Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK4794

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08/02059
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK4794
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 245 Sr. ‘Ontuchtige handelingen’. Sociaal ethische norm. Trio met 15-jarige. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, komt het in belangrijke mate aan op de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel daaromtrent kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Het Hof heeft dat aan te leggen toetsingskader niet miskend. Tegen de achtergrond van het belang dat art. 245 Sr beoogt te beschermen en in het licht van hetgeen door het Hof omtrent de toedracht is vastgesteld, is diens oordeel onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 476
NJ 2010/376 met annotatie van N. Keijzer
NJB 2010, 879
NBSTRAF 2010/171
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02059

Mr Jörg

Zitting 24 november 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest 29 april 2008 het vonnis van de rechtbank te Breda van 31 juli 2007 bevestigd, waarbij verzoeker ter zake van - kort gezegd - het plegen van ontucht met een vijftienjarig meisje is veroordeeld tot een werkstraf van tachtig uren, waarvan veertig uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Rijen, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. De schriftuur bevat een gezamenlijke toelichting op de middelen. Aangezien de voorgestelde middelen zich hiervoor lenen, zal ik ze ook gezamenlijk bespreken.

4. Het eerste middel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "ontuchtige handelingen" als bedoeld in art. 245 Sr. Het tweede en het derde middel houden in dat 's hofs oordeel dat de gedragingen van verzoeker in strijd zijn met de sociaal-ethische norm ontoereikend is gemotiveerd: enerzijds omdat niet inzichtelijk is gemaakt welke gedragingen het hof hierbij op het oog heeft, anderzijds waarom deze sociaal-onethisch zouden zijn.

5. Eerst een korte schets van de context waarbinnen deze zaak zich afspeelt. Het gaat - zoals de rechtbank heeft vastgesteld - om de volgende situatie. Verzoeker en zijn vriend [betrokkene 3] zijn ergens in juli 2006 - mogelijke de 18e - op stap geweest in Tilburg en zijn [slachtoffer] in een discotheek tegengekomen. [Betrokkene 3] en [slachtoffer] kennen elkaar en hebben al eerder seks met elkaar gehad. Uit diverse verklaringen is gebleken dat [slachtoffer] verliefd was op [betrokkene 3]. Ook verzoeker en [slachtoffer] kennen elkaar al langer en zijn - naar zeggen van [slachtoffer] - al ongeveer vijf jaar bevriend met elkaar (bewijsmiddel 3). Op de desbetreffende dag spreken verzoeker en [betrokkene 3] met [slachtoffer] af dat zij met hen meegaat naar de kamer van [betrokkene 3]. In de kamer van [betrokkene 3] begint [slachtoffer] te strippen. Zowel [betrokkene 3] en verzoeker hebben daarna vaginale seks met haar.

6. Ten tijde van dit voorval was [slachtoffer] vijftien jaar oud (om precies te zijn: 15 jaar en vier maanden) en waren verzoeker en [betrokkene 3] zeventien jaar (en twee maanden) respectievelijk zestien jaar (en elf maanden) oud.(1) In feitelijke aanleg heeft de verdediging dan ook als verweer aangevoerd dat de door verzoeker gepleegde handelingen geen ontuchtig karakter hebben, omdat i.c. sprake is van een gering leeftijdsverschil tussen verzoeker en [slachtoffer] en van vrijwilligheid aan de zijde van [slachtoffer].

7. De rechtbank heeft dit verweer verworpen en overwoog daartoe - voor zover hier van belang - als volgt:

"(...)

Gesteld kan worden dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven, in die zin dat jeugdigen op steeds jongere leeftijd seksuele handelingen verrichten. Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht strekt echter tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe, gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of onvoldoende in staat te zijn. Hier moet naar het oordeel van de rechtbank onverkort aan worden vastgehouden. Onder omstandigheden kan aan zodanige handelingen met een minderjarige tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter ontbreken; dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. In de onderhavige zaak dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag beantwoord te worden of er omstandigheden waren, waardoor het ontuchtig karakter aan de door verdachten gepleegde handelingen is komen te vervallen. Ten aanzien van verdachte is daarbij het volgende van belang:

- De rechtbank constateert dat het mogelijk niet kenbaar was voor verdachte of er sprake was van onvrijwilligheid van de zijde van [slachtoffer];

- Verdachte was ten tijde van het plegen van de handelingen 17 jaar oud, terwijl [slachtoffer] 15 jaar oud was. De rechtbank is van oordeel dat dit in beginsel als een gering leeftijdsverschil te bestempelen is.

Niettemin acht de rechtbank ook onder voormelde omstandigheden de bedoelde norm geschonden op het moment dat sprake is van twee jongens die besluiten één meisje van vijftien jaar mee te nemen om vervolgens verregaande seksuele handelingen met haar te verrichten en waarbij in het geval van verdachte geen sprake is van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie met [slachtoffer]. Met name door het ontbreken van die relatie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben. Zelfs indien [slachtoffer] volmondig heeft ingestemd met de seksuele handelingen, valt zij volledig onder de reikwijdte van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Het verweer van de raadsman treft derhalve geen doel en zal worden verworpen."

8. Het hof heeft zich met dit oordeel en deze redengeving verenigd en voegde er in zijn arrest nog het volgende aan toe:

"(...)

Voorts verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat met name het ontbreken van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie van de verdachte met [slachtoffer] het oordeel wettigt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele handelingen die sociaal-ethisch niet aanvaardbaar zijn en derhalve een ontuchtig karakter hebben, zeker in de context, zoals geschetst in het vonnis waarin die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden."

9. Eerst een terugblik op de parlementaire geschiedenis van de Wet van 9 oktober 1991 tot wijziging van de artt. 242 tot en met 249 Sr (Stb. 1991, 519). Uit de parlementaire stukken blijkt dat er bij de behandeling van deze wijzigingswet in de Tweede Kamer veel discussie is geweest over de vraag of de in de wet voorkomende term 'ontuchtige handelingen' niet beter kon worden vervangen door de kleurloze term 'seksuele handelingen', dan wel of deze term niet nader zou moeten worden gedefinieerd als "puur en alleen (...) handelingen waarbij geen vrijwilligheid, dus onder andere misbruik en overwicht in het spel [zijn]."(2)

10. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat ervoor is gekozen om de term 'ontuchtige handelingen' te handhaven, omdat deze term een ander, meer geladen betekenis heeft dan de term 'seksuele handelingen'. Bij ontucht gaat het immers om seksuele handelingen (dit betekent handelingen gericht op seksueel contact, althans op contact van seksuele aard) die indruisen tegen de sociaal-ethische norm, zonder dat er sprake hoeft te zijn van 'buitengewone afschuwwekkende daden.'(3)

11. Voorts is een nadere definiëring van de term 'ontuchtige handelingen' als "puur en alleen handelingen waarbij de vrijwilligheid" ontbreekt achterwege gebleven, met het oog op het door de zedelijkheidswetgeving te dienen doel.

12. Op de vraag van kamerlid Van Es of het begrip 'ontucht' kan worden samengevat als maatschappelijk onwenselijk gedrag waarbij het onwenselijke betrekking heeft op de onvrijwilligheid van het slachtoffer (de seksuele handelingen worden tegen diens wil gepleegd) antwoordde de minister van Justitie Hirsch Ballin - voor zover relevant - als volgt:

"Het gaat niet alleen om de vrije wil. Er kan ook sprake zijn, dat een jeugdige zichzelf aanbiedt, dus dat er sprake is van toestemming. (...) Dan nog geldt dat personen in bepaalde situaties hiervan geen misbruik mogen maken. (...)

Het gaat niet uitsluitend om de bescherming van mensen in hun zelfbeschikkingsrecht, alsof het allemaal jonge mensen, patiënten, cliënten zijn die rationeel handelend hun keuze maken. Dat is ook een verkeerde opvatting over de staatstaak ter bescherming van de vrijheid.

(...) [H]et beschermen van vrijheid en waardigheid van de mens vergt meer dan een toestemmingsvereiste. Het beschermen van vrijheid en waardigheid van mensen in kwetsbare situaties - ik denk daarbij aan jeugdigen, patiënten, cliënten - betekent ook dat rekening gehouden moet worden met de kwetsbaarheid van hun posities als zodanig. Er mogen normen worden gesteld die eisen stellen aan de behandelaar, aan degene aan wiens zorg een patiënt of cliënt zich heeft toevertrouwd, zoals dit in het wetsvoorstel wordt gesteld. Naar mijn overtuiging betekent dit dat tot die normen ook moet behoren een norm die de verplichting inhoudt halt te maken. Dat geldt ook bij toestemming van de betrokkene en zelfs ook wanneer toestemming is verleend door degene die een bijzondere verantwoordelijkheid heeft, bijvoorbeeld als ouder of als degene aan wie een patiënt of cliënt zich heeft toevertrouwd. (...)

Als je het echter houdt op misbruik van overwicht en als je stelt dat [het] opzet dus ook gericht moet zijn op het maken van misbruik van die overwichtspositie - waar de situatie tegenover kan worden gesteld waarin toestemming is verleend, die juist ook kan voortkomen uit de kwetsbaarheid - dan kan daarmee toch de deur worden open gezet voor handelingen, voor verhoudingen die schade toebrengen aan afhankelijke, kwetsbare mensen, bijvoorbeeld aan jeugdigen. Als we de vrijheid en de waardigheid van die mensen werkelijk willen beschermen, mogen we die deur niet open zetten."(4)

13. In de Memorie van Antwoord wordt het doel van de zedelijkheidswetgeving vervolgens als volgt verwoord:

"(...)

Het doel van de zedelijkheidswetgeving is (...) het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment dan wel in het algemeen, niet in staat zijn. Tot de eerste categorie behoren degenen, die in het algemeen wel in staat zijn hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen, doch op een bepaald moment niet, bijvoorbeeld omdat geweld wordt gebruikt of omdat zij bewusteloos zijn.

(...)

De vraag is hoe lang men jeugdigen moet beschermen, met andere woorden op welke leeftijd zij kunnen worden geacht in staat te zijn hun seksuele zelfbeschikkingsrecht uit te oefenen. In het Wetboek van Strafrecht is gekozen voor de leeftijdsgrens van zestien jaar voor jeugdigen in het algemeen en voor de meerderjarigheidsgrens voor afhankelijken. Wanneer alle `seksuele handelingen' met jeugdigen onder die leeftijd verboden zouden zijn, dan zou deze categorie geheel seksueel onaantastbaar zijn. Een seksueel getint stoeipartijtje van jeugdigen zou dan onder de bepaling vallen. Wanneer ouders - de jeugdigen zelf zullen geen aangifte doen als zij beiden wilden - aangifte doen, zal het OM kunnen zeggen[:] deze handelingen zijn niet ontuchtig, want een dergelijk stoeipartijtje is over het algemeen sociaal-ethisch aanvaard en het is ook sociaal-ethisch aanvaard dat in die gevallen jeugdigen zelf beslissen."(5)

14. Daarnaast wordt in de toelichting op de vierde Nota van Wijziging benadrukt dat

"[p]ersonen tussen twaalf en zestien jaar echter niet in alle opzichten als weerloos [kunnen] worden beschouwd. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld bij gering leeftijdsverschil, dat feiten als hier bedoeld niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Daarom moet ook deze term in art. 245 wel worden opgenomen. Dit betekent tevens dat ook als er een klacht wordt ingediend het openbaar ministerie om die reden zou kunnen oordelen dat het feit niet strafbaar is en afziet van strafvervolging."(6)

15. Uit de wetgeschiedenis van art. 245 Sr leid ik af dat seksuele handelingen tussen personen met een gering leeftijdsverschil niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt (vgl. HR 24 juni 1997, LJN ZD0775, NJ 1997, 676). Van ontucht zal in ieder geval sprake zijn, indien één van de betrokkenen seksuele handelingen pleegt met de ander tegen diens wil.(7)

16. Dat er sprake is van vrijwilligheid aan de zijde van een slachtoffer (dat ongeveer even oud is als de dader) sluit echter niet uit dat in een concreet geval toch sprake kan zijn ontucht. Immers, volgens de wetgever gaat het bij de zedelijkheidswetgeving niet alleen om de bescherming van mensen in hun zelfbeschikkingsrecht, maar juist ook om de bescherming van afhankelijke, kwetsbare personen (zoals jeugdigen) tegen misbruik van hun afhankelijkheid en kwetsbaarheid door anderen, en tegen handelingen en verhoudingen die aan hen schade toebrengen. Van belang is dan de vraag of de met de jeugdige gepleegde seksuele handelingen - ook al heeft hij/zij die zelf gewild - in het concrete geval in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

17. Uit de jurisprudentie blijkt dat bij een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de jeugdige en de dader al snel sprake zal zijn van seksuele handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm, van ontucht dus, ook al zou het initiatief daartoe door de jeugdige zelf genomen zijn (vgl. HR 2 juli 2002, LJN AE3490, NJ 2002, 584). Dat er sprake was van een affectieve relatie tussen de jeugdige en de dader doet daaraan evenmin af, aangezien jeugdigen voor wat betreft relaties in het algemeen worden geacht niet of onvoldoende in staat te zijn de draagwijdte van hun handelen te overzien en hun wil dienaangaande in vrijheid te bepalen. In zoverre moeten zij dan ook worden beschermd tegen een ongewenste beïnvloeding van hun wil (vgl. HR 24 juni 1997, NJ 1997, 676 en HR 13 maart 2007, LJN AZ6650).

