Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK5985

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
09/03667
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK5985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek toepassing van schuldsaneringsregeling uit te spreken op de voet van art. 288 lid 1 aanhef en onder b F. Hardheidsclausule art. 288 lid 3 F. ten onrechte niet toegepast? (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 185
JWB 2010/17
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/03667

mr. Keus

Parket, 4 december 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

1. In deze zaak kunnen de aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden. Evenmin nopen zij tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Ik volsta daarom met een verkorte conclusie.

2. Bij vonnis van 14 juli 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad het verzoek van [verzoeker] om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken, op grond van art. 288 lid 1 aanhef en onder b F afgewezen. Bij arrest van 3 september 2009 heeft het hof Arnhem (nevenzittingsplaats Leeuwarden) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Tegen dit arrest heeft [verzoeker] bij cassatierekest van 10 september 2009 (ingekomen 11 september 2009), aangevuld bij rekest van 23 september 2009, (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.

3. [Verzoeker] heeft volgens het hof niet aan de toelatingseis van art. 288 lid 1 aanhef en onder b F voldaan, omdat niet voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] te goeder trouw is geweest

a. ten aanzien van het onbetaald laten van een schuld van € 150.000,-, aangegaan ter financiering van de koop van certificaten van aandelen in [A] B.V. (hierna: [A]);

b. ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een schuld aan [B] B.V. ter grootte van € 33.700,- met betrekking tot het maken van bouwtekeningen voor een nieuwbouwhuis, door [verzoeker] in 2008 opgedragen toen hij al geruime tijd op de hoogte was van de financiële problemen waarin niet alleen [A], maar ook hijzelf (daardoor) verkeerde.

4. In cassatie bestrijdt [verzoeker] zowel de overwegingen van het hof met betrekking tot de schuld van € 150.000,- (rov. 5-8; daartegen richten zich de middelen 1, 2 en 4), als die met betrekking tot de schuld van € 33.7000,- (rov. 9; daartegen richten zich de middelen 3 en 4). Het cassatieberoep kan slechts slagen, als beide complexen van klachten gegrond zijn. Houdt het oordeel van het hof met betrekking tot de schuld van € 33.700,- stand, dan moet het cassatieberoep worden verworpen; die schuld is, gelet op haar absolute en relatieve omvang (de totale schuldenlast bedraagt althans volgens vaststelling van de rechtbank circa € 330.000,-), niet zo gering, dat bij de toepassing van art. 288 lid 1 aanhef en onder b F aan het ontbreken van goede trouw ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van die schuld zou kunnen worden voorbijgegaan.

5. De klachten van middel 3, die op de schuld van € 33.700,- betrekking hebben, betreffen in de kern genomen slechts het niet toepassen van de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 F ("indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen"). Volgens het middel blijkt uit de uitlatingen van [verzoeker] dat hij zich de zeer negatieve gevolgen van zijn onbezonnenheid voor anderen en hemzelf inmiddels terdege realiseert en dat hij zijn goedgelovigheid en naïviteit inmiddels achter zich heeft gelaten. Het is echter niet onbegrijpelijk dat het hof in die uitlatingen voor toepassing van de hardheidsclausule onvoldoende aanleiding heeft gezien, temeer nu art. 288 lid 3 F veronderstelt dat het ontstaan of onbetaald laten van schulden aan welbepaalde, objectief vast te stellen omstandigheden is gerelateerd en dat ook objectief kan worden vastgesteld dat de schuldenaar die omstandigheden inmiddels onder controle heeft. Ook de door middel 4 (in het aanvullende cassatierekest) aangevoerde omstandigheden (te weten dat [verzoeker] heeft getracht zijn schuldenlast in privé te beperken en thans over woonruimte beschikt) werpen geen ander licht op het niet toepassen van art. 288 lid 3 F. Voor zover middel 4 alsnog het al dan niet ontbreken van goede trouw ten aanzien van de schuld van € 33.700,- aan de orde stelt, geldt dat het ongedaan maken van andere transacties en het niet meer tijdig kunnen afbestellen van de bouwtekeningen op zichzelf niet afdoen aan het oordeel in rov. 9 dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schuld goede trouw niet aannemelijk heeft gemaakt. De klachten met betrekking tot de schuld van € 33.700,- kunnen niet tot cassatie leiden, waarmee ook het belang aan de andere klachten komt te ontvallen.

6. Ten overvloede merk ik over die andere klachten nog op:

- dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel was dat de lange werkrelatie tussen [verzoeker] en zijn compagnon en de vele tussen hen gevoerde gesprekken niet met voldoende onderzoek kunnen worden gelijkgesteld en dat de werkrelatie en die gesprekken, ondanks de goede intenties en inzet van [verzoeker] zelf, niet volstonden voor gerechtvaardigd vertrouwen dat [A] aan haar financiële verplichtingen jegens [verzoeker] en diens management B.V. zou (kunnen) voldoen (middel 1);

- dat art. 288 lid 1 aanhef en onder b F reeds aan toelating tot de schuldsanering in de weg staat als de schuldenaar slechts ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van bepaalde (niet alle) van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest (middel 1);

- dat het hof met rov. 8 kennelijk niet méér tot uitdrukking heeft willen brengen dan dat [verzoeker] als statutair directeur verantwoordelijkheid voor de financiële verplichtingen op zich had genomen en (minst genomen) toezicht op de gang van zaken binnen de onderneming had kunnen en moeten houden, hetgeen bijdraagt aan het oordeel in rov. 7 dat [verzoeker] redelijkerwijs niet erop mocht vertrouwen dat [A] haar verplichtingen jegens hem en zijn management B.V. zou (kunnen) nakomen (middel 2);

- dat in rov. 8 dan ook niet het verwijt valt te lezen van onbehoorlijk bestuur (middel 2);

- dat ook met de in het aanvullende rekest aangevoerde omstandigheden, te weten dat [verzoeker] getracht heeft zijn schuldenlast in privé te beperken, op zichzelf niet aannemelijk is gemaakt dat [verzoeker] te goeder trouw heeft gehandeld (middel 4).

7. De conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal