Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK4802

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
08/02254
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK4802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Casus: verdachte wordt veroordeeld o.b.v. de Wet milieubeheer in verband met het kweken van hennep. HR: uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte handelde zonder vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 159
RvdW 2010, 420
NJB 2010, 671
Milieurecht Totaal 2010/3210
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02254

Mr. Knigge

Zitting: 24 november 2009

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij en krachtens artikel 8.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, terwijl het feit opzettelijk wordt begaan" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 1000,00 met een proeftijd van 2 jaar.

2. Namens de verdachte hebben mr. Noorduyn en mr. Kelder, beiden advocaat te Den Haag, drie middelen van cassatie voorgesteld. Deze middelen richten zich alle tegen de bewezenverklaring.

3. Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks 4 april 2004 te Vroomshoop, gemeente Twenterand, tesamen en in vereniging met anderen, opzettelijk zonder daartoe verleende vergunning, in een perceel gelegen aan [a-straat] aldaar, een inrichting voor het kweken van (hennep) planten, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 9 van de bij het Inrichtingen-en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, heeft opgericht en de werking ervan heeft veranderd hierin bestaande dat hij toen aldaar installaties heeft opgesteld en aanwezig heeft gehad waarmee (hennep) planten konden worden geteeld."

4. Het Hof heeft hiertoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd.

"1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof te Arnhem, meervoudige kamer voor strafzaken, op 8 juni 2007, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik was op 4 april 2004 op het adres [a-straat 1] te [plaats] samen met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en een Turkse jongen. Ik ben in de weer geweest met de spullen van de kwekerij.

2. Het als bijlage bij het in de wettelijke vorm door [verbalisant 7], brigadier van politie Twente, district Noord-West, afdeling Twenterand, opgemaakt hoofdproces-verbaal, genummerd PL0500/04-002360 en gesloten op 26 april 2004, gevoegde in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en agent van politie Twente, district Noord-West, afdeling Twenterand, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0500/04-041473, gedateerd 26 april 2004, pagina 85, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op zondag 4 april 2004 kregen wij, verbalisanten, het verzoek van de chef van dienst om te gaan naar het adres, [a-straat 1] te [plaats]. Verbalisanten zagen dat er een zwart busje, merk Mercedes, voorzien van het kenteken [AA-00-BB], op het erf van dit perceel stond, met de achterzijde naar de woning gekeerd. Zij zagen dat de laadklep van deze auto openstond. Zij zagen dat er enkele personen bezig waren om goederen uit deze auto te halen. Wij, verbalisanten, en collega [verbalisant 3], gingen naar de voordeur van dit perceel. Wij zagen dat in de laadruimte van de eerder genoemde auto, goederen aanwezig waren voor het oprichten van een hennepkwekerij. Wij zagen dat de volgende goederen in de laadruimte aanwezig waren: een krat met genummerde transformatoren, stroomkabels, koolstoffilter, een groen vat, zijnde waterton en een doos met armaturen. Wij zagen dat dit nieuwe materialen waren. Vervolgens deden wij de voordeur open en gingen in de gang staan. Wij roken daar een zeer penetrante weedgeur. Wij zagen dat de meterkast in de gang openstond en dat er allerlei stroomgroepen waren afgesloten en doorverbonden. Ik, eerste verbalisant, riep naar boven met de vraag of er iemand aanwezig was. Wij zagen een manspersoon vanaf de trap naar beneden komen. Op dat moment zagen wij nog drie personen bovenaan de trap staan. Wij zagen dat een persoon een accuboormachine in zijn hand had. Als verdachten werden aangehouden: [verdachte], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats]. Op zondag 4 april werd door ons verbalisanten met collega [verbalisant 3] de woning betreden. Wij zagen op de overloop van de eerste verdieping twee accuboormachines staan. In de slaapkamer rechts van de trap zagen wij dat de ramen van dit vertrek waren afgetimmerd met spaanplaat, met daarin een rond gat voor de afvoer. Verder zagen wij dat er vanaf de zolder een bundel met elektrische draden, via een gat, dit vertrek naar binnen kwam. In dit vertrek lagen diverse goederen voor het inrichten van een hennepkwekerij, zoals een koolstoffilter, nieuwe voedingsbodems in zwarte zakken voor hennepplantjes, een sporttas met gereedschap en half afgemaakte betimmerde latten. In de slaapkamer ernaast stonden diverse bedden naast elkaar. Op deze bedden lagen grote hoeveelheden zwart plastic. Onder het middelste bed lagen lampen en transformatoren. In de voorste slaapkamer lagen jerrycans met kunstmatige voedingstoffen en een ventilator. Vanaf de zolder, via de badkamer, kwam een bundel met elektriciteitskabels naar dit vertrek, In de badkamer troffen wij een houten behuizing met daarin een afzuiging aan. De zolder was ingericht als hennepkwekerij. Wij zagen dat daar onlangs geoogst was. Er lagen 72 langwerpige bakken met daarin een soort voedingsbodem, op basis van hydrocultuur. Wij zagen dat elke bak een capaciteit van zeven hennepplanten had. Dus in totaal waren er 504 planten (het hof begrijpt: meer dan 30 gram) groot gebracht. Wij zagen dat deze planten onlangs waren afgeknipt, de wortels en een gedeelte van de stengel waren nog aanwezig. Er hingen 24 armaturen met lampen aan het plafond. Er hing een afzuiging aan het plafond, met een doorvoer door het dak. Er was een bak met water aanwezig, met daarin een pomp, van waaruit er water kon worden toegevoerd naar de hennepplanten. Verder zagen wij een voltageregelaar en een koolstoffilter die waren aangesloten. Vanaf de zolder hingen er bundels met stroomdraden naar de onderliggende slaapkamers. Door een medewerker van het energiebedrijf Essent werd de situatie onderzocht. Hieruit bleek dat er stroom buiten de meter is afgenomen.

