Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK5582

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
08/02222
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK5582
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Motivering toewijzing vordering tenuitvoerlegging. Het Hof heeft de vordering tul gemotiveerd door vast te stellen dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Aldus heeft het Hof zijn beslissing voorzien van de in art. 14j.1 Sr vereiste motivering. Tot een nadere motivering was het Hof, ook gelet op hetgeen t.a.v. de vordering tul is aangevoerd, niet gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 239
NJ 2010, 76
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02222

Mr. Vegter

Zitting: 1 december 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met brandstichting,meermalen gepleegd" en 2. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en 28 uur taakstraf, in de vorm van een leerstraf, subsidiair 14 dagen hechtenis. Het Hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toegewezen en een daarmee corresponderende betalingsverplichting aan de Staat opgelegd. Daarnaast heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 november 2005 onder parketnummer 21-001403-04 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

2. Namens de verdachte heeft mr. C.J. van Woerden, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof de vordering van het openbaar ministerie ex art. 14g Sr heeft toegewezen en de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gelast zonder in te gaan op een ter zake gevoerd verweer.

4. Het Hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging het volgende overwogen:

"Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 november 2005 onder parketnummer 21-001403-04 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten."

5. Rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het Openbaar Ministerie dienen ingevolge het eerste lid van art. 14j Sr met redenen te zijn omkleed. Een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf moet derhalve onder opgave van redenen geschieden. Het Hof heeft de reden voor het bevel gegeven door vast te stellen dat er in de proeftijd een nieuw strafbaar feit is gepleegd. Naast deze algemene motiveringsverplichting bestaan er bij het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf geen bijzondere motiveringsvoorschriften. De artikelen 358, derde lid, en 359, tweede lid, Sv zijn niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De wet verplicht daarmee de rechter dus niet in te gaan op een voorstel een andere straf(modaliteit) toe te passen.(1)

6. Het middel faalt.

7. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie overschreden dreigt te worden. Mocht dit het geval zijn dan kan de Hoge Raad zelf de opgelegde straf verminderen in de mate die hem goeddunkt.

8. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep, en in geval de redelijke termijn in cassatie overschreden wordt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en tot strafvermindering in de mate die de Hoge Raad goeddunkt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie ook F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde, Deventer 1996, p. 162.