Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK4930

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
08/02543
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4322
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK4930
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geoorloofde wijziging systematiek van heffing van vastrecht voor levering van drinkwater door monopolist die het vastrecht bij centraal bemeterde wooncomplexen niet langer heft per centrale aansluiting, maar per verbruiksadres? (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 191
JWB 2010/16
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/02543

mr. Keus

Zitting 27 november 2009

Conclusie inzake:

1. Stichting Stadswonen

2. Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam

3. Stichting Laurens Wonen (voorheen genaamd Stichting Maasanker(1))

(hierna afzonderlijk aan te duiden als Stadswonen, SOR en Laurens, en gezamenlijk als Stadswonen c.s.)

eiseressen tot cassatie

tegen

Evides N.V.

(hierna: Evides)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om een wijziging van de tariefstructuur van Evides met ingang van 1 januari 2003, waardoor van centraal bemeterde wooncomplexen vastrecht niet meer per centrale aansluiting, maar per verbruiksadres (lees: GBA-adres) wordt geheven.

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 Stadswonen c.s., alle instellingen krachtens de Woningwet, zijn met name belast met de verhuur van woonruimte aan diegenen die vanwege financiële en/of persoonlijke omstandigheden daarvoor zelf niet kunnen zorgdragen. Stadswonen richt zich daarbij met name op studentenhuisvesting, en SOR en Laurens op ouderenhuisvesting.

1.2 Evides is in 2004 uit een juridische fusie van N.V. Waterbedrijf Europoort en Delta Water Bedrijf B.V. ontstaan. Evides is belast met de productie, de levering en het transport van drinkwater voor huishoudelijk gebruik in een groot gebied in Zuid-Holland, waaronder de gemeente Rotterdam(3). Voor het transport van het drinkwater maakt Evides gebruik van een door haar in stand gehouden leidingennet.

1.3 Stadswonen c.s. zijn eigenaressen van (onder meer) verscheidene in Rotterdam gelegen complexen, die in woningen dan wel (onzelfstandige) wooneenheden zijn onderverdeeld. Een groot aantal van deze complexen is via een centrale aansluiting op het waterleidingnet aangesloten. Op die aansluiting bevindt zich de meetinrichting (centrale meter) die de afgenomen hoeveelheid water voor het gehele gebouw registreert. De bedoelde complexen zullen hierna als centraal bemeterde complexen worden aangeduid. Daarnaast zijn er ook zogenaamde individueel bemeterde complexen, waarbij de woningen dan wel wooneenheden ieder over een eigen watermeter beschikken.

De waterlevering aan de centraal bemeterde complexen geschiedt aan de woningcorporatie die eigenaar van het betreffende complex is. Het water wordt vervolgens door een intern leidingennet naar de huurders gedistribueerd. Dit leidingennet (de binneninstallatie) en het transport dat met gebruikmaking daarvan plaatsvindt, behoren tot de verantwoordelijkheid van de eigenaren van de complexen, in casu Stadswonen c.s..

De kosten van de waterlevering aan de centraal bemeterde complexen worden door Evides aan Stadswonen c.s. in rekening gebracht. Stadswonen c.s. berekenen vervolgens de kosten van de waterlevering via een omslagstelsel aan de individuele huurders door.

1.4 In verband met voormelde waterlevering aan de centraal bemeterde complexen zijn per complex tussen de betreffende corporatie en Evides overeenkomsten tot levering van drinkwater ten behoeve van het huishoudelijk verbruik door de bewoners van de woningen in deze complexen gesloten. Op deze overeenkomsten zijn de "Algemene Voorwaarden voor de levering van drinkwater door de N.V. Waterbedrijf Europoort" (hierna: de Algemene Voorwaarden) van toepassing.

1.5 Vanaf het sluiten van de overeenkomsten tussen Stadswonen c.s. en Evides tot 1 januari 2003 heeft Evides een vastrecht geheven per centrale aansluiting. Met ingang van 1 januari 2003 heeft Evides voor de berekening van vastrecht inzake de waterlevering aan centraal bemeterde complexen de systematiek van de heffing van dit recht in die zin gewijzigd dat het vastrecht vanaf genoemde datum niet langer per centrale aansluiting maar per afzonderlijk "verbruiksadres" (lees: GBA-adres(4)) wordt geheven.

1.6 In de Algemene Voorwaarden, zoals deze per 1 januari 2003 (tot 1 januari 2005 toen zij opnieuw werden gewijzigd) luidden, is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

"ARTIKEL 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN TOEPASSELIJKHEID

1. In deze algemene voorwaarden wordt verstaan onder:

bedrijf: N.V. Waterbedrijf Europoort gevestigd te Rotterdam;

(...)

verbruiker: degene die drinkwater van het bedrijf betrekt en/of de beschikking heeft over een aansluiting;

perceel: elke roerende of onroerende zaak, gedeelte of samenstel daarvan, ten behoeve waarvan een aansluiting tot stand is gekomen of zal komen, dan wel levering van drinkwater geschiedt of zal geschieden, een en ander ter beoordeling van het bedrijf.