3. Het als bijlage bij het onder 2 voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0500/04-041473, gedateerd 26 april 2004, pagina 87, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op aanwijzen van verdachte [betrokkene 2], werd een tweede busje, merk Mercedes Benz, voorzien van het kenteken [CC-00-DD], aangetroffen voor het perceel [a-straat 2]. Deze bus werd in beslag genomen en overgebracht naar het politiebureau te Almelo. De collega's [verbalisant 4 en 5] onderzochten de laadruimte van de tweede aangetroffen auto ([CC-00-DD]). Hierin troffen wij meest nieuwe goederen, die nodig zijn om een hennepkwekerij in te richten. Het volgende werd door ons aangetroffen: armaturen, trafo's, irrigatiesystemen, tempex, flexibele slangen voor luchtfilter, pvc buizen, steenwol, metalen ringen, kroonstenen, dompelpomp, kunststof bakken (niet nieuw), houten latten, landbouwplastic, stroomkabels, flexibele buis voor irrigatie.

4. Het als bijlage bij het onder 2 voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 6]. brigadier van politie Twente, afdeling Justitiële Zaken, opgemaakt procesverbaal van nader onderzoek verdovende middelen, gedateerd 8 april 2004, pagina 92, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 7 april 2004 stelde ik, verbalisant, een nader onderzoek in met betrekking tot een stof gelijkende op hennep, aangetroffen en in beslag genomen in perceel [a-straat 1] te [plaats] in de gemeente Twenterand. Ik zag dat voor de test vijf kortgeknipte groene planten, die met de wortels in steenwol waren gegroeid, beschikbaar waren gesteld. Een van de stengels van de planten is door mij verbalisant getest met de ODV 21-002187-06 verdovende middelentest, nummer 8 Duquenois Reagent, bestemd voor het testen van de aanwezigheid van TetraHydroCannabinol in die plant. Ik zag dat hierbij een positieve reactie op de aanwezigheid van THC in die stof ontstond. De bovengenoemde stof is een middel als bedoeld in lijst II van artikel 3 van de Opiumwet.

