Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK5013

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
09/01904
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2009:BH9134
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK5013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen arrest pachtkamer Gerechtshof Arnhem; cassatieverbod art. 134 Pachtwet. Geen doorbreking van dit cassatieverbod o.g.v. stelling dat pachtrechter pachtrechtelijke bepaling(en) ten onrechte al dan niet heeft toegepast.

Wetsverwijzingen
Pachtwet 134, geldigheid: 2010-01-29
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 223, geldigheid: 2010-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2010/28 met annotatie van mr. F.J.H. Hovens
RvdW 2010, 215
NJ 2011/501 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
Module Pacht en landelijk gebied 2010/59
JWB 2010/26

Conclusie

Zaaknr. 09/01904

Mr. Huydecoper

Zitting van 27 november 2009

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. De verweerder in cassatie, [verweerder], had sedert 2003 zes hectare weiland inclusief de daarop gebouwde ligboxenstal van de gemeente Lingewaard om niet in gebruik.

In het najaar van 2005 was de eiser tot cassatie, [eiser], (dringend) op zoek naar winterstalling voor zijn vee. Hij nam contact op met de gemeente, die hem naar [verweerder] verwees. [Eiser] heeft [verweerder] gevraagd of hij tijdelijk van de ligboxenstal gebruik mocht maken. [verweerder] ging akkoord. Hij kwam met [eiser] overeen dat deze tot 1 mei 2006 zijn vee in de ligboxenstal mocht stallen tegen een maandelijkse vergoeding van € 100,-.

2. Na juni 2006 is overleg gevoerd over voortzetting van het gebruik van de stal door [eiser]. In september 2006 heeft een delegatie van de gemeente de stal bezocht. De gemeente wilde daarop de stal aan een plaatselijke vereniging ter beschikking te stellen. Zij heeft de gebruiksovereenkomst met [verweerder] opgezegd tegen 1 februari 2007.

3. Het gaat in dit cassatiegeding om twee procedures, die beide zijn begonnen vóór 1 september 2007. In de eerste daarvan heeft [eiser] tegen [verweerder] voor de pachtkamer van het kantongerecht te Nijmegen gevorderd de schriftelijke vastlegging, bij vonnis, van een volgens hem tussen partijen bestaande pachtovereenkomst, met bepaling van de pachtprijs (op € 100,- per maand).

De tweede zaak is aangevangen als kort geding. Daarin vorderde [verweerder] tegen [eiser] een verbod van gebruik van de stal en een bevel tot ontruiming.

4. Bij een comparitie in de eerste aanleg waarin beide zaken aan de orde waren, hebben de partijen toegestemd in het behandelen van de kort geding-vordering van [verweerder] als een incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen op de voet van art. 223 Rv. Vervolgens heeft de kantonrechter in het aldus "ingeleide" incident de vorderingen van [verweerder] grotendeels toegewezen. Bij een later vonnis heeft de kantonrechter in de hoofdzaak de vordering van [eiser] afgewezen.

5. In de ten overstaan van de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem gevoerde procedure in hoger beroep heeft het hof in beide zaken gelijktijdig arrest gewezen. Daarbij werden de beslissingen van de kantonrechter bekrachtigd.

6. Namens [eiser] is tijdig(2) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Van de kant van [verweerder] is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, subsidiair verwerping. Zijdens [eiser] is bij nadere conclusie het beroep op niet-ontvankelijkheid tegengesproken. Daarna is arrest gevraagd in het ontvankelijkheidsincident (terwijl in afwachting van de beslissing daarop, de schriftelijke toelichtingen in de procedure ten gronde zijn aangehouden). Deze conclusie betreft daarom alleen het beroep op niet-ontvankelijkheid.

Bespreking van het ontvankelijkheidsverweer

7. De hoofdprocedure waarin, overeenkomstig de in alinea 4 hiervóór genoemde afspraak van partijen, het aanvankelijke kort geding als incident is aangemerkt, betreft een vordering op de voet van art. 11 van de "oude" Pachtwet.

Art. 134 van die wet sloot cassatieberoep tegen de beslissingen van de Pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem uitdrukkelijk uit.

In twee arresten van de Hoge Raad(3) is het overgangsrecht betreffende de wet van 26 april 2007, S. 163 (waarbij de "oude" Pachtwet werd afgeschaft en titel 5 van Boek 7 BW daarvoor in de plaats trad) zo uitgelegd, dat voor vóór 1 september 2007 aangevangen procedures de zojuist aangehaalde regel uit de "oude" Pachtwet blijft gelden; zodat beroep in cassatie in die zaken uitgesloten is. De partijen in deze zaak zijn het erover eens dat de uit deze rechtspraak blijkende regels ook op de onderhavige zaak van toepassing zijn, behoudens het navolgende.

8. Van de kant van [eiser] wordt een beroep gedaan op de zogenaamde "doorbrekingsjurisprudentie" van de Hoge Raad. Daarmee doelt men op rechtspraak naar aanleiding van verschillende wetsbepalingen die appel en cassatieberoep ten aanzien van bepaalde categorieën van beslissingen uitsluiten; en waarin is aangenomen dat het desbetreffende "rechtsmiddelenverbod" niet geldt (en dus wordt "doorbroken" - vandaar de aanduiding "doorbrekingsrechtspraak"), voor zover er wordt aangevoerd dat de rechter de desbetreffende regeling (waarop de aan appel en cassatie onttrokken beslissing diende te berusten) ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel ten onrechte de toepasselijkheid daarvan heeft aangenomen(4).

9. Ik stel voorop dat in HR 19 april 1996, RvdW 1996, 92, rov. 3 is geoordeeld dat cassatieberoep in pachtzaken ingevolge art. 134 Pachtwet niet mogelijk was, niettegenstaande het feit dat de eiser in cassatie zich toen beriep op - onder andere - schending van fundamentele beginselen van procesrecht. Waar de wet een bepaalde rechtsgang niet biedt, kan (ook) een beroep op schending van rechten niet meebrengen dat die rechtsgang tóch beschikbaar komt - zo is, "in mijn woorden", de strekking van deze beslissing.

Ik zou denken dat daarmee ook een beroep op de "doorbrekingsleer" buiten de deur is gezet (al wordt in het aangehaalde arrest niet specifiek naar die leer verwezen)(5).

En al zou men aan dit arrest niet de betekenis mogen toekennen die ik er zojuist aan heb toegekend, dan zijn er ook overigens klemmende redenen die tot dezelfde uitkomst voeren. Ik licht dat nader toe:

10. Voor de (verdere) beoordeling van het onderhavige meningsverschil is allicht in de eerste plaats van belang wat er van het Arnhemse hof werd gevraagd, en wat dat hof daarover heeft geoordeeld.

Wat de vraag betreft: daarbij ging het er vooral om of gevolg moest worden gegeven aan de vordering van [eiser] die strekte tot vastlegging, op de voet van art. 11 Pachtwet, van de van zijn zijde aangevoerde pachtovereenkomst. Het oordeel over de zaak in het incident werd door de partijen, en kennelijk ook door het hof, aangemerkt als sequeel van het oordeel over de vordering ten gronde.

11. Van het oordeel van het hof zijn vooral de rov. 5.6 - 5.12 van belang. Zeer kort samengevat komen deze erop neer dat, ook als men van het bestaan van een pachtovereenkomst uitgaat (waarvoor het hof belangrijke aanwijzingen aanwezig oordeelt), de bijzonderheden van dit geval meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] de regels van het pachtrecht in zijn voordeel inroept; en dat om dezelfde reden zijn vordering als misbruik van procesrecht moet worden aangemerkt.

Van de bijzonderheden die het hof op het oog heeft vermeld ik dat [verweerder] [eiser] in een noodsituatie (aan [eiser]' zijde) en onder druk van de gemeente hulp heeft geboden in de vorm van een gebruiksrecht tegen een verhoudingsgewijs (zeer) geringe tegenprestatie; en dat de vordering van [eiser] vooral zou beogen, de gemeente onder druk te zetten(6).

12. Inhoudelijk gaat het er dus om dat het hof heeft geoordeeld dat de door [eiser] op grond van de Pachtwet ingestelde vordering niet toewijsbaar is omdat aan [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op het dwingendrechtelijke pachtrecht toekomt.

Van de kant van [verweerder] wordt verdedigd dat het hof met dit oordeel toepassing heeft gegeven aan de regels van pachtrecht waarover het onder de "oude" Pachtwet in hoogste instantie had te oordelen. Namens [eiser] wordt verdedigd dat dit oordeel moet worden aangemerkt als - of op één lijn moet worden gesteld met - het buiten toepassing laten van de zijdens [eiser] ingeroepen regels van dwingend recht, en daarmee als een oordeel dat buiten het bereik van het "rechtsmiddelverbod" valt.

13. In Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. 315, stellen de schrijvers vast dat de betekenis van een "rechtsmiddelverbod" wordt bepaald door (uitleg van) het object van het verbod. Dat lijkt mij een juiste premisse(7).

In dat verband lijkt mij van belang dat er de nodige "rechtsmiddelverboden" bestaan die zien op wettelijke regelingen met een beperkt toepassingsbereik. Voorbeelden die tot veel rechtspraak aanleiding hebben gegeven leveren de bepalingen die thans zijn neergelegd in art. 7:230A BW en art. 7:685 BW. De eerstgenoemde bepaling biedt een beperkt opgezette regeling waaraan de huurder van gebouwd onroerend goed dat niet als woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van de art. 7:232 BW of 7:290 BW kan gelden, een aan het "Ermessen" van de rechter overgelaten aanspraak kan ontlenen op een beperkte verlenging van de hem rechtens toekomende "ontruimingsbescherming". De tweede bepaling regelt de bevoegdheid van de kantonrechter om te oordelen over de ontbinding van een arbeidsovereenkomst wegens dringende dan wel gewichtige redenen en over de in verband daarmee aan de andere partij toe te kennen vergoeding-naar-billijkheid.

14. De grens van de met deze bepalingen verbonden rechtsmiddelverboden wordt, denk ik, helder weergegeven in de formulering die ik aan HR 12 maart 1982, NJ 1983, 181 m.nt. PAS, rov. 3 ontleen:

"Van beschikkingen op verzoekschrift staat hoger beroep en cassatie open, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Indien de wet geen hogere voorziening van een beschikking krachtens een bepaald wetsartikel toelaat teneinde - zoals hier - iedere discussie uit te sluiten over de wijze waarop de rechter van zijn aan dat artikel ontleende bevoegdheden heeft gebruik gemaakt, brengt dit nog niet mee dat hogere voorziening evenmin is toegelaten voor zover erover wordt geklaagd dat het artikel ten onrechte is toegepast dan wel ten onrechte buiten toepassing is gelaten."

15. Uit de zojuist aangehaalde overweging(8) spreekt een duidelijke en wat mij betreft ook toe te juichen gedachte: regelingen zoals die van (de voorganger van) art. 7:685 BW, waarover het in die overweging gaat, strekken ertoe de rechter op een beperkt terrein een bijzondere beslissingsbevoegdheid toe te kennen, gekoppeld aan een rechtsmiddelverbod. Het ligt dan in de rede om het rechtsmiddelverbod dienovereenkomstig beperkt uit te leggen: alleen wat het directe voorwerp van de beslissingsbevoegdheid in kwestie vormt valt daaronder, en andere strijdvragen, ook al komen die in een geschil in het kader van de desbetreffende regeling aan de orde, vallen daarbuiten.

16. Van belang lijkt mij hierbij nog dat regelingen als die van art. 7:230A BW en art. 7:685 BW minstens voor een deel berusten op de gedachte (die overigens in feitelijk opzicht voor betwisting vatbaar is) dat het hier om relatief eenvoudige geschillen van een verhoudingsgewijs beperkte omvang en een verhoudingsgewijs beperkt belang gaat - mede daarom is een navenant eenvoudige rechtsgang en de beperking tot één instantie als gerechtvaardigd beoordeeld(9).

17. De regeling van de rechtsbescherming onder de "oude" Pachtwet was in de zojuist aangehaalde opzichten wezenlijk anders. De Pachtwet bepaalde in de art. 128 en 129 (in termen die sterk doen denken aan die van art. 39 RO (oud)(10)) dat alle zaken betrekkelijk tot een pachtovereenkomst vielen binnen de bevoegdheid van de pachtkamers (en in appel, krachtens art. 132 Pachtwet, binnen de bevoegdheid van de pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem).

Die regeling(en) strekte(n) er niet toe voor een beperkt gebied een vereenvoudigde rechtsgang aan te wijzen, maar om de gehele materie van pacht bij een gespecialiseerde rechter van eerste aanleg en rechter in hoger beroep "onder te brengen".

18. Bij die opzet past niet een restrictieve uitleg van de hier gegeven bevoegdheidsregelingen, zoals die in de in alinea's 13 - 16 hiervóór besproken gevallen wél passend is.

Het is dan ook niet aan redelijke twijfel onderhevig dat een kwestie zoals de in deze zaak door de kantonrechter en door het hof besliste - een verweer tegen een met een beroep op pachtrechten ingestelde vordering(11), dat ertoe strekte dat in de gegeven omstandigheden het inroepen van de bescherming van pachtrechtelijke regels naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was - binnen de bevoegdheid valt die de art. 128 e.v. Pachtwet voor de pachtrechtelijke instanties in het leven riepen. In deze zaak is ook niet beweerd dat dat niet het geval zou zijn - alle betrokkenen hebben geaccepteerd dat de beoordeling van deze vraag tot de bevoegdheid van de pachtrechtelijke rechters behoorde.

19. Bij de destijds geldende regeling van de rechtsbescherming in het pachtrecht berustte de in art. 134 Pachtwet voorziene uitsluiting van cassatie niet op de gedachte dat het hier een beperkte en eenvoudige rechtsgang zou betreffen waarbij het toelaten van rechtsmiddelen (althans: van cassatie) excessief zou zijn (zoals dat in de context van art. 7:230A BW en 7:685 BW, althans tot op zekere hoogte, wel het geval is). Hier werd cassatie uitgesloten omdat door de concentratie van appel bij één gespecialiseerde appelrechter, de bewaking van de rechtseenheid en ook de rechtsontwikkeling voldoende gewaarborgd werden geacht.

20. Om die (verschillende) redenen zie ik in het kader van het "oude" pachtrecht geen reden om aan te nemen dat er vragen waren die ingevolge art. 128 e.v. Pachtwet wél aan de pachtrechter konden (en moesten) worden voorgelegd, maar die toch, met toepassing van het leerstuk van de "doorbreking", voor de beoordeling of cassatieberoep misschien (toch) toelaatbaar was, konden worden aangemerkt als vallend buiten het toepassingsgebied van de aan de pachtrechter voorbehouden bijzondere jurisdictie. Wat tot de bevoegdheid van de pachtrechter viel te rekenen, viel "vol" binnen het toepassingsgebied van de hier gecreëerde rechtsbeschermingsregeling. Dat werd bijgevolg óók in zijn geheel betroffen door het cassatieverbod van art. 134 Pachtwet.

21. Ware dit anders dan zou, analoog aan wat bij de toepassing van (de voorganger van) art. 7:230A BW is aanvaard(12), de vraag of een bepaalde overeenkomst door het Gerechtshof te Arnhem terecht als pachtovereenkomst werd beoordeeld (of niet), onder het regime van art. 134 Pachtwet in weerwil van die bepaling aan de Hoge Raad voorgelegd hebben kunnen worden - zoals dat in de in voetnoot 12 aangehaalde huurzaken ook gebeurde. Dat dat maar al te duidelijk niet strookt(e) met de bedoelingen van de pachtrechtelijke regeling van de rechtsbescherming, vormt een nadere aanwijzing ten gunste van de gedachte die ik hiervóór heb verdedigd: de destijds geldende pachtrechtelijke regels lieten, in ieder geval als het gaat om de varianten: treden buiten het toepassingsgebied c.q. ten onrechte buiten toepassing laten, geen ruimte voor de "doorbrekingsleer" die voor andere beperkte rechtsgangen is ontwikkeld en aanvaard(13). Bij een zo wezenlijk anders vormgegeven rechtsbeschermingsregeling als die die hier ter beoordeling staat, komt toepassing van dit leerstuk - in elk geval: in zoverre - niet in aanmerking.

Conclusie

Ik concludeer dat de eisende partij in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan het vonnis in eerste aanleg en het bestreden arrest. Het arrest is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Agrarisch Recht nr. 7/8, augustus 2009, m.nt. Harbers.

2 Het in cassatie bestreden arrest is van 10 maart 2009. De cassatiedagvaarding is op 11 mei 2009 uitgebracht. Als in deze zaak cassatie mogelijk zou zijn - de vraag die verderop in deze conclusie wordt behandeld - zou de cassatietermijn op grond van art. 402 lid 2 jo. art. 1019o lid 2 Rv. twee maanden zijn. Ik ga er daarbij van uit dat het ingevolge partijafspraak tot incident omgevormde kort geding sedert die afspraak geheel naar de regels voor incidentele vorderingen moet worden beoordeeld, en niet naar de regels voor vorderingen in kort geding. Aangezien 10 mei 2009 een zondag was kon de dagvaarding - op de voet van art. 1 lid 1 van de Algemene Termijnenwet - nog op 11 mei worden uitgebracht.

3 HR 11 september 2009, RvdW 2009, 1012, rov. 3.1; HR 19 december 2008, NJ 2009, 22, rov. 3.2.

4 Er bestaan nog andere "doorbrekingsgronden". Die worden echter in deze zaak niet aangevoerd. Ik laat ze daarom buiten beschouwing. Zie voor een heldere samenvatting van de "doorbrekingsjurisprudentie" Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-Van Gent 4, 2009, nrs. 24 - 26.

5 Zie ook alinea 2.1 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent voor HR 25 september 2009, RvdW 2009, 1096.

6 Ik neem aan dat het hof voor dit oordeel steun heeft gezocht in de rechtspraak waarin in (min of meer) vergelijkbare omstandigheden een beroep op "huurbescherming" dan wel op dwingendrechtelijk huurrecht overigens, als onaanvaardbaar is aangemerkt. Een overzicht van deze rechtspraak (tot dan toe) biedt de noot van Bloembergen bij HR 26 november 1976, NJ 1978, 54. Een opmerkelijke illustratie van na die datum levert HR 13 november 1987, NJ 1988, 254 m.nt. PAS, rov. 3.3.

7 Zie ook alinea 2.7 van de conclusie van A - G Langemeijer voor HR 14 juli 2000, NJ 2000, 715 m.nt. PAS; Hovens, Civiel appel, 2007, p. 45.

8 In dezelfde zin wordt overwogen in HR 17 mei 1974, NJ 1975, 238, "O. ten aanzien van de eerste grond".

9 Zie T&C Burgerlijk Wetboek boeken 6, 7 en 8, Luttmer-Kat, 2009, art. 7:685, aant. 1 en 11 en, opnieuw, HR 17 mei 1974, NJ 1975, 238, "O. ten aanzien van de eerste grond".

10 De bepaling is dan ook aan het genoemde artikel ontleend, zie Pachtwet (losbl.), Houwing/Heisterkamp, art. 128, nr. 652.

11 Aangenomen pleegt te worden dat de bevoegdheid van de pachtrechtelijke instanties ziet op vorderingen die strekken tot het geldend maken van een recht uit een pachtovereenkomst (met inbegrip van vorderingen tot vernietiging, en vorderingen in verband met de nasleep van geëindigde pachtovereenkomsten), zie Pachtwet (losbl.), Houwing/Heisterkamp, art. 128, nrs. 652 en 653.

12 Opnieuw: HR 17 mei 1974, NJ 1975, 238, "O. ten aanzien van de eerste grond". Zie voor een recent(er) praktijkgeval HR 23 september 2005, NJ 2006, 101.

13 Of er wel ruimte bestond voor "doorbreking" wanneer werd aangevoerd dat het Arnhemse hof fundamentele beginselen van een eerlijk proces had geschonden kan in het midden blijven. Er is immers in deze zaak geen beroep op een "doorbrekingsgrond" van deze strekking gedaan. Het in alinea 9 hiervóór aangehaalde arrest suggereert overigens (zoals daar al werd opgemerkt) dat ook hier geen uitzondering mag worden aangenomen.