(...)

ARTIKEL 14 TARIEVEN

1. Voor het tot stand brengen, in stand houden, uitbreiden of wijzigen van een aansluiting, voor de levering en voor overige voorzieningen zijn de aanvrager en de verbruiker bedragen verschuldigd volgens de tarievenregeling van het bedrijf.

(...)

ARTIKEL 24 WIJZIGINGEN VAN DEZE ALGEMENE VOORWAARDEN

1. Deze algemene voorwaarden en de op grond daarvan van toepassing zijnde voorschriften en regelingen kunnen door het bedrijf worden gewijzigd."

(...)"

1.7 In de art. 3 en 10 van de Tarievenregeling voor de levering van drinkwater (hierna: de Tarievenregeling), zoals deze per 1 januari 2003 luidt, is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

"ARTIKEL 3 TARIEVEN VOOR LEVERING VAN DRINKWATER

ARTIKEL 3.1 (...)

1. De prijs van het drinkwater voor huishoudelijk verbruik bedraagt € 62,88 per perceel per jaar als vastrecht (...).

2. (...)

3. Indien de bepaling van de omvang van de levering voor huishoudelijk verbruik en voor zakelijk- of gemengd verbruik (...) per verbruiksadres geschiedt door middel van een gezamenlijke c.q. centrale meetinrichting, dan wordt het in lid 1 van dit artikel genoemde vastrecht per verbruiksadres berekend en bij de eigenaar/beheerder van het gezamenlijk bewoonde c.q. gebruikte perceel in rekening gebracht,(...).

ARTIKEL 10 WIJZIGING VAN DE TARIEVENREGELING VAN HET BEDRIJF

1. Deze Tarievenregeling kan door het bedrijf worden gewijzigd.

2. Het gestelde in artikel 24 van de Algemene Voorwaarden van het bedrijf is op deze wijzigingen van toepassing."

1.8 In de vóór 1 januari 2003 geldende Algemene Voorwaarden golden dezelfde definities van bedrijf, verbruiker en perceel. Art. 3.1 lid 1 van de Tarievenregeling was, afgezien van de genoemde bedragen, vóór 1 januari 2003 gelijkluidend aan de hierboven weergegeven bepaling. Art. 3.1 lid 3 van de Tarievenregeling kwam in de vóór 1 januari 2003 geldende versie van de Tarievenregeling niet voor. Art. 10 van de Tarievenregeling was in die vorige versie van de Tarievenregeling als art. 11 genummerd.

1.9 De hiervóór (onder 1.5) bedoelde wijziging in de systematiek van heffing van het vastrecht is in het Algemeen Dagblad van 29 november 2002 gepubliceerd.

1.10 Als gevolg van voormeld wijzigingsbesluit is het in rekening gebrachte vastrecht per centraal bemeterd complex, en als gevolg van het omslagstelsel derhalve ook per huurder van Stadswonen c.s., met ingang van 1 januari 2003 fors gestegen.

1.11 Bij inleidende dagvaarding van 18 maart 2005 hebben Stadswonen c.s. Evides gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Zij hebben - verkort weergegeven - gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat Evides ter zake van de levering van water aan centraal bemeterde complexen slechts per centrale watermeter in een centraal bemeterd complex een vastrecht mag berekenen en niet per afzonderlijk huishouden c.q. per afzonderlijke woning of wooneenheid in een dergelijk centraal bemeterd complex;

2. te verklaren voor recht dat het besluit van Evides strekkende tot heffing van een vastrecht per afzonderlijk huishouden voor de kosten van de waterlevering jegens Stadswonen c.s.

a) niet van toepassing is dan wel rechtskracht mist zijnde in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door Evides in acht genomen behoort te worden;

b) althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

c) althans onrechtmatig is;

3. Evides te veroordelen om de gevolgen van het hiervoor onder 2 genoemde besluit ongedaan te maken door de terugbetaling van alle door Stadswonen c.s. aan Evides met ingang van 1 januari 2003 betaalde vastrechtbedragen, zulks onder inhouding van enkel het reguliere vastrechtbedrag per centrale meter in elk centraal bemeterd complex, maar wel vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen, te rekenen vanaf de dag van iedere door Stadswonen c.s. gedane betaling respectievelijk vanaf de dag der gedane sommaties, tot aan de dag van algehele voldoening;

4. Evides te veroordelen om binnen dertig dagen na het te wijzen vonnis respectievelijk binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, de aldus door Evides op grond van dit vonnis terug te betalen bedragen vast te stellen en een overzicht daarvan aan een ieder van Stadswonen c.s. te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per dag of gedeelte daarvan dat Evides met de vaststelling c.q. verstrekking van deze opgave in gebreke blijft;

5. Evides te veroordelen om binnen dertig dagen na akkoordbevinding door Stadswonen c.s. met de aldus onder 4 gedane opgave respectievelijk binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, de aldus berekende en geaccordeerde bedragen aan een ieder van Stadswonen c.s., vermeerderd met de wettelijke rente, te restitueren;

6. Evides te veroordelen in de kosten van de procedure.

1.12 Evides heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.

1.13 Nadat partijen de zaak op 16 februari 2006 hadden bepleit, heeft de rechtbank bij vonnis van 15 maart 2006 de vorderingen van Stadswonen c.s. afgewezen(5).