5. Het als bijlage bij het onder 2 voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 8] [verbalisant 7] voornoemd, opgemaakte proces-verbaal van verhoor, genummerd PL0500/04-041473, gedateerd 7 april 2004. pagina 32, voorzover inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 4], zakelijk weergegeven:

Toen [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) en zijn maten bij mij in de woning waren, waren ze bezig om de kleine slaapkamer in te richten voor een hennepkwekerij."

5. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de verklaring van [betrokkene 4] zoals afgelegd bij de politie heeft gebezigd voor het bewijs.

6. In de toelichting op het middel wordt door de stellers van het middel opgemerkt dat [betrokkene 4] ter zitting bij de politierechter deze verklaring heeft ingetrokken en aldaar op essentiële punten anders, en ontlastend voor de verdachte heeft verklaard. Met een beroep op HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 m. nt. C. menen de stellers van het middel dat het Hof ertoe gehouden was [betrokkene 4] ambtshalve op te roepen aangezien enkel uit de verklaring van [betrokkene 4] bij de politie afgelegd de betrokkenheid van verdachte kan blijken. Zij menen dat het Hof, nu hij tot deze oproeping niet is overgegaan de verklaring van [betrokkene 4] niet voor het bewijs had mogen bezigen. Subsidiair stellen de stellers van het middel, als ik het goed begrijp, dat het Hof, gezien de beginselen van een goede procesorde gehouden waren deze [betrokkene 4] op te roepen nu de verdachte een lezing van de feiten heeft gegeven die niet strijdig is met de bewijsmiddelen behalve met de verklaring van [betrokkene 4]. Nu het Hof dit niet heeft gedaan, had het Hof de verklaring van [betrokkene 4] niet voor het bewijs mogen bezigen.

7. In aanmerking genomen dat de verklaring van [betrokkene 4] bepaald niet het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het bewezenverklaarde feit blijkt, moet de conclusie zijn dat het middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat nader wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.

8. Het tweede middel bevat de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de gedraging 'zonder daartoe verleende vergunning' heeft plaats gevonden. De toelichting op dit middel bevat voorts nog de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen het opzet op het niet hebben van een vergunning niet kan blijken.

9. Tijdens de terechtzittingen bij het Hof is blijkens de processen-verbaal door de verdachte of diens raadsman niet aangevoerd dat verdachte een vergunning had ten behoeve van de hennepkwekerij.(1) Daarbij komt dat het hoogst ongebruikelijk is dat voor een hennepkwekerij als de onderhavige een milieuvergunning wordt aangevraagd.(2) Weinig waarschijnlijke mogelijkheden waarop door de verdediging geen beroep is gedaan, hoeven niet aan de hand van wettige bewijsmiddelen te worden uitgesloten.(3) Ik meen daarom dat deze klacht faalt.

10. Voor wat betreft de klacht dat het opzet op het niet hebben van een vergunning in de zin van de Wet Milieubeheer niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan blijken, geldt in grote lijnen hetzelfde. Niet aangevoerd is dat de verdachte meende dat hij in het bezit was van de vereiste vergunning, terwijl ook de verdachte moet hebben geweten dat voor een hennepkwekerij als de onderhavige geen vergunning pleegt te worden afgegeven. Tot nadere motivering van zijn oordeel op dit punt was het Hof derhalve niet gehouden.

11. Het derde middel bevat de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat sprake is van een inrichting in de zin van art. 8.1 Wet milieubeheer en evenmin dat de verdachte een inrichting 'heeft opgericht en de werking ervan veranderd'.

12. Artikel 8.1 Wet milieubeheer (Wm) luidt, voor zover relevant voor onderhavige zaak, als volgt.

"-1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben."

Onder inrichting moet, blijkens art. 1.1 lid 1 van de Wm, worden verstaan:

"elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht"

Lid 3 en 4 van art. 1.1 Wm luiden voorts als volgt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als een inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan. "

De AmvB waarover in lid 3 wordt gesproken, betreft het Inrichtingen- en vergunningenbesluit.

