Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK6140

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
07/13573
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK6140
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot schorsing van het rijbewijs van verdachte per gewone brief aan diens GBA-adres is verzonden en niet retour is gekomen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 426
NJB 2010, 669
Module Rijbewijzen 2014/532
VR 2010, 95
NBSTRAF 2010/127
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13573

Mr Machielse

Zitting 8 december 2009

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem heeft verdachte op 10 december 2007 bij verstek voor "Overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis en een geldboete van € 340,-, subsidiair 6 dagen hechtenis.

2. Mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de schorsing van zijn rijbewijs op 10 november 2006 van kracht was.

3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 10 november 2006 te Utrecht terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Voorstraat, een motorrijtuig, (bestelauto), van de categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd."

3.3. Het hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0911/06-369499, door [verbalisant 1], agent van politie Utrecht, district Paardenveld en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, district Paardenveld, getekend en gesloten op 11 november 2006 (pagina 5 en 6 van het proces-verbaal), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisanten.

Op 10 november 2006 reden wij omstreeks 19:45 over de Voorstraat te Utrecht. Wij zagen dat er een witte bestelauto van het merk Mercedes en type Benz achter ons reed. Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben uitgestapt teneinde de bestuurder van het voornoemde voertuig te verbaliseren, ik vorderde van de bestuurder zijn rijbewijs en kentekenbewijs van het voertuig. Ik zag dat de bestuurder mij een op naam staand rijbewijs overhandigde. Ik heb de identiteitsgegevens van de bestuurder nagetrokken bij de centrale infodesk van dienst. Ik zag dat de bestuurder bleek te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats]. Bij navraag bij de infodesk hoorden wij dat het rijbewijs van de verdachte sinds 20 oktober 2006 volledig was geschorst.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0911/06-018979, door [verbalisant 1], agent van politie Utrecht, district Paardenveld, getekend en gesloten op 6 december 2006, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van bevindingen van deze verbalisant:

In de verklaring van verdachte [verdachte] geeft de verdachte aan dat hij veelvuldig wordt verwisseld met zijn broer. Verbalisanten hebben de identiteit van verdachte [verdachte] onomstotelijk vastgesteld middels een op zijn naam staand Nederlands rijbewijs met gelijkende foto. Uit geen van de gegevens is gebleken dat de identiteit van de verdachte is verwisseld met de identiteit van zijn broer of neef.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, nummer 2006-015-339, gedateerd 20 oktober 2006 betrekking hebbend op [verdachte], geboren [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats], - (pagina 9-11 van het proces-verbaal) zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op grond van artikel 131 WVW 1994 en de artikelen 5 en 7 van de Regeling wordt de geldigheid van het rijbewijs onder andere geschorst, wanneer aan een of meer van de volgende criteria is voldaan:

i. betrokkene binnen vijf jaar tenminste viermaal is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid WVW 1994;

j . bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte wordt geconstateerd van 1090 ug/l, respectievelijk 2,5 ‰ of hoger;

m. bij betrokkene wordt in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 915 ug/l, respectievelijk 2,1 ‰.

Deze schorsing geldt tot de dag waarop het besluit omtrent de geldigheid van het rijbewijs wordt genomen.

Uit de mededeling blijkt dat [verdachte] is aangehouden, dan wel tegen hem proces-verbaal is opgemaakt op:

Datum Feiten

4 september 2006 250 µg/l (= 0,575 ‰)

5 augustus 2006 255 µg/l (= 0,587 ‰)

10 november 2002 340 µg/l (= 0,782 ‰)

27 oktober 2002 410 µg/l (= 0,943 ‰)

8 september 2002 420 µg/l (= 0,966 ‰)

Besluit:

I. [Verdachte] is verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid,

II. De geldigheid van het rijbewijs van [verdachte] wordt voor alle categorieën geschorst tot de dag waarop het besluit omtrent de geldigheid van het rijbewijs wordt genomen.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief gedateerd 20 november 2006, van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de politie Utrecht, district Paardenveld, betreffende [verdachte], geboren [geboortedatum] 1981, wonende [a-straat 1] te [plaats], - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Het besluit tot schorsen van de geldigheid van het rijbewijs van 20 oktober 2006 is aangetekend en onaangetekend verzonden. Alleen de aangetekende brief is retour gekomen met de mededeling niet afgehaald. De onaangetekende brief is niet retour gekomen.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een overzicht van de Gemeentelijke Basis Administratie, GBA nummer 8587309474, gedateerd 13 november 2007, betrekking hebbend op [verdachte], geboren [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats], -zakelijk weergegeven - inhoudende:

Blijkens de Gemeentelijke Basis Administratie was [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] van 20 juli 2004 tot 8 december 2006 woonachtig op het adres [a-straat 1], [plaats]."

3.4. Voorts heeft het hof in het arrest voor zover van belang het volgende overwogen:

"(...)

Uit het dossier volgt dat een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, gedateerd 20 oktober 2006, inhoudende het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verdachte voor alle categorieën, als aangetekende en gewone brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats]. Blijkens de Gemeentelijke Basis Administratie was verdachte in de periode van 20 juli 2004 tot 8 december 2006 op dit adres woonachtig. Verdachte had derhalve op 10 november 2006 redelijkerwijs moeten weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs op dat moment was geschorst, zodat hij geen motorrijtuig (bestelauto) van de categorieën waarop de schorsing betrekking had, mocht besturen.

(...)"

3.5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat uit de omstandigheid dat de aangetekende brief retour is gekomen met de mededeling dat deze niet is afgehaald en voorts nergens uit kan worden opgemaakt dat de gewone brief op het juiste adres en tijdig is bezorgd, niet kan volgen dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de schorsing van zijn rijbewijs van kracht was. Volgens de steller van het middel heeft verdachte ontkend destijds op de hoogte te zijn geweest van de schorsing.

3.6. Uit bewijsmiddel 1 volgt dat verdachte de verbalisanten op 10 november 2006 een op zijn naam staand rijbewijs heeft overhandigd. Kennelijk was verdachte destijds nog in het bezit van zijn rijbewijs. Blijkens bewijsmiddel 4 is het besluit tot schorsen van de geldigheid van het rijbewijs van 20 oktober 2006 aangetekend en onaangetekend verzonden waarbij de aangetekende brief retour is gekomen met de mededeling niet afgehaald. De gewone brief is niet retour gekomen. Het hof is kennelijk van oordeel dat het enkele feit dat de brief is verzonden naar het GBA-adres van verdachte meebrengt dat verdachte redelijkerwijs moest weten van de inhoud van deze brief. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof heeft overwogen volgt echter niet dat de brief daadwerkelijk tijdig en op het juiste adres is bezorgd, noch dat verdachte op enigerlei wijze bekend is geworden met het besluit tot schorsing. Aangezien het in het onderhavige geval gaat om een tijdsbestek van slechts drie weken tussen het besluit tot schorsing en de pleegdatum, een blik achter de papieren muur leert dat verdachte heeft ontkend papieren van het CBR te hebben ontvangen en verdachte ondanks het besluit nog de beschikking had over zijn rijbewijs, kan er niet zonder meer van uit worden gegaan dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs sinds 20 oktober 2006 was geschorst. Ik neem daarbij in aanmerking dat overtreding van art. 9 lid 5 WVW 1994 volgens de artikelen 176 lid 3 en 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf oplevert, waardoor het "redelijkerwijs moeten weten" geacht mag worden zwaardere eisen te stellen dan een enkele verwijtbaarheid. Daarmee is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.

4. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden