Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK5616

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08/05131
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK5616
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 269 Sv. Horen getuige achter gesloten deuren. Het hof heeft in de ordeverstoringen ttz. tijdens het verhoor van de getuige X aanleiding gezien een bevel tot sluiting der deuren te geven wat betreft het direct daarop aansluitende verhoor van de getuige Y. Dat bevel, dat geen blijk geeft van miskenning van art. 269 Sv, behoefde geen nadere motivering. Het Hof was niet gehouden verantwoording af te leggen van zijn kennelijke oordeel dat ter voorkoming van verdere ordeverstoringen niet met minder verstrekkende maatregelen kon worden volstaan. Voorts verplichtte geen rechtsregel het Hof om na het verhoor van de getuige Y - en nadat de deuren waren geopend - de korte inhoud van diens verklaring mede te delen. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 478
NJ 2010, 304 met annotatie van Y. Buruma
NBSTRAF 2010/173
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/05131

Mr. Aben

Zitting 1 december 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 25 november 2008 de verdachte, met vrijspraak van het onder 3, 7 en 9 tenlastegelegde, ter zake van 1 primair "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door twee of meer verenigde personen, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan en diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan", 2 "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, sub a, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie", 4 en 5: "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd", 6 "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan", en 8 "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toegewezen, met oplegging van de maatregel van schadevergoeding, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, cassatie ingesteld en hij heeft tevens een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.(1)

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat 's hofs oordeel om het verhoor van de getuige [getuige 1] achter gesloten deuren te horen onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is.

3.2. Met het oog op de bespreking van het middel teken ik aan dat de verdachte meerderjarig is en geef ik de relevante passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 september 2008 weer:

"De getuige ([getuige 2] wordt bedoeld; DA) verlaat de zaal.

Het hof heeft geconstateerd dat de getuige tijdens zijn verhoor meermalen werd afgeleid door personen op de publieke tribune, die gebaren naar hem maakten.

(...)

De voorzitter constateert dat de getuige [getuige 1] is verschenen en memoreert dat het hof tijdens de zitting op 26 september jongstleden heeft bepaald dat hij in afwezigheid van de verdachten zal worden gehoord, tenzij blijkt dat hij geen bezwaar (meer) maakt tegen hun aanwezigheid.

De advocaat-generaal vordert - gelet op de eerdere ordeverstoringen door personen op de publieke tribune tijdens het verhoor van de getuige [getuige 2] - dat het hof zal bevelen dat de behandeling tijdens het verhoor van de getuige [getuige 1] zal plaatsvinden met gesloten deuren.

De raadsvrouw merkt desgevraagd door de voorzitter op dat zij meent dat geen sprake is van een van de omstandigheden als genoemd in artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de vordering dient te worden afgewezen.

De verdachte deelt desgevraagd door de voorzitter mede dat hij zich tegen behandeling met gesloten deuren verzet.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het hof beveelt dat de behandeling tijdens het verhoor van de getuige [getuige 1] in het belang van de openbare orde zal plaatsvinden met gesloten deuren. De aanleiding daartoe zijn de eerdere ordeverstoringen tijdens het verhoor van de getuige [getuige 2].

De voorzitter verleent de bijzondere toegang tot bijwoning van de niet openbare terechtzitting aan de aanwezige slachtoffers, politieambtenaren en de juridisch medewerkster van de advocaat-generaal.

De verdachten en het publiek verlaten de zittingszaal.

De voorzitter doet de getuige [getuige 1] voor het hof verschijnen.

De getuige doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornaam, geboortedatum, beroep, verblijfplaats zoals hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachte te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de eed af dat hij als getuige de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Desgevraagd deelt de getuige mede dat hij gehoord wenst te worden buiten aanwezigheid van de verdachten, omdat hij zich door hen bedreigd voelt.

De voorzitter deelt hierop aan de getuige mede dat de verdachten niet bij het verhoor aanwezig zullen zijn en dat de verklaring zoals hij die zal afleggen, na zijn vertrek uit de zittingszaal aan hen zal worden voorgehouden. Het verhoor vindt bovendien achter gesloten deuren plaats. De getuige wordt verzocht na het afleggen van zijn verklaring voor verhoor beschikbaar te blijven. Mochten de verdachten over die verklaring vragen hebben, dan zullen die vragen - wederom buiten aanwezigheid van de verdachten - aan de getuige worden gesteld."

3.3.1. Het middel keert zich tegen de sluiting der deuren tijdens het verhoor van de getuige [getuige 1] en heeft daarbij kennelijk het oog op de zogeheten externe openbaarheid. Artikel 121 Grondwet schrijft voor dat de terechtzittingen in het openbaar plaatsvinden, zulks met uitzondering van de gevallen bij wet bepaald. Artikel 4 van de Wet op de rechterlijke organisatie houdt in:

1. Tenzij bij de wet anders is bepaald, zijn, op straffe van nietigheid, de zittingen openbaar.

2. Om gewichtige redenen kan het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden met gesloten deuren. In het proces-verbaal van de zitting worden de redenen vermeld.

Art. 269 Sv, dat ook in hoger beroep van toepassing is verklaard, somt limitatief de aan artikel 6 EVRM ontleende(2) redenen op die van voldoende gewicht kunnen zijn voor een bevel tot sluiting der deuren.