13. Om te kunnen spreken van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, moet derhalve sprake zijn van een inrichting in de zin van art. 1.1 lid 1 Wm en moet die inrichting tevens onder een categorie-omschrijving van het Inrichtingen en vergunningenbesluit vallen.(4)

14. Ik begin met de eerste klacht van het middel. Die klacht ziet op de definitiebepaling van 'inrichting' in art. 1.1 Wm. In de toelichting op het middel wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt van een bedrijvigheid die als bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig was, kan worden gekwalificeerd. Voorts blijkt volgens de stellers van het middel uit de gebezigde bewijsmiddelen niet van 'bedrijvigheid die pleegt te worden verricht' aangezien niet kan blijken dat sprake is van een activiteit 'gedurende een zekere periode'.

15. Zoals bij de bespreking van de tweede klacht van het middel moge blijken, is de vraag hoe de bewezenverklaring moet worden gelezen. Ik ga er bij de bespreking van de eerste klacht met de stellers van het middel vanuit dat in de bewezenverklaring met de inrichting die de verdachte omstreeks 4 april 2004 zou hebben opgericht, wordt gedoeld op de kwekerij die in de slaapkamer werd ingericht.

16. Ik stel voorop dat ter zitting bij het Hof door de aldaar aanwezige raadsman niets is aangevoerd ten betoge dat van een inrichting in de zin van art. 1.1 Wet milieubeheer geen sprake was. Ik merk voorts op dat de voor het eerst in cassatie naar voren gebrachte verweren lijken te zijn gebaseerd op de opvatting dat van een inrichting alleen sprake is als de desbetreffende inrichting al enige tijd 'draait'. Ik meen dat deze opvatting onjuist is. In art. 8.1 Wm wordt het 'oprichten' van een inrichting uitdrukkelijk onderscheiden van het 'in werking hebben' daarvan. Dat oprichten wordt als zodanig verboden, hetgeen weinig zin zou hebben als van een inrichting pas sprake is wanneer die inrichting geruime tijd als zodanig heeft gefunctioneerd. De consequentie van de opvatting van de stellers van het middel zou dan ook zijn dat het aanvragen van een vergunning ten behoeve van een inrichting niet eerder nodig is dan nadat de inrichting al enige tijd draait. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever zijn. Bij het verbod zonder daartoe verleende vergunning een inrichting 'op te richten', gaat het om de activiteiten die de 'oprichters' daarmee kennelijk op het oog hebben. De beoogde bedrijvigheid is anders gezegd maatgevend voor de vraag of datgene wat wordt opgericht, een inrichting is.

17. Bij de vraag of sprake is van bedrijfsmatig handelen is winstoogmerk een belangrijke indicator. Uiteindelijk gaat het erom of de omvang het normale particulier gebruik zodanig te boven gaat dat het bedrijfsmatig lijkt.(5) Van algemene bekendheid mag heten dat (illegale) hennepkwekerijen doorgaans dienen om daarmee grof geld te verdienen en dat met het kweken van hennep geruime tijd is gemoeid (de planten moeten nu eenmaal eerst groeien vóór er geoogst kan worden). Gelet voorts op de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen (waaruit bijvoorbeeld blijkt van armaturen, trafo's, irrigatiesystemen, tempex, flexibele slangen voor luchtfilter, pvc buizen, steenwol, metalen ringen, kroonstenen, dompelpomp, kunststof bakken, houten latten, landbouwplastic, stroomkabels en flexibele buis voor irrigatie) heeft het Hof kunnen oordelen dat de kwekerij in oprichting zodanig professioneel van opzet was dat daarmee geen eenmalige of kortstondige activiteit werd beoogd, maar integendeel een bedrijvigheid die alle kenmerken van bedrijfsmatig handelen in zich verenigt. Tot nadere motivering was het Hof daarbij niet gehouden. Het middel faalt in zoverre.

18. Dan nu de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte de inrichting 'heeft opgericht en de werking ervan heeft veranderd'.

19. Voor zover de klacht betrekking heeft op het 'oprichten' van de inrichting, lijkt die te berusten op de opvatting dat van 'oprichten' pas sprake is als de oprichting is voltooid. Die opvatting komt mij niet juist voor. Van 'oprichten' is reeds sprake zodra met die activiteit is begonnen. Dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard, de inrichting 'heeft opgericht' zal door het Hof in dat licht zijn verstaan. Taalkundig bezien dwingt de bewezenverklaring dus niet tot de lezing dat de oprichting in de tenlastegelegde periode geheel was voltooid.(6) Deze klacht faalt reeds hierom.

20. De klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de desbetreffende inrichting omstreeks 4 april 2004 heeft veranderd, lijkt op het eerste gezicht gegrond. Niet goed valt immers in te zien hoe een inrichting die omstreeks 4 april 2004 werd opgericht (en waarvan de oprichting nog niet was voltooid) in diezelfde tijdspanne kan zijn veranderd. Het veranderen van een inrichting veronderstelt immers een reeds aanwezige inrichting.

21. Het is mijns inziens van tweeën één. Of het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte de reeds aanwezige hennepkwekerij op zolder op 4 april 2004 heeft veranderd door die inrichting uit te breiden met of te verplaatsen naar de slaapkamer. In dat geval is van het oprichten van een hennepkwekerij geen sprake. Of - andere mogelijkheid - het Hof heeft geoordeeld dat de hennepkwekerij die in de slaapkamer in wording was, een aparte inrichting was die niets te maken had met de kwekerij op zolder. In dat geval kan niet bewezen worden dat de verdachte de al bestaande inrichting op zolder omstreeks 4 april 2004 heeft veranderd.

22. Het Hof heeft de uitslag van het onderzoek naar de kennelijk op zolder aangetroffen hennepplanten redengevend geacht voor het bewijs (bewijsmiddel 4). Dat wijst erop dat het Hof geen onderscheid heeft gemaakt en de beide kwekerijen als onderdelen van één geheel heeft beschouwd. Gelet op art. 1.1 lid 4, tweede volzin Wm (zie hiervoor, onder punt 12) komt mij voor dat uit de bewijsmiddelen inderdaad de conclusie kan worden getrokken dat de hennepkwekerij op zolder en de hennepkwekerij in de slaapkamer samen één inrichting vormden. De beide kwekerijen waren niet alleen in elkaars onmiddellijke nabijheid gelegen, er was ook een gemeenschappelijke, illegale, stroomvoorziening (vanaf de zolder liepen bundels met stroomdraden naar de onderliggende kamers). Daaruit kan worden afgeleid dat sprake was van twee nauw verbonden 'installaties' die tot dezelfde 'onderneming of instelling' behoorden.

23. Ik meen daarom dat het ervoor gehouden kan worden dat het Hof heeft geoordeeld dat sprake was van een en dezelfde inrichting. Dat betekent dat van het 'oprichten' van een inrichting geen sprake kan zijn geweest. De bewezenverklaring bevat in zoverre een kennelijke misslag, die zich leent voor verbeterde lezing. De verdachte wordt daardoor niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad. De aard en de ernst van het bewezenverklaarde veranderen door de verbeterde lezing niet. Ik neem daarbij in aanmerking dat het Hof blijkens de kwalificatie en de aanhaling van wetsartikelen het bewezenverklaarde als één misdrijf heeft aangemerkt en dus geen meerdaadse samenloop heeft aangenomen.

24. De verbeterde lezing brengt mee dat aan het eerste onderdeel van het middel de feitelijke grondslag is komen te ontvallen.

25. Ambtshalve merk ik nog op dat aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel mijns inziens niet afdoet dat voor de bestaande inrichting die werd veranderd, geen vergunning was verleend. De opvatting dat van verandering van een inrichting slechts sprake kan zijn indien de activiteit als zodanig reeds was vergund, deel ik niet.(7) De tekst noch het stelsel van de wet dwingen tot die opvatting. Van het zonder vergunning veranderen van een inrichting is sprake als de desbetreffende verandering niet door een vergunning wordt gedekt. (8) Dat is ook het geval als in het geheel geen vergunning is afgegeven. Een andere opvatting zou meebrengen dat in gevallen als de onderhavige, waarin onbekend is wie de bestaande inrichting heeft opgericht, niet tegen verandering van de inrichting kan worden opgetreden.(9)

26. Het middel faalt.

27. Alle middelen falen en kunnen, behoudens wellicht die onderdelen van het derde middel die de uitleg van art. 8.1 Wm raken, afgedaan worden met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

28. Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van cassatie in de onderhavige zaak thans bijna 24 maanden zijn verstreken. Naar het zich laat aanzien zal, bij het wijzen van het arrest de redelijke termijn zijn overschreden. Dit behoeft, nu het Hof een geheel voorwaardelijke geldboete heeft opgelegd, niet te leiden tot strafvermindering. De Hoge Raad kan ermee volstaan te constateren dat de redelijke termijn is overschreden.

29. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

30. Gezien het bovenstaande strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad (1) zal oordelen dat de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase voldoende is gecompenseerd met de vaststelling dat van zodanige overschrijding sprake is en (2) het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der NederlandenAG

1 Voor alle duidelijkheid: hennep moet worden begrepen onder het begrip "landbouwproducten" zodat het oprichten van een hennepkwekerij valt onder de Wet milieubeheer. Hoge Raad 4 maart 2003, LJN AF3334, NJ 2003, 526.

2 Of het ongebruikelijk is dat een aangevraagde vergunning wordt verleend, is een andere kwestie. In het in de vorige noot genoemde arrest overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat "in beginsel geenszins valt uit te sluiten dat aan de verdachte een vergunning tot het oprichten van een kwekerij zou zijn verleend", gelet op het stelsel van de wet niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting. Ik merk overigens op dat hetgeen "in beginsel" niet valt uit te sluiten, niet iets hoeft te zijn wat zich in de praktijk veelvuldig voordoet.

3 Vergelijk Hoge Raad 13 oktober 2009, LJN BJ3665.

4 Tekst en Commentaar Milieurecht, Deventer Kluwer 2006 aant. 2 bij art. 1.1. (Dresden) en D. van der Meijden, Tekst en toelichting Wet Milieubeheer, Den Haag SDU uitgevers bv 2006 p. 58-59.

5 D. van der Meijden, Tekst en toelichting Wet Milieubeheer, Den Haag SDU uitgevers bv 2006 p. 58.

6 Vergelijk Hoge Raad 17 april 2001, LJN AB1333.

7 V.M.Y. van 't Lam, Het begrip inrichting in de Wet milieubeheer, Boom juridisch uitgevers: 2005, p. 18. "Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting 'te veranderen of de werking daarvan te veranderen'. Daaronder wordt zowel verstaan het uitbreiden of wijzigen van een inrichting als het veranderen van een gebezigde werkwijze. Een vergunning die nodig is voor dergelijke veranderingen wordt ook wel een veranderingsvergunning genoemd. Veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning, zijn niet vergunningsplichtig (artikel 8.1 lid 3 Wm). Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat als sprake is van een verandering van een activiteit en de activiteit als zodanig nog niet was vergund, de verandering van die activiteiten niet moet woorden aangemerkt als een verandering in de zin van artikel 8.1 lid 1 onder b Wm, maar als het oprichten van een inrichting in de zin van een artikel 8.1 lid 1 onder a Wm. Van een verandering in de zin van artikel 8.1 lid 1 onder b Wm kan pas sprake zijn als de activiteit als zodanig reeds was vergund."

8 Vergelijk het oordeel van het Hof in Hoge Raad 17 april 2001, LJN AB1333.

9 Dat is anders als met Van 't Lam (zie noot 7) wordt aangenomen dat in dat geval sprake is van het oprichten van een inrichting. Mij lijkt dat gelet op de tekst en het stelsel van de wet niet goed te verdedigen.