaringen heeft aangebracht, welke conclusie aan de rechtbank vrijstond. Geen rechtsregel verbiedt de rechter zich een oordeel te vormen over de achtergrond van de wijziging in verklaringen door getuigen aangebracht en deze mening in het vonnis te uiten, zeker als aldus gereageerd wordt op bezwaren die tegen die getuige zijn geformuleerd. Dat de rechtbank bij haar oordeel ook heeft betrokken dat de werkwijze van verdachte ten aanzien van de onderscheiden slachtoffers grote overeenkomsten vertoont raakt de betrouwbaarheid van die verklaringen en niet de redengevendheid ervan.(7) De inhoud van de verklaringen van beide slachtoffers in aanmerking genomen geeft ook dit onderdeel van de overwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] geen blijk van een onjuiste uitleg, noch is het onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

7. Ambtshalve wijs ik op het feit dat op 27 juli 2008 cassatie is ingesteld, dat verdachte ten tijde van de aanzegging van art. 435 Sv voorlopig gehecht was, en dat sinds het instellen van het beroep in cassatie meer dan 16 maanden zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is geschonden. Dat dient te leiden tot verlaging van de opgelegde straf.

8. De voorgestelde middelen falen. Het derde en vierde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

9. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1HR 14 april 1998, NJ 1999, 73 m.nt. Knigge. De laatste verklaring ondersteunt overigens ook het bewijs van feit 1 omdat zij relateert dat verdachte jonge meisjes voor zich inpalmde en vervolgens in de prostitutie voor zich liet werken. Het hof heeft door overneming van de bewijsoverweging van de rechtbank over de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide slachtoffers de overeenkomst in optreden van verdachte jegens beide slachtoffers in ogenschouw genomen. Het hof heeft niet uitdrukkelijk de verklaringen van beide slachtoffers over en weer redengevend doen zijn voor het bewijs der onderscheiden feiten. Zie B. de Wilde, Schakelconstructies in bewijsmotiveringen, DD 2009, 42, p. 584.

2 HR 12 september 2006, LJN AV6188; HR 23 oktober 2007, LJN BB2958.

3 HR 30 september 1997, NJ 1998, 117; HR 27 oktober 1998, NJ 1999, 221.

4 Zie Kamerstukken II 2001/02, 27745, nr. 7 (Amendement van het lid Barth).

5 Bv. HR 19 september 2006, LJN AX9215.

6 HR 2 juli 2002, LJN AE3728.

7 HR 23 oktober 2007, NJ 2008, 70 m.nt. Borgers, rov. 3.3.