1. Het onderzoek ter terechtzitting geschiedt in het openbaar. Vanaf het uitroepen van de zaak kan de rechtbank gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen. Dit bevel kan worden gegeven in het belang van de goede zeden, de openbare orde, de veiligheid van de staat, alsmede indien de belangen van minderjarigen, of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, andere procesdeelnemers of anderszins bij de zaak betrokkenen dit eisen. Een dergelijk bevel kan ook worden gegeven, indien de openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

2. Een bevel als bedoeld in het eerste lid, wordt door de rechtbank ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of andere procesdeelnemers gegeven. De rechtbank geeft het bevel niet dan na het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers, zo nodig met gesloten deuren, hieromtrent te hebben gehoord.

3. De beslissing tot het geven van het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt met redenen omkleed in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.

(...).

Het beginsel van de openbaarheid van de behandeling van een strafzaak is verankerd in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, alsook in het EVRM. Het eerste lid van artikel 6 EVRM schrijft voor zover relevant het volgende voor:

(...) bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een (...) openbare behandeling van zijn zaak, (...). (...) de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

3.3.2. De hiervoor vermelde artikelen verankeren niet alleen het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek ter terechtzitting, zij openen ook de mogelijkheid van uitzonderingen daarop. Volgens de artikelen 121 GW en 4 RO dienen die uitzonderingen bij wet te zijn bepaald. Artikel 4 RO voegt daaraan toe dat in strafzaken de rechter, om gewichtige, in het proces-verbaal van de terechtzitting te vermelden redenen, mag bevelen dat het rechtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaatshebben. Artikel 6 EVRM bepaalt met het oog op welke belangen inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid. Artikel 269 Sv regelt de reeds in artikel 4 RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke - gewichtige - redenen uitzondering mag worden gemaakt op het hier besproken beginsel, dat de transparantie van het strafproces dient. Dit wettelijk stelsel houdt in dat naast de sluiting der deuren overeenkomstig de regeling van artikel 269 Sv niet langs een andere weg inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting.(3)

3.3.3. Ik schreef al dat de openbaarheid van de terechtzitting de 'transparantie' van het strafproces dient. Ik liet mij daarbij inspireren door Melai die zich in zijn noot onder HR 15 februari 1972, LJN AB4850, NJ 1973, 34, vanzelfsprekend niet heeft laten verleiden tot die woordkeuze, die heden ten dage zeer in zwang is. Zijn woorden hebben aan actualiteit echter niets ingeboet en zij geven beter dan waartoe ik in staat ben de grondslag van het beginsel van openbaarheid weer.

"In uitspraken over de openbaarheid van de strafrechtspleging moet worden onderscheiden tussen de inwendige en de uitwendige openbaarheid. Achter deze twee adjektieven ligt een (rechts) politiek beginsel, dat in het eerste geval betrekking heeft op de positie van de verdachte in het strafproces. Bij de uitwendige openbaarheid gaat het om de doorzichtigheid van dat proces als instituut in de rechtsgemeenschap. De inwendige openbaarheid hangt samen met het accusatoire karakter van het strafproces: met name met de eis dat het strafrechtelijk onderzoek openlijk tegenover de verdachte plaats vindt. In die eis schuilt de belangrijkste voorwaarde voor de verdachte om zich kritisch in dat onderzoek te kunnen mengen. Het beginsel van de inwendige openbaarheid berust op de vooronderstelling, dat door de eerbiediging daarvan - in nauw verband met duidelijk omschreven bevoegdheden van de verdachte in het onderzoek - ontsporingen in de oordeelsvorming van de rechter (zoveel mogelijk) worden vermeden. Bij de uitwendige openbaarheid - waarvan in de voorafgaande aantekeningen sprake was - gaat het om de mogelijkheid van publieke controle op het rechtsbedrijf met het oog op bovenpersoonlijke belangen, waarop belangrijke beginselen van het recht zijn betrokken. Het beginsel van de openbaarheid van het "rechtsgeding" speelt - naar wij vermoeden - een virulente rol in de na te streven striktheid van het strafproces en in de helderheid van het besef, dat het rechtsbedrijf als geheel behoort te worden gekenmerkt door de rechtsgelijkheid van personen. Met het oog daarop worden in beginsel de beperkte belangen van bijzondere personen gepasseerd: tegenover het algemene belang van de openbaarheid van de terechtzitting staan de persoonlijke bezwaren en nadelen voor de concrete verdachte die onder dat aspect moet terechtstaan. Op die bezwaren berust de voorziening van art. 500f Sv. en de bevoegdheid van de rechter om in bijzondere gevallen de deuren te doen sluiten (...)."(4)

3.3.4. Van het sluiten der deuren moeten worden onderscheiden de ordemaatregelen tot het treffen waarvan de voorzitter van het college op de voet van artikel 124 Sv bevoegd(5) is teneinde te bewerkstelligen dat de terechtzitting zonder stoornis kan plaatsvinden. Hiertoe behoort het geheel of gedeeltelijk doen ontruimen van de publieke tribune in het geval de orde wordt verstoord vanaf dat gedeelte van de zittingzaal. Van sluiting der deuren is in die situatie, in elk geval formeel geen sprake, aangezien anderen dan de verwijderde ordeverstoorders, waaronder de pers, nog immer onbelemmerde toegang tot de zittingzaal hebben.

De ontruiming van de publieke tribune kan uiteraard praktisch gezien hetzelfde effect sorteren als een formele sluiting der deuren, met name indien het gehele publiek, met inbegrip van de pers, op last van de voorzitter wordt verwijderd en daardoor voor langere tijd wordt verhinderd kennis te nemen van hetgeen ter terechtzitting plaatsvindt. Ofschoon in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de wijze waarop de voorzitter gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot het treffen van ordemaatregelen,(6) kan (naar ik vermoed) in cassatie wel worden getoetst of de feitenrechter niet langs een andere weg dan de sluiting der deuren inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting.

3.3.5. Het EHRM zal zich niet bekommeren om dit formele onderscheid tussen de sluiting der deuren en de verwijdering van (een gedeelte van) het publiek bij wijze van ordemaatregel, vanwege het belang dat het hecht aan een autonome en materiële uitleg van het door het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Indien daartoe geroepen zal het EHRM toetsen of en in hoeverre de uitsluiting van één, meer of alle toehoorders heeft geresulteerd in een inbreuk op het beginsel van de openbaarheid van het strafgeding, en zo ja, of zulks wordt gerechtvaardigd door de belangen die zich volgens artikel 6 EVRM daarvoor lenen.

3.3.6. Onder meer in zijn uitspraak van 22 februari 1984 in de zaak Sutter tegen Zwitserland heeft het EHRM overwogen:

"26. The public character of proceedings before the judicial bodies referred to in Article 6 para. 1 (art. 6-1) protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny; it is also one of the means whereby confidence in the courts, superior and inferior, can be maintained. By rendering the administration of justice visible, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 para. 1 (art. 6-1), namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratic society, within the meaning of the Convention (see the Pretto and others judgment of 8 December 1983, Series A no. 71, p. 11, para. 21, and the Axen judgment of 8 December 1983, Series A no. 72, p. 12, para. 25).

27. Whilst the member States of the Council of Europe all subscribe to this principle of publicity, their legislative systems and judicial practice reveal some diversity as to its scope and manner of implementation, as regards both the holding of hearings and the "pronouncement" of judgments. The formal aspect of the matter is, however, of secondary importance as compared with the purpose underlying the publicity required by Article 6 para. 1 (art. 6-1). The prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial impels the Court, for the purposes of the review which it has to undertake in this area, to examine the realities of the procedure in question (see notably the two above-mentioned judgments, Series A no. 71, p. 12, para. 23, and Series A no. 72, p. 12, para. 26)."

In zijn uitspraak in de zaak Diennet tegen Frankrijk van 26 september 1995 laat het EHRM weten in vervolg op een overweging gelijk aan die hiervoor is aangehaald in de zaak Sutter onder § 26:

"Admittedly, the Convention does not make this principle an absolute one, since by the very terms of Article 6 para. 1 (art. 6-1), "... the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals ..., where the ... protection of the private life of the parties so require[s], or to the extent strictly necessary in the opinion of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice". (...).

(...), while the need to protect professional confidentiality and the private lives of patients may justify holding proceedings in camera, such an occurrence must be strictly required by the circumstances." (cursivering van mij, D.A.)

3.3.7. Een verdragsconforme uitleg van artikel 269 Sv leidt m.i. tot het volgende. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats in het openbaar. Uitsluitend indien (strikt) noodzakelijk en voor zover gerechtvaardigd door de in de wet genoemde belangen kan hiervan worden afgeweken langs de weg van een bevel tot sluiting der deuren. Proportionaliteit en subsidiariteit dienen in de overwegingen te worden betrokken.

Miskenning van het voorgaande betreft een verzuim dat zich niet leent voor relativering. Na constatering van dat verzuim zal dus niet vervolgens nog moeten worden beoordeeld of de verdachte door de schending van een te zijner behoeve opgesteld vormvoorschrift daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad. De wetgever heeft een strikte handhaving beoogd van de wettelijke uitzonderingen op het beginsel dat de terechtzittingen in het openbaar plaatsvinden.(7) Een verzuim als hier bedoeld brengt dus zonder meer nietigheid van de behandeling ter terechtzitting mee.

3.3.8. Welke zijn nu die belangen die de sluiting der deuren kunnen rechtvaardigen? Met het oog op de voorliggende zaak komen op het eerste gezicht de volgende gewichtige redenen in aanmerking:

- het belang van de openbare orde;

- het belang van een goede rechtspleging.

Een grens tussen deze belangen is in de praktijk niet eenvoudig te trekken,(8) en het is nog maar de vraag of dat nodig is. Voldoende, lijkt mij, is de vaststelling dat de bijzondere omstandigheden van het geval nopen tot sluiting der deuren en de gewichtige redenen aanknopen bij één van de in artikel 269 Sv genoemde belangen.

3.4.1. Eén van de gewichtige redenen is dus gelegen in "het belang van de openbare orde". Zo'n reden heeft het hof in de onderhavige zaak met zoveel woorden van toepassing geacht, en dit in verband met de hiervoor beschreven ordeverstoringen tijdens het verhoor van de getuige [getuige 2], waarbij vanuit het publiek jegens die getuige onheuse lichaamstaal is gebezigd. Uit vrees voor een herhaling van deze ordeverstoringen, heeft het hof voorafgaande aan het daarop volgende verhoor, te weten dat van de getuige [getuige 1], de sluiting van de deuren bevolen. 's Hofs kennelijke (want niet uitgesproken) vrees dat de getuige niet vrijuit zou willen of durven verklaren, waardoor de waarheidsvinding in het gedrang kon komen, zou ik als gewichtige reden eerder scharen onder het belang van een goede rechtspleging, en niet zozeer onder het belang van de openbare orde (in het EVRM: the public order / l'ordre public). Maar, zoals gezegd, aan de precieze rubricering moet niet te veel waarde worden gehecht.

3.4.2. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat een bevel tot sluiting der deuren wordt gerechtvaardigd door voorziene wanordelijkheden in de zittingzaal die naar verwachting van invloed kunnen zijn op de verklaring van een getuige en daarmee de waarheidsvinding hinderen. Brants en Van Lent becommentariëren artikel 269 Sv in dit verband als volgt:(9)

"Het belang van een goede rechtspleging

Net als het belang van de openbare orde destijds, vormt thans het belang van de goede rechtspleging de sluitingsgrond waar (bijna) alles onder kan vallen, van ordeproblemen in de rechtszaal (...), tot verdachten en getuigen die, anders dan om privacyredenen, niet in het openbaar willen of durven verklaren. Nog niet zo lang geleden werd deze grond wel gebruikt om getuigen tegen te verwachten represailles te beschermen, of om te voorkomen dat opsporingsmethoden werden prijsgegeven of de identiteit van informanten onthuld. Het belang van de rechtspleging was dan daarin gelegen, dat zonder sluiting feiten niet op tafel kwamen en de waarheidsvinding werd belemmerd."

3.4.3. Een bevel tot sluiting der deuren dat met het oog op het verhoor van een getuige is gebaseerd op bij die gelegenheid voorziene wanordelijkheden, geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee is echter niet zonder meer gegeven dat een dergelijke beslissing ook steeds begrijpelijk is.

3.4.4. Bij de vraag of 's hofs gewraakte beslissing in cassatie de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan vraag ik aandacht voor een aantal omstandigheden die mij brengen tot het oordeel dat 's hofs beslissing zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

In de eerste plaats kan ik aan het proces-verbaal van de terechtzitting niet ontlenen dat het onrustige deel(10) van het publiek is meegedeeld dat bij voortduring van hun (inderdaad onhebbelijke) gedrag aan hun aanwezigheid ter zitting een voortijdig einde zou worden gemaakt. In mijn ervaringen uit het nabije verleden waren zulke waarschuwingen tegen ordeverstoringen in het algemeen betrekkelijk effectief. Ik sluit zeker niet uit dat de voorzitter dergelijke waarschuwingen wel degelijk - maar zonder resultaat - heeft gegeven. Het proces-verbaal geeft daaromtrent echter geen uitsluitsel.

In de tweede plaats geeft het proces-verbaal geen blijk dat het hof minder vergaande ordemaatregelen heeft overwogen en/of afgetast. Hier kom ik terug op artikel 124 Sv, dat aan de voorzitter van het gerecht de bevoegdheid verleent ordemaatregelen te treffen. Het had nogal voor de hand gelegen dat de ordeverstoorders zouden zijn verwijderd van de publieke tribune nadat waarschuwingen zonder effect waren gebleven. Dat had m.i. ook nog kunnen gebeuren na afloop van het verhoor van de getuige [getuige 2] en voorafgaande aan het verhoor van de getuige [getuige 1], met andere woorden: op een welgekozen moment. Een dergelijke beslissing had geen afbreuk gedaan aan de openbaarheid van de terechtzitting.

3.4.5. Kortom, de (strikte) noodzaak voor de inbreuk op het beginsel van de openbaarheid is niet goed tot uitdrukking gekomen. Andere oplossingen lagen - wellicht - voor het grijpen. Hier wreekt zich 's hofs uiterst summiere motivering van zijn bevel tot het sluiten der deuren tijdens het verhoor van de getuige [getuige 1]. Het voorschrift dat de beslissing tot het geven van het bevel in het proces-verbaal met redenen wordt omkleed, heeft niet meer invulling gekregen dan een verwijzing naar het belang van de openbare orde en het wangedrag tijdens het verhoor van een eerder gehoorde getuige. Vragen die deze redengeving oproept worden niet beantwoord en ik kan slechts speculeren over de gang van zaken ter terechtzitting.

3.4.6. Niettemin zijn er ook aarzelingen mijnerzijds. Tijdens het verhoor van de getuige [getuige 1], zoals gezegd: met gesloten deuren, is bijzondere toegang verleend aan slachtoffers, politieambtenaren en een juridisch medewerkster van de advocaat-generaal. Men kan zich afvragen of de toepassing van de door mij geopperde ordemaatregel waarbij de groep waartoe de ordeverstoorders behoorden op last van de voorzitter geheel zou zijn verwijderd uit de zittingzaal materieel veel verschilt van de werkelijke toestand waarin de behandeling van de zaak voor een beperkt deel van de tijd heeft plaatsgehad met gesloten deuren, en waarbij bijzondere toegang is verleend aan de door mij genoemde categorieën van personen. Probleem met dit gedachte-experiment is echter dat omtrent het antwoord op deze door mij opgeworpen vraag geen zekerheid kan worden verkregen, wederom doordat het proces-verbaal geen uitsluitsel geeft. Het proces-verbaal laat immers ongewis of er medewerkers van de pers en andere belangstellenden aanwezig waren (die zich bij sluiting van de deuren ook hadden moeten verwijderen).

In de tweede plaats blijft de principekwestie geheel overeind: sluiting der deuren is een inbreuk op het beginsel van openbaarheid dat slechts bij (hoge) uitzondering gerechtvaardigd is. Ik teken hierbij nog aan dat de verklaring van de getuige [getuige 1] die is afgelegd ter terechtzitting met gesloten deuren tot bewijs is gebruikt.

3.5. Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel is gericht tegen het onder 1 primair bewezenverklaarde.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van de afpersing (onder A) gedwongen zijn tot de afgifte van sieraden, zodat de bewezenverklaring op dat punt onvoldoende met redenen is omkleed, aldus de steller van het middel.

4.2. De verdachte heeft samen met een ander een gewapende, brute overval gepleegd op een ouder echtpaar in hun woning in [plaats], rond 3.45 uur in de ochtend.

Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard dat:

"hij op 27 november 2006 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander in de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning aan de [a-straat 1]

A.

met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gedwongen tot de afgifte van een horloge en sieraden (door mij onderstreept; DA) en geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

en

B.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een auto (merk: Mercedes, type: 500 S, kenteken [AA-00-BB]) en een horloge en sieraden en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte of een mededader -zakelijk weergegeven-

- [slachtoffer 1] met een vuist tegen het hoofd heeft geslagen en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en

- met dat vuurwapen/voorwerp zwaaiende bewegingen heeft gemaakt en

- dat vuurwapen/voorwerp op het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gericht en

- dat vuurwapen/voorwerp tegen de nek van [slachtoffer 2] heeft gehouden en

- dat vuurwapen/voorwerp heeft doorgeladen en

- heeft gezegd: 'ik schiet je dood, je gaat eraan'.

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan."

4.3. In de onderhavige omvangrijke zaak heeft het hof op puntige wijze een zogeheten Promis-arrest gewezen.(11) Het middel doelt op de navolgende vaststellingen van het hof onder de kop "door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden" in de bestreden uitspraak(12):

"Feit 1 (...)

- Blokland wordt gedwongen tot de afgifte van zijn horloge en zowel Blokland als zijn vrouw moeten een geldbedrag afgeven.

- De daders nemen de volgende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehorende goederen weg: een auto (merk Mercedes, type 500 S, kenteken [AA-00-BB]) en een mobiele telefoon alsmede een horloge en sieraden."

4.4.1. Uit 's hofs vaststellingen kan worden afgeleid dat de daders sieraden hebben weggenomen (zie gekwalificeerde diefstal, onder B), maar terecht heeft de steller van het middel aangevoerd dat daaruit niet kan volgen dat de slachtoffers gedwongen zijn tot de afgifte van de sieraden (zie afpersing, onder A). Ik meen dat het niet anders kan zijn dan dat het hof ten gevolge van een kennelijke vergissing de woorden "en sieraden" in de bewezenverklaring onder 1 primair, onder A, heeft laten staan, gelet op het volgende.

In de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1 en 2], ging het om dezelfde overval en heeft het hof bewezenverklaard dat sprake was van medeplichtigheid aan de overval. In die samenhangende zaken heeft het hof onder A slechts bewezenverklaard dat de slachtoffers zijn gedwongen tot de afgifte van een horloge en geldbedragen. De Hoge Raad zou de bewezenverklaring onder 1 primair, onder A, met verbetering van deze misslag kunnen lezen door daaruit de woorden "en sieraden" te schrappen. Door die verbeterde lezing worden de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet veranderd. Dit alles leidt tot de conclusie dat aan het middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

4.4.2. Het hof heeft de redengevend geachte feiten en omstandigheden genoegzaam weergegeven in zijn bewijsvoering en de bewijsmiddelen waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend zijn expliciet vermeld in bewijsoverwegingen. Voor zover het middel daarover beoogt te klagen mist het eveneens feitelijke grondslag.

4.5. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 1 primair, 6 en 8.

5.2. Het hof heeft ten aanzien van de feiten 1 primair, 6 en 8 - kort gezegd en in mijn woorden - bewezenverklaard dat de verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan afpersing c.q. diefstallen met geweld. Het hof heeft ten aanzien van die feiten telkens art. 43a Sr toegepast, te weten de recidive van de verdachte als strafverzwaringsgrond.

5.3. De bewezenverklaring van feit 1 primair is reeds door mij opgenomen onder 4.2. Ik volsta met de verwijzing daarnaar. De bewezenverklaringen van de feiten 6 en 8 luiden - met inbegrip van de gevorderde wijzigingen van de tenlastelegging - als volgt:

"6.

hij op 4 april 2006 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel gelegen aan de [b-straat 1] heeft weggenomen horloges (merken: Gant, Guess, Vendoux, Alfex, Rodania, Givenchy), toebehorende aan Juwelier '[A]', welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader - zakelijk weergegeven -

- een geweer, althans een op een geweer gelijkend voorwerp, aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft getoond en op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gericht en

- vitrines kapot heeft geschoten en/of geslagen,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan;

8.

hij op 6 mei 2006 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [c-straat 1] heeft weggenomen een autosleutel en een mobiele telefoon en een portemonnee en een handset van een huistelefoon en een laptop en een handtas, toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of een mededader - zakelijk weergegeven -

-een pistool, althans een op een pistool gelijkend voorwerp aan [slachtoffer 7] heeft getoond en

-een stroomstootwapen, althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp aan [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] heeft getoond en

-een geweer, althans een op een geweer gelijkend voorwerp aan [slachtoffer 6] heeft getoond en

-daarbij [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] heeft laten knielen met hun hoofden naar beneden,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan."

5.4. Het hof heeft vorenbedoelde feiten telkens gekwalificeerd als een afpersing c.q. diefstal met geweld met de toevoeging:

"terwijl tijdens het plegen van het misdrijf (door mij onderstreept; DA) nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan."

5.5. Het van belang zijnde artikel 43a Sr luidt:

"De op een misdrijf gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis kan, onverminderd artikel 10, met een derde worden verhoogd indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. De termijn van vijf jaren wordt verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen."

Artikel 43b Sr bepaalt welke misdrijven in elk geval als soortgelijk aan elkaar worden aangemerkt.

5.6. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, nu de passage: "tijdens het plegen van het misdrijf" niet ten laste is gelegd en ook niet bewezen is verklaard, ofschoon de kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten wel die woorden bevat. De feitelijke grondslag van de tenlastelegging is volgens de steller van het middel hierdoor wezenlijk veranderd.

5.7. Het middel berust mijns inziens op een onjuiste lezing van 's hofs bewezenverklaringen, waardoor het feitelijke grondslag mist. De bewezenverklaringen beginnen met een (uitgebreide) uiteenzetting van het betreffende door de verdachte gepleegde delict, gevolgd door de passage 'terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan'. Deze bewezenverklaringen houden dus kort samengevat in dat de verdachte de betreffende feiten heeft gepleegd, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert ... etc. In welk opzicht de in de kwalificatie opgenomen passage "terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen..." daarvan verschilt, kan ik echt niet inzien. De toevoeging in de kwalificatie van het onderdeel "tijdens het plegen van het misdrijf" vloeit rechtstreeks voort uit de bewezenverklaring. Anders dan de steller van het middel meent kan van grondslagverlating dus geen sprake zijn.

6.1. Het vierde middel richt zich ook tegen het onder 1 primair, 6 en 8 bewezenverklaarde. De bewezenverklaarde omstandigheid dat de feiten zijn gepleegd terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenschap wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde is gegaan, kan niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgen, zodat de bewezenverklaringen onvoldoende met redenen zijn omkleed, aldus wordt door het middel opgeworpen.

6.2. Recidive als - generieke - strafverzwaringsgrond op de voet van de artikelen 43a en 43b Sr is ingevoerd bij de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11. Die wet, waarbij de specifieke recidivebepalingen van de artikelen 421 - 423 Sr werden ingetrokken, is op 1 februari 2006 in werking getreden. Met de artikelen 43a en 43b Sr heeft de recidiveregeling een meer algemene reikwijdte gekregen.(13) De huidige regeling is ten opzichte van de bepalingen in de plaats waarvan zij is getreden bovendien vereenvoudigd.(14)

Onder de oude recidivebepalingen vormde herhaling van een misdrijf onder voorwaarden een strafverzwarende omstandigheid die door de rechter bij de strafoplegging als zodanig slechts in aanmerking mocht worden genomen indien zij aan de verdachte was tenlastegelegd en door middel van wettige bewijsmiddelen was bewezen.(15) Er is geen reden om aan te nemen dat zulks onder de vigerende regelgeving anders is.(16) Gelijk onder de oude recidiveregeling zal de bewezenverklaarde herhaling dus moeten worden gestaafd door één of meer wettige bewijsmiddelen.

Schriftelijke bescheiden zijn bewijsmiddelen indien zij zijn opgemaakt door ambtenaren, betreffende onderwerpen die behoren tot de onder hun beheer gestelde dienst en bestemd zijn om tot het bewijs van enig feit te dienen.(17) Een uittreksel uit het justitieel documentatieregister is een zodanig geschrift, en het heeft dus zelfstandige bewijskracht.(18)

6.3. Het hof heeft in zijn strafmotivering het volgende overwogen:

"Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2008 waaruit is gebleken dat hij vóór het begaan van de onderhavige feiten vaker onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor vermogens- en geweldsdelicten. Het hof stelt op grond van dit uittreksel vast dat de feiten 1, 6 en 8 zijn gepleegd terwijl nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde was gegaan."

6.4. Het middel klaagt niet over de rubricering van deze passage onder de strafmaatoverwegingen. Op zichzelf is die rubricering niet heel verbazingwekkend, aangezien zij inderdaad betrekking heeft op de hoogte van de op te leggen straf. Niettemin had het hof (ook) overwegingen dienen te wijden aan het bewijs van deze (telkens) tenlastegelegde en bewezenverklaarde omstandigheid, en waar anders dan onder het kopje "7. Door het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden" zou men die verwachten? Desondanks meen ik dat de rubricering niet doorslaggevend moet worden geacht. Indien een bewijsmiddel op toereikende wijze is weergegeven in een vonnis of arrest, vermindert de onjuiste rubricering hooguit de leesbaarheid van het geheel.

6.5. Het middel keert zich tegen de toereikendheid van deze strafmaatoverweging en poneert dat het niet als bewijsoverweging kan dienen, aangezien het hof louter de door het hof getrokken conclusie vermeldt, en niet de redengevende inhoud van het bewijsmiddel.

Het middel heeft wel een punt. Dat verdient enige toelichting.

6.6. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 15 mei 2007 (Promis-II)(19) onder meer het volgende overwogen:

"5.4.5. Mede gelet hierop moet het wettelijk stelsel aldus worden begrepen dat de motivering van de bewezenverklaring - behoudens indien sprake is van een bekennende verdachte - op zijn minst dient te bestaan uit de weergave in het vonnis van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring.

(...)

5.5.2. De werkwijze die het Hof in de onderhavige zaak ten aanzien van de bewijsmotivering heeft gevolgd, komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in een terstond uitgewerkt arrest zijn opgenomen in een bewijsredenering waarbij het Hof heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. In beginsel is die werkwijze niet in strijd met art. 359, derde lid, Sv.

Een dergelijke bewijsredenering kan de inzichtelijkheid van de door de rechter gevolgde gedachtegang bevorderen, terwijl niet wordt tekortgedaan aan een andere wezenlijke functie van de bewijsmotivering, namelijk dat de rechter op controleerbare wijze zich ervan vergewist dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, steunt op daartoe redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen.

(...)

5.6. Dat in die werkwijze de redengevende inhoud van een bewijsmiddel - zoals hetgeen een getuige heeft waargenomen of ondervonden, of hetgeen een opsporings-ambtenaar heeft gerelateerd omtrent zijn bevindingen - zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met genoemd motiveringsvoorschrift. Daarbij zal uiteraard de redengevend geachte inhoud van het bewijsmiddel geen geweld mogen worden aangedaan.

Wel zullen de redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen - geheel of ten dele van feitelijke aard - die de rechter aan die feiten en omstandigheden verbindt. Waar met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, is aan het wettelijk motiveringsvereiste niet voldaan. In dit verband moet ook worden benadrukt dat het bij deze werkwijze noodzakelijk is dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend, zo nauwkeurig is dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd."

6.7. Uit het voorgaande volgt dat binnen het bestek van bewijsmotiveringen onderscheid moet worden gemaakt tussen:

(1). de inhoud van een bewijsmiddel, voor zover deze bijdraagt tot het bewijs;

(2). de redengevende feiten en omstandigheden die de rechter ontleent aan de inhoud van een bewijsmiddel;

(3). de gevolgtrekking(en) die de rechter verbindt aan die redengevende feiten en omstandigheden.

Het eerste, de inhoud van het bewijsmiddel, behelst de nauwkeurige aanhaling van het relevante deel van bewijsmiddelen. Dergelijke citaten treft men veelal aan in de opsomming van bewijsmiddelen waarmee een verkort arrest wordt aangevuld.

De redengevende feiten en omstandigheden betreffen de feiten en omstandigheden die door de bewijsmiddelen vaststaan en waaruit de rechter het bewijs van het tenlastegelegde afleidt. De weergave van een en ander neemt veelal de vorm aan van zakelijke samenvattingen van de inhoud van bewijsmiddelen. Zij behoort thuis in bewijsoverwegingen zoals die kunnen worden aangetroffen in Promis-uitspraken alsook in goed gemotiveerde arresten die zijn geschoeid op klassieke leest.

De afleiding van het bewijs wordt gevormd door de bewijsredeneringen die voortbouwen op de hiervoor bedoelde vaststellingen. Het zijn bewijsoverwegingen omtrent hetgeen naar het oordeel van de rechter blijkt uit verklaringen, deskundigenrapporten en processen-verbaal van bevindingen, etc.(20)

6.8. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Een proces-verbaal van bevindingen houdt in: "wij verbalisanten hebben de verdachte op dag x onderworpen aan een insluitingsfouillering. Bij die gelegenheid troffen wij in de binnenzak van de verdachte een strippenkaart aan. (...). Deze kaart is onderzocht en bleek te zijn afgestempeld op de vorige dag. Het in de stempel vermelde nummer correspondeert met dat van het NS-station Y."

Het redengevende feit zou dan als volgt kunnen worden geformuleerd: "Het hof stelt vast dat bij de verdachte in zijn binnenzak een strippenkaart is aangetroffen die op NS-station Y was afgestempeld op de dag voorafgaand aan x."

In samenhang met andere vaststellingen zou het rechterlijke bewijsoordeel kunnen luiden: "De verdachte was op de dag voorafgaand aan x op NS-station Y."

Of deze conclusie verantwoord kan worden getrokken is thans niet aan de orde.

6.9. Van het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 25 september 2008, dat vatbaar is om als wettig bewijsmiddel te dienen, zou de inhoud voor zover relevant als volgt kunnen worden weergegeven:

"Datum beslissing 28 april 2005 Meervoudige strafkamer Dordrecht

Feit 1art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Kwalificatiepoging tot zware mishandeling

Pleegdatum15 januari 2005

StatusOnherroepelijk 13 mei 2005

Beslissing t.a.v. feit 110 Maanden Gevangenisstraf"

De redengevende omstandigheid zou dan kunnen luiden: "De verdachte is op 28 april 2005 door de rechtbank te Dordrecht wegens poging tot zware mishandeling veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden. Deze straf is sedert 13 mei 2005 onherroepelijk."

Op gelijke wijze kan melding worden gemaakt van de veroordeling van 29 maart 2002 door het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij de verdachte wegens diefstal met geweld is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Deze veroordeling is sinds 13 april 2002 onherroepelijk.

De gevolgtrekking die hieraan kan worden verbonden is dat de verdachte de feiten 1, 6 en 8 heeft gepleegd terwijl nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een geweldsfeit in kracht van gewijsde was gegaan.

Dat laatste is precies wat het hof heeft gedaan, dus zonder vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden. Het middel is in zoverre gegrond.

6.10. Waar het in de kern echter om gaat is dat de feitenrechter inzicht geeft in zijn gedachtegang, dat de bron van het bewijs door de cassatierechter langs eenvoudige weg kan worden gevonden door ondubbelzinnige verwijzingen naar vindplaatsen in het dossier en dat 's hofs redeneerstappen nauwkeurig zijn te volgen, een en ander opdat door de cassatierechter kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, en of de door de feitenrechter gegeven samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt, dan wel of het bewijsmiddel niet is gedenatureerd. Daartoe dienen in het huidige tijdsgewricht de vensters die de Hoge Raad in de papieren muur heeft aangebracht.

Aan deze notie wordt niet tekort gedaan door - net als ik - een blik te werpen op het uittreksel uit het documentatieregister van 25 september 2008, waarnaar het hof met juistheid heeft verwezen. Daaruit blijkt langs eenvoudige weg dat het hof een juiste conclusie heeft getrokken over de recidive van de verdachte. Deze conclusie zal na verwijzing na cassatie beslist niet anders luiden. Het middel mist dus belang.

6.11. 's Hofs gevolgtrekking leunt bovendien zo dicht op het brondocument dat zij eventueel zelfs kan worden verstaan als de opgave, zij het in minder gelukkige bewoordingen, van een redengevende omstandigheid.

6.12. Overigens kan ik ook om een andere reden niet inzien welk rechtens te respecteren belang met het middel is gemoeid, aangezien de opgelegde straf ook zonder toepassing van de recidiveregeling, sterker nog ook zonder toepassing van de samenloopbepalingen is gebleven binnen het maximum aan vrijheidsstraf dat kan worden opgelegd voor enkel al het onder 1 bewezenverklaarde, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

6.4. Het middel kan m.i. niet tot cassatie leiden.

7. De eerste middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende korte motivering.

8. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's Gravenhage, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In de zaken tegen de medeverdachten, met griffienummer 09/00478 ([medeverdachte 1]) en 08/05150 ([medeverdachte 2]) concludeer ik heden eveneens.

2 Zie de memorie van toelichting bij de Wet van 8 november 1993, Stb. 591, Tweede Kamer, vergaderjaar 1991 - 1992, 22 584, nr. 3, p. 19 (bij artikel 273 Sv (oud)).

3 Vgl. HR 4 april 2000, LJN AA5346, NJ 2000, 633, en HR 9 juli 2002, LJN AE1332, NJ 2002, 498.

4 Zie ook de dissertatie van Van de Pol, Openbaar terecht, 1986, alsmede Brants en Van Lent in Melai-Groenhuijsen, Het wetboek van strafvordering, artikel 269 Sv.

5 Zie ook artikel 272, lid 1 Sv.

6 HR 9 oktober 2001, LJN AB3318, NJ 2001, 658. Ik begrijp dit oordeel aldus, dat het bevel tot ontruiming een niet cassabele handeling van de voorzitter betreft, en geen beslissing van de rechter (de rechtbank of het hof) die over de strafzaak heeft geoordeeld. Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 11 en 12.

7 Vgl. wederom HR 4 april 2000, LJN AA5346, NJ 2000, 633, en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis.

8 Zie Brants en Van Lent in Melai-Groenhuijsen, Het wetboek van strafvordering, artikel 269 Sv, aant. 7.

9 Brants en Van Lent in Melai-Groenhuijsen, Het wetboek van strafvordering, artikel 269 Sv, aant. 7.6.

10 Ik spreek hier over een "deel" van het publiek, aangezien zich blijkens het proces-verbaal onder het publiek ook slachtoffers, politieambtenaren en de juridisch medewerkster van de advocaat-generaal bevonden. Ik neem aan dat zij zich tijdens het verhoor van de getuige [getuige 2] betamelijk hebben gedragen, aangezien hun na sluiting der deuren door het hof bijzondere toegang is verleend.

11 Zie o.a. HR 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007, 387 m. nt. YB.

12 Hierbij zijn de door het hof opgenomen voetnoten met vindplaatsen niet door mij opgenomen.

13 Ik laat het internationaal georiënteerde artikel 43c Sr hier buiten beschouwing.

14 Zie de conclusie van AG Bleichrodt vóór HR 15 april 2008, LJN BC9408, rov. 4.4.

15 Vgl. bijv. HR 21 januari 2003, LJN AF0736, NJ 2003, 186 (ten aanzien van de recidiveregeling van artikel 426, lid 2 Sr); HR 5 februari 2002, LJN AD6981, NJ 2002, 126, en HR 12 september 2006, LJN AX7957, NJ 2006, 511 (een Antilliaanse zaak met ook voor het Nederlandse recht toepasselijke overwegingen). Zie ook Van Woensel in Cleiren & Nijboer, T&Cr Sr, 4e druk, Boek II, Titel XXXI, Inl. opm., aant. 9.

16 Vgl. CAG Knigge voor HR 15 september 2009, LJN BJ3706, welke uitspraak betrekking heeft op de vigerende regelgeving; HR: 81 RO. Zie voorts de grotendeels aan Van Woensel (voorgaande voetnoot) ontleende tekst van Schuyt in Cleiren & Nijboer, T&Cr Sr., 7e druk, art. 43a Sr, aant. 7, waaruit ik opmaak dat ook hij in dit opzicht geen verandering bespeurt.

17 Art. 344, lid 1, sub 3 Sv.

18 Vgl. de al genoemde CAG Knigge voor HR 15 september 2009, LJN BJ3706. Voorts CAG Wortel voor HR 12 september 2006, LJN AX7957, NJ 2006, 511.

19 BA0424, NJ 2007, 387, m.nt. Buruma, en BA0425, NJ 2007, 388.

20 Graag wil ik voor meer diepgang verwijzen naar de voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet van PG Fokkens, die aanleiding was voor de Promis II-arresten.