1.14 Stadswonen c.s. zijn, onder aanvoering van zeven grieven, bij het hof 's-Gravenhage van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij hebben gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hun vorderingen alsnog zal toewijzen. Bij memorie van grieven hebben Stadswonen c.s. hun eis aangevuld(6). Evides heeft de grieven gemotiveerd bestreden en tot bekrachtiging van het in appel bestreden vonnis geconcludeerd.

1.15 Nadat partijen de zaak op 8 januari 2008 ten overstaan van het hof hadden bepleit, heeft het hof bij arrest van 12 februari 2008(7) het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en de aanvullende vorderingen in hoger beroep afgewezen.

1.16 Stadswonen c.s. hebben tijdig(8) beroep in cassatie ingesteld. Evides heeft tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd. Daarna hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel omvat een negental klachten en richt zich in de kern tegen de verwerping van het betoog van Stadswonen c.s. dat de wijziging van de systematiek van heffing van het vastrecht niet aanvaardbaar is.

2.2 In cassatie is onbestreden dat Evides op grond van de Algemene Voorwaarden en de Tarievenregeling, zoals die vóór en na de wijziging van januari 2003 golden en gelden, een ruime bevoegdheid heeft, niet alleen om de hoogte van de vastrechttarieven aan te passen, maar ook om de structuur en de systematiek van heffing te wijzigen(9). De door het hof(10) - en de rechtbank(11) - gehanteerde maatstaf dat een dergelijke wijzigingsbeslissing, mede gezien de monopoliepositie van Evides bij de levering van water, van een deugdelijke argumentatie dient te zijn voorzien, is in cassatie evenmin in geschil.

2.3 De onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen rov. 2.8, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voormelde argumenten voldoende rechtvaardiging vormen voor de wijziging door Evides van haar tariefst(r)uctuur, welke heeft geleid tot een wijziging in de berekening van het vastrecht voor de door Stadswonen c.s. geëxploiteerde wooncomplexen. Anders dan Stadswonen c.s. menen, is het hof van oordeel dat hierbij niet alleen financiële en bedrijfseconomische argumenten een rol kunnen spelen. Het is juist dat als gevolg van de wijziging elke wooneenheid die als apart GBA-adres is geregistreerd met ingang van 1 januari 2003 vastrecht verschuldigd is geworden, terwijl dat voorheen niet zo was, maar het hof is van oordeel dat het besluit van Evides om alle woningen en wooneenheden op dit punt gelijk te gaan behandelen, ongeacht de vraag of sprake is van centrale of individuele bemetering, niet onredelijk is. Hiervoor bestaan voldoende redengevende argumenten, waaronder met name het argument dat op deze wijze alle huishoudens die een beroep doen op de productie- en leidingeninfrastructuur van het waterbedrijf op gelijke wijze bijdragen aan de vaste kosten ervan. Het verweer van Stadswonen c.s. dat de situatie van een huurder in een complex met een centrale watermeter zowel juridisch als feitelijk niet gelijk is aan die van een huurder in een woning met een individuele watermeter is op zich juist, doch hetgeen Stadswonen c.s. in dit verband hebben aangevoerd weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het argument van Evides dat op deze wijze alle huishoudens die een beroep doen op de productie- en leidingeninfrastructuur van het waterbedrijf op gelijke wijze bijdragen aan de vaste kosten ervan."

2.4 Onderdeel 1, dat zich richt tegen de vijfde regel van rov. 2.8 ("Het verweer van Stadswonen c.s. (...)"), klaagt dat het bestreden oordeel onjuist is voor zover het hof de juridische en feitelijke verschillen tussen complexen met een centrale watermeter en woningen met een individuele watermeter niet, dan wel onvoldoende relevant zou hebben geacht, althans dat het hof geen, althans onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang volgens welke de argumenten van Stadswonen c.s., gebaseerd op die verschillen, ongegrond zijn.

2.5 Het hof heeft in de bestreden overweging geoordeeld dat aan Stadswonen c.s. kan worden toegegeven dat de situatie van een huurder in een complex met een centrale watermeter zowel juridisch als feitelijk niet gelijk is aan die van een huurder in een woning met een individuele watermeter, maar dat hetgeen Stadswonen c.s. in dit verband hebben aangevoerd, niet opweegt tegen het argument van Evides dat huishoudens op gelijke wijze aan de vaste kosten van de productie- en leidingeninfrastructuur van het waterbedrijf dienen bij te dragen. Voor zover de klacht ten betoge strekt dat het hof op het door Stadswonen c.s. gevoerde verweer geen acht zou hebben geslagen dan wel de door Stadswonen c.s. aangevoerde feitelijke en juridische verschillen niet (voldoende) relevant zou hebben geoordeeld, mist zij dan ook feitelijke grondslag.

Iets anders is (en daartegen richt zich de motiveringsklacht van het onderdeel) dat het hof het door Evides gedane beroep op rechtsgelijkheid boven de door Stadswonen c.s. aangevoerde argumenten heeft laten prevaleren. Naar het oordeel van het hof heeft Evides, ondanks het gegeven dat in een centraal bemeterd complex slechts tussen Evides en Stadswonen c.s. en niet ook tussen Evides en de individuele huishoudens een (rechtstreekse) rechtsverhouding bestaat, ervoor kunnen kiezen dat alle huishoudens die in dezelfde mate een beroep doen op de productie- en leidingeninfrastructuur van het waterbedrijf, (direct dan wel indirect) gelijkelijk aan de vaste kosten daarvan dienen bij te dragen, ongeacht de wijze van bemetering(12). Dit oordeel is noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Dat geldt temeer nu het hof, naast het argument van de gelijke behandeling, ook andere door Evides aangevoerde argumenten - door het hof in rov. 2.7 samengevat(13) - in zijn oordeel over de rechtvaardiging van de door Evides doorgevoerde wijziging heeft meegewogen(14).

2.6 Onderdeel 2, dat zich richt tegen de tweede regel van rov. 2.8 ("Anders dan Stadswonen c.s. menen (...)"), klaagt dat, voor zover het hof uit het oog heeft verloren dat financiële en bedrijfseconomische argumenten een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of de tariefswijziging is gerechtvaardigd, het oordeel van het hof onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is. Voorts geeft het oordeel in de rov. 2.8 en 2.9, in samenhang gelezen, volgens het onderdeel onvoldoende inzicht in de verwerping van de stellingen van Stadswonen c.s. dat, en zelfs met name, de bedrijfseconomische en financiële aspecten in aanmerking dienen te worden genomen en dat op dat punt door Evides niet dan wel onvoldoende inzicht is geboden om, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de wijziging van de tariefstructuur te kunnen rechtvaardigen.

2.7 Het onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het betoogt dat het hof zou hebben geoordeeld dat financiële en bedrijfseconomische argumenten bij de beoordeling of een tariefswijziging is gerechtvaardigd in het geheel geen rol kunnen spelen. Het hof heeft slechts het standpunt van Stadswonen c.s. verworpen dat een wijziging van de tariefstructuur louter op financiële en bedrijfseconomische argumenten zou kunnen worden gebaseerd. Blijkens de samenvatting in rov. 2.7 heeft Evides zulke argumenten mede aan haar standpunt ten grondslag gelegd, terwijl het hof die argumenten ook in zijn beoordeling heeft betrokken: in de eerste volzin van rov. 2.8 heeft het hof geoordeeld dat "voormelde argumenten" van Evides (de in rov. 2.7 samengevatte "argumenten (...) van harmonisatie, gelijke behandeling en bedrijfseconomische noodzaak") een voldoende rechtvaardiging voor de litigieuze wijziging van de tariefstructuur vormen (15).

2.8 Voor het overige wordt in de cassatiedagvaarding verwezen naar vindplaatsen van stellingen van Stadswonen c.s. met betrekking tot bedrijfseconomische en financiële aspecten die het hof volgens het onderdeel onvoldoende inzichtelijk zou hebben verworpen.

De vermelde vindplaatsen in de inleidende dagvaarding hebben betrekking op de (volgens Stadswonen c.s. ontbrekende) "kostenverklarende factor", die ertoe zou nopen de tariefswijziging door te voeren. Stadswonen c.s. achten het noodzakelijk dat de kostencomponenten met betrekking tot centraal bemeterde complexen worden uitgesplitst, zodat kan worden bezien in hoeverre deze zijn gewijzigd. In een procedure ten overstaan van de rechtbank 's-Gravenhage is volgens Stadswonen c.s. gebleken dat het relatieve aandeel van de kosten van centraal bemeterde complexen nu juist was gedaald en dat de algemene kosten bij een toename van het aantal centraal bemeterde complexen nu juist afnamen. Bovendien is tijdens die procedure ook bevestigd dat de kosten van de waterleidingen in de centraal bemeterde complexen geheel voor rekening van de eigenaren van die complexen komen en dat het voor het waterbedrijf uit kostenoogpunt geen verschil maakt of het water aan 10 of 500 huishoudens wordt doorgeleverd. Ten slotte zou Evides, nog steeds volgens de door het onderdeel vermelde passages in de inleidende dagvaarding, het begrip vaste kosten ten onrechte aan het begrip vastrecht hebben gekoppeld. In de door het onderdeel vermelde passages in de pleitnota in eerste aanleg zijn Stadswonen c.s. wederom ingegaan op het begrip vaste kosten en op de wijze waarop Evides dit begrip heeft gehanteerd. De vermelde passages in de memorie van grieven betreffen het niet nader onderbouwen door Evides van haar standpunt dat uit kostenoogpunt omstandigheden aanwezig zijn die een tariefswijziging rechtvaardigen. De door het onderdeel genoemde passages in de pleitnota in hoger beroep betreffen ten slotte de door Evides aan de tariefswijziging ten grondslag gelegde vaste kosten van waterlevering en het begrip vastrecht.

In rov. 2.9 heeft het hof geoordeeld dat de besparing van afnemerskosten als gevolg van centrale bemetering onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen dat de wijziging niet toelaatbaar is. Het staat Evides naar het oordeel van het hof vrij om voor haar vastrecht van een deel van haar totale exploitatiekosten uit te gaan. Daarbij heeft het hof nog opgemerkt dat de verwijzing door Stadswonen c.s. naar het rapport van de Commissie Traas(16) dit niet anders maakt, nu dit rapport aan de keuze van Evides om voor de berekening van haar vastrecht van een deel van haar totale exploitatiekosten uit te gaan, niet in de weg staat. Voorts heeft het hof geoordeeld dat - naar Stadswonen c.s. onvoldoende hebben betwist - de afnemerskosten in verhouding tot de totale exploitatiekosten zeer gering van omvang zijn. Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat huurders van centraal bemeterde wooncomplexen een substantieel bedrag extra betalen doordat zij tevens de in de huurprijs begrepen kosten van het interne waterleidingsysteem en de installatie betalen, en dat Evides daardoor afnemerskosten uitspaart(17). Aldus heeft het hof de door het onderdeel bedoelde stellingen voldoende inzichtelijk en voldoende gemotiveerd weerlegd, zodat het onderdeel ook in zoverre niet tot cassatie kan leiden.

2.9 Onderdeel 3 is gericht tegen de derde en vierde volzin van rov. 2.14 van het bestreden arrest, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"Van een wezenlijk en substantieel onderscheid in de kostensystematiek tussen centraal en individueel bemeterde woningen, zoals Stadswonen c.s. verdedigen, is het hof niet gebleken. Ook hiervoor verwijst het hof naar hetgeen eerder in dit arrest is overwogen en beslist."

2.10 Het onderdeel klaagt dat hetgeen het hof heeft overwogen onjuist althans onbegrijpelijk is, nu het uitgangspunt in rov. 2.8 wel degelijk was dat de situatie van een huurder in een complex met een centrale watermeter zowel juridisch als feitelijk niet gelijk is aan die van een huurder in een woning met een individuele watermeter, en voorts relevant is de door Stadswonen c.s. aangevoerde (en niet onjuist bevonden) stelling dat het voor de kosten van een waterbedrijf niet uitmaakt of de centraal bemeterde waterafnemer aan tien dan wel honderd huishoudens levert.

2.11 Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft in rov. 2.14 (wederom(18)) overwogen dat Evides niet verplicht is het vastrecht aan enkele, vast omschreven kosten te verbinden, maar de vrijheid heeft om een deel van haar totale exploitatiekosten in rekening te brengen(19). Vervolgens heeft het hof overwogen dat geen sprake is van een wezenlijk of substantieel onderscheid tussen de kostensystematiek van een centraal en een individueel bemeterde woning waardoor de door Evides doorgevoerde wijziging niet gerechtvaardigd zou zijn. Kennelijk houdt die overweging verband met hetgeen het hof reeds in rov. 2.9 overwoog, te weten dat de afnemerskosten slechts een zeer gering deel van de ten deze relevante totale exploitatiekosten van Evides uitmaken, terwijl niet is gebleken dat de huurders van centraal bemeterde wooncomplexen in verband met de kosten van het interne waterleidingsysteem een substantieel bedrag extra aan huur betalen en Evides daardoor kosten uitspaart (zie ook rov. 2.15). Aan deze gedachtegang van het hof doet de in rov. 2.8 vastgestelde juridische en feitelijke ongelijkheid tussen een centraal bemeterd complex en een woning met een individuele watermeter op zichzelf niet af, evenmin als de stelling dat het uit kostenoogpunt niet uitmaakt aan hoeveel huishoudens het aan een centraal bemeterd complex geleverde water wordt doorgeleverd. Het onderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

2.12 Onderdeel 4 is gericht tegen de rov. 2.7-2.15, in het bijzonder tegen de daarin vervatte onderbouwing van het oordeel dat er in het onderhavige geval deugdelijke argumenten zijn die de tariefswijziging rechtvaardigen.

2.13 Het onderdeel, dat de in rov. 2.6, laatste volzin, ontwikkelde maatstaf (dat Evides niet geheel naar eigen goeddunken te werk kan gaan, maar dat sprake moet zijn van deugdelijke argumenten ter rechtvaardiging van de wijzigingsbeslissing) vooropstelt, strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat niet in voldoende mate aan die maatstaf is voldaan, nu in de motivering van het bestreden arrest niet of onvoldoende blijkt van argumenten die naar objectieve maatstaven in voldoende mate toetsbaar zijn om de wijzigingsbeslissing te kunnen dragen, althans de beslissing van het hof daartoe onvoldoende inzicht biedt.

2.14 Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat het hof voldoende deugdelijke argumenten voor de wijziging van de tariefstructuur aanwezig heeft geacht (zie onder meer rov. 2.8, eerste volzin: "Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voormelde argumenten voldoende rechtvaardiging vormen voor de wijziging (...) van haar tariefstructuur", en rov. 2.13, eerste volzin: "Nu het hof heeft geoordeeld dat de wijziging door Evides van de tariefstructuur gerechtvaardigd was gelet op de door Evides aangevoerde argumenten (...)"). Aldus is het hof de in rov. 2.6, laatste volzin, ontwikkelde maatstaf trouw gebleven. Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof die maatstaf heeft miskend, mist het daarom doel. Voor zover het onderdeel betoogt dat het oordeel van het hof over de aanwezigheid van voldoende deugdelijke argumenten onvoldoende is gemotiveerd, geldt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onduidelijk is waarom zulks het geval zou zijn, zodat het onderdeel in zoverre reeds om die reden faalt.

Overigens is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. In rov. 2.6 heeft het hof - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat Evides op grond van de door haar gehanteerde Algemene Voorwaarden en de Tarievenregeling, een ruime bevoegdheid had en heeft om niet alleen de hoogte van de vastrechttarieven, maar tevens de structuur daarvan en de wijze van heffing te wijzigen. Deze wijzigingsbeslissing dient naar het oordeel van het hof met deugdelijke argumenten te zijn onderbouwd, mede gezien de monopoliepositie van Evides. In de argumentatie van Evides ter rechtvaardiging van de wijziging van de tariefstructuur met ingang van 1 januari 2003 heeft het hof argumenten van harmonisatie, gelijke behandeling en bedrijfseconomische noodzaak onderscheiden. Het hof heeft in deze argumenten van Evides - samengevat in rov. 2.7 - voldoende rechtvaardiging gezien om de wijziging in de tariefstructuur te rechtvaardigen en heeft de tariefswijziging in weerwil van de door Stadswonen c.s. aangevoerde argumenten niet met de redelijkheid en billijkheid in strijd geacht, noch onrechtmatig geoordeeld (rov. 2.8-2.11).

Voor zover het onderdeel nog verwijst naar de draconische stijging van het vastrecht bij centraal bemeterde complexen, verliest het uit het oog dat het hof in rov. 2.10 heeft geoordeeld dat de wijziging van de tariefstructuur, ondanks de gevolgen daarvan voor de bewoners van de wooncomplexen van Stadswonen c.s., niet met de redelijkheid en billijkheid in strijd is. Het hanteren van één bedrag aan vastrecht per GBA-adres, ongeacht het inkomen van de bewoner(s) en ongeacht het aantal bewoners, is niet onredelijk, omdat het om een relatief laag bedrag gaat van € 66,65 per jaar (afgerond € 5,55 per maand). Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat de tariefstructuur voor sommige gebruikers (enigszins) ongunstiger is dan voor anderen(20).

2.15 De onderdelen 5 en 6 richten zich tegen de eerste volzin van rov. 2.11, waarin het hof heeft geoordeeld dat "(v)oor het overige (...) de door Evides aangevoerde argumenten, zoals hierboven onder 7 weergegeven, gegrond (zijn) op feiten en omstandigheden die als zodanig door Stadswonen c.s. niet gemotiveerd zijn betwist."

2.16 Onderdeel 5 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, nu Stadswonen c.s. tegen het door Evides aangevoerde argument van harmonisatie van het drinkwatertarief in haar verzorgingsgebied inhoudelijk verweer hebben gevoerd.

2.17 In rov. 2.7, eerste liggende streepje, heeft het hof het bedoelde argument als volgt samengevat:

"- harmonisatie van de drinkwatertarieven in het verzorgingsgebied van Evides was nodig vanwege historisch ontstane (willekeurige) verschillen tussen de binnen het gebied in rekening gebrachte tarieven, ook ten aanzien van de vastrechtberekening;"

2.18 Het verweer daartegen van Stadswonen c.s. kan, blijkens het onderdeel, aldus worden samengevat dat harmonisatie weliswaar een rechtvaardigende factor kan vormen, maar dat zulks niet doorslaggevend is, omdat daarbij ook bedrijfseconomische en financiële aspecten nader moeten worden bezien, evenals de specifieke omstandigheden van de centraal bemeterde complexen, temeer omdat de juridische en feitelijke situatie van centraal bemeterde complexen en individueel bemeterde woningen/complexen verschillen. Dit verweer impliceert echter géén gemotiveerde betwisting van de feiten en omstandigheden waarop Evides haar argument over de noodzaak c.q. wenselijkheid van harmonisatie heeft gegrond, maar betreft slechts de relatieve betekenis die volgens Stadswonen c.s. aan dit argument mag worden toegekend. Al om die reden mist de klacht van het onderdeel doel.

2.19 Onderdeel 6 klaagt dat Stadswonen c.s. de validiteit van het gelijkheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de harmonisatiewens van Evides, hebben bestreden door aan te voeren dat centraal bemeterde complexen en individueel bemeterde woningen per definitie niet aan elkaar gelijk zijn, zodat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd.

2.20 De bestreden zinsnede van rov. 2.11 betreft de argumenten van Evides - samengevat in rov. 2.7 - die het hof nog niet in de voorgaande rechtsoverwegingen heeft behandeld ("Voor het overige (...)"). De bestreden zinsnede heeft, aldus beschouwd, géén betrekking op de door het onderdeel bedoelde ongelijkheid van centraal bemeterde complexen en individueel bemeterde woningen, welke ongelijkheid het hof reeds in de rov. 2.8 en 2.9 heeft besproken. Om die reden mist het onderdeel feitelijke grondslag.

2.21 Onderdeel 7 is in de kern gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.15, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"(...) Zoals het hof hierboven (rov. 2.9; LK) reeds heeft overwogen hebben Stadswonen c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist dat de afnemerskosten slechts een zeer gering deel van de totale exploitatiekosten van Evides bedragen. (...) De stelling van Stadswonen c.s. dat de rechtbank had moeten onderzoeken hoeveel lager de afnemerskosten precies zijn bij centraal bemeterde complexen in vergelijking tot individueel bemeterde woningen, gaat niet op. Het lag op de weg van Stadswonen c.s. om haar stellingen op dit punt nader te motiveren en te onderbouwen, hetgeen zij echter hebben nagelaten."

2.22 Het onderdeel strekt ten betoge dat Stadswonen c.s. wel degelijk inhoudelijk hebben bestreden dat de afnemerskosten slechts een gering deel van de totale exploitatiekosten van Evides bedragen. Voorts zijn volgens het onderdeel de laatste twee volzinnen van rov. 2.15 (in het hiervoor weergegeven citaat opgenomen) onbegrijpelijk, omdat in de memorie van grieven is gespecificeerd op welke onderdelen er in de centraal bemeterde complexen geen afnemerskosten zijn en het voorts gaat om gegevens die tot het domein van Evides behoren, zodat het op de weg van Evides lag om aan haar stelplicht te voldoen, althans de benodigde gegevens te verschaffen om Stadswonen c.s. in de gelegenheid te stellen zonodig haar stellingen uit te bouwen.

2.23 De eerste klacht van het onderdeel ziet eraan voorbij dat het hof in - rov. 2.15 in verbinding met - rov. 2.9, waartegen het onderdeel blijkens de cassatiedagvaarding mede is gericht, heeft geoordeeld dat de betwisting door Stadswonen c.s. van het door Evides bij memorie van antwoord overgelegde overzicht van de kosten door Stadswonen c.s. bij pleidooi niet nader is gemotiveerd of onderbouwd. Dit mocht naar het oordeel van het hof wel van Stadswonen c.s. worden gevergd, omdat Evides onweersproken heeft gesteld dat haar jaarstukken op haar website en bij de Kamer van Koophandel zijn gepubliceerd. Het onderdeel mist mitsdien deels feitelijke grondslag.

De tweede klacht van het onderdeel gaat evenmin op, reeds omdat Stadswonen c.s. daarbij geen belang hebben. Het verschil in afnemerskosten met betrekking tot centraal en individueel bemeterde complexen, wat overigens van de stelplicht met betrekking tot dat verschil zij, doet in de benadering van het hof niet ter zake, nu Evides het vastrecht niet aan de afnemerskosten, maar aan de totale exploitatiekosten, waarvan de afnemerskosten slechts een zeer gering deel vormen, heeft gerelateerd en ook heeft mogen relateren.

2.24 Onderdeel 8 is gericht tegen rov. 2.9, waarin het hof - voor zover van belang - als volgt heeft geoordeeld:

"(...) Evides is vrij om voor haar vast recht uit te gaan van een deel van haar totale exploitatiekosten. (...) Voorts is het hof van oordeel dat Stadswonen c.s. onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de afnemerskosten in verhouding tot de totale exploitatiekosten van zeer geringe omvang zijn."

2.25 Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is waar enerzijds wordt geoordeeld dat de omvang van de afnemerskosten niet relevant is voor de beoordeling van de tariefswijziging, terwijl het hof anderzijds aan diezelfde afnemerskosten toch weer betekenis toekent, althans dat het bestreden oordeel onvoldoende is gemotiveerd, nu onduidelijk is of, en zo ja op welke wijze en in welke mate, de omvang van de afnemerskosten relevant is.

2.26 In rov. 2.9 heeft het hof geoordeeld dat het Evides vrijstaat bij de vaststelling van haar vastrecht uit te gaan van haar totale exploitatiekosten, waarvan de afnemerskosten deel uitmaken. Vervolgens is het hof ervan uitgegaan dat de afnemerskosten een zeer gering deel van de totale exploitatiekosten vormen.

Kennelijk en niet onbegrijpelijk zou naar het oordeel van het hof, in het geval dat de totale exploitatiekosten goeddeels door de afnemerskosten worden bepaald, bij sterk uiteenlopende afnemerskosten per individuele verbruiker onredelijk kunnen zijn de totale exploitatiekosten in de vorm van een vastrecht gelijkelijk over de individuele verbruikers om te slaan(21). Het onderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden.

2.27 Onderdeel 9 is gericht tegen het oordeel in rov. 2.9 dat het Evides vrij staat voor haar vastrecht van haar totale exploitatiekosten uit te gaan.

2.28 Het onderdeel betoogt dat in het licht van de door het hof geformuleerde maatstaf dat Evides - kort gezegd - "niet geheel naar eigen goeddunken te werk (kan) gaan" (rov. 2.6), zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet inzichtelijk is waarom het hof van mening is dat de door het hof aangenomen vrijheid van Evides bij de bepaling van het vastrecht zich met die maatstaf verdraagt.

2.29 De vrijheid die het hof Evides bij de keuze van de grondslag van haar vastrecht laat, impliceert allerminst dat Evides "geheel naar eigen goeddunken te werk (kan) gaan". Blijkens zijn overwegingen met betrekking tot het aandeel van de afnemerskosten in de totale exploitatiekosten heeft het hof die vrijheid (onder meer) in die zin begrensd dat een aan de totale exploitatiekosten gerelateerd vastrecht onredelijk kan zijn, indien die kosten in belangrijke mate door per individuele verbruiker sterk uiteenlopende afnemerskosten worden bepaald. Het onderdeel mist doel en kan niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In de cassatiedagvaarding staat abusievelijk vermeld dat Stichting Laurens Wonen voorheen Stichting Woonanker heette; zie ook de schriftelijke toelichting van de mrs. Grabandt en Kelkensberg, p. 1, noot 1.

2 Zie de rov. 2.1-2.8 van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2006, waarvan blijkens rov. 2.2 van het bestreden arrest (gemakshalve nummer ik de rov. 1-18 onder "2. Beoordeling van het hoger beroep" als de rov. 2.1-2.18) ook het hof 's-Gravenhage is uitgegaan. De door het hof blijkens diezelfde rechtsoverweging afgewezen aanvulling van de feiten zoals verzocht door Stadswonen c.s. in appel, speelt in cassatie geen rol.

3 De rechtsvoorgangsters van Evides worden in deze conclusie eveneens als Evides aangeduid.

4 Onder verbruiksadres wordt door Evides het GBA-adres verstaan; zie de samenvatting van de feiten in rov. 2.3 van het bestreden arrest. Het hof acht die uitleg, die in cassatie overigens geen rol speelt, redelijk (rov. 2.12).

5 LJN: AV8746.

6 De aanvulling van de vordering, kort gezegd met een voorwaardelijke subsidiaire vordering tot terugbetaling door Evides van de over 2003 geïncasseerde bedragen aan vastrecht, alsmede zowel primair als subsidiair met een vordering tot betaling door Evides van een onkostenvergoeding (zie rov. 2.1), speelt in cassatie geen rol.

7 LJN: BC4322.

8 De cassatiedagvaarding is op 13 mei 2008 uitgebracht. Omdat 12 mei 2008 op een algemeen erkende feestdag (tweede pinksterdag) viel, is ingevolge art. 3 lid 1 jo art. 1 lid 1 Algemene termijnenwet tijdig beroep in cassatie ingesteld.

9 Rov. 2.6 van het bestreden arrest onder verwijzing naar rov. 4.8 van het vonnis van de rechtbank.

10 Rov. 2.6.

11 Rov. 4.8.

12 Vgl. ook rov. 4.10 van het vonnis van de rechtbank.

13 In rov. 2.7 heeft het hof de argumenten van Evides ter rechtvaardiging van de wijziging van de tariefstructuur per 1 januari 2003 aangeduid als "argumenten (...) van harmonisatie, gelijke behandeling en bedrijfseconomische noodzaak" en die argumenten vervolgens samengevat.

14 Zie de eerste volzin ("dat voormelde argumenten voldoende rechtvaardiging vormen") en de vierde volzin ("waaronder met name het argument dat op deze wijze alle huishoudens (...) op gelijke wijze bijdragen") van rov. 2.8, alsmede rov. 2.13.

15 Zie ook rov. 2.13, waarin het hof nogmaals naar alle door Evides genoemde argumenten voor de wijziging heeft verwezen.

16 Prod. 17 bij de inleidende dagvaarding.

17 In rov. 2.14 heeft het hof wederom geoordeeld dat van een dergelijk wezenlijk onderscheid in de kostensystematiek tussen centraal en individueel bemeterde woningen niet is gebleken. Zie ook rov. 2.15.

18 Zie rov. 2.9.

19 Zie ook de rov. 4.6-4.7 van het vonnis van de rechtbank.

20 Zie ook rov. 2.12, laatste volzin, die verwijst naar rov. 2.10.

21 Vgl. ook rov. 2.15, eerste volzin.