18. Terug naar de onderhavige zaak. Het gaat i.c. om drie jeugdige personen van 15, 16 en 17 jaar (met een leeftijdsverschil van 19 resp. 22 maanden ten opzichte van het meisje) die met elkaar trioseks hebben, waarbij de rechtbank vervolgens vaststelde dat het voor verzoeker mogelijk niet kenbaar was of er sprake was van onvrijwilligheid aan de zijde van [slachtoffer]. Mijns inziens glijdt de rechtbank, die dit opzetelement bespreekt in het kader van de vraag of het ontuchtige karakter mogelijk aan de gedraging kan ontvallen, hier uit (en het bevestigende hof dus ook), omdat voor de vraag of sprake is van een ontuchtige handeling niet beslissend is of de dader wist van de onvrijwilligheid. Dit is een bewijs-van-opzet-vraag. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer], door zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te duwen. Impliciet heeft het hof daarmee beslist dat verzoeker de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat zijn handeling in strijd was met het 'geslachtelijk schaamtegevoel.'(8) Als verdachte echter mogelijk niet wist van de onvrijwilligheid is er van bewuste aanvaarding van de kans op handelen in strijd met het geslachtelijk schaamtegevoel geen sprake. Hier valt een tegenstrijdigheid in de rechterlijke motivering te bespeuren, omdat de rechter enerzijds het opzet impliciet wel maar expliciet mogelijk niet aanwezig achtte.

19. Los van voorgaande kwestie moet mijns worden geoordeeld dat wij hier te maken hebben met een sociaal-ethisch grensgeval. Volgens de rechtbank zit het sociaal-onethische in ieder geval - anders dan in de onder 17 aangehaalde arresten - niet in het leeftijdsverschil tussen verzoeker en [slachtoffer], dat door de rechtbank (en het hof) in beginsel als gering valt te bestempelen. De onvrijwilligheid ten opzichte van verzoeker wordt als zodanig door de rechter niet als een specifiek element genoemd om het sociaal-(on)ethische karakter van verzoekers gedragingen te bepalen; de rechtbank gaat aan de mogelijke onvrijwilligheid zelfs geheel voorbij door in haar betoog de mogelijke volmondige instemming van het meisje irrelevant te achten.

20. Wat maakt dat de seksuele handelingen van verzoeker in het onderhavige geval dan toch in strijd zijn met de sociaal-ethische norm? Dat hangt af van de aard van de door verzoeker gepleegde handelingen en/of de omstandigheden waaronder ze zijn gepleegd. Zo acht de wetgever een seksueel getinte stoeipartijtje tussen jeugdigen over het algemeen niet in strijd met de sociaal-ethische norm, omdat een dergelijk stoeipartijtje sociaal-ethisch is aanvaard (zie onder 13).

21. Ik heb de indruk dat in het wetgevingsproces de seksuele gedragingen van jeugdigen ietwat te eufemistisch zijn aangeduid als "seksueel getinte stoeipartijen." Deze doen niet meteen denken aan orale of vaginale penetratie. Niettemin mogen we gevoeglijk aannemen dat de groep jeugdigen in de leeftijdscategorie van art. 245 Sr die deze vormen van seks bedrijft bepaald niet gering is.(9) Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit rond 1990, ten tijde van de behandeling van het wetsontwerp, fundamenteel anders lag.(10) Wel, dat er thans veel openlijker en minder huichelachtig over seksueel gedrag van jongeren wordt gesproken.

22. Hoewel het i.c. niet gaat om het typisch 'onschuldige' voorbeeld van een seksueel getint stoeipartijtje, is het duidelijk dat de door verzoeker gepleegde handeling (het brengen van zijn penis in de vagina van [slachtoffer]) naar haar aard geen 'buitengewone afschuwwekkende handeling' is die naar haar aard in strijd is met de sociaal-ethische norm (zoals bestialiteit wel(11)).

23. Een op zichzelf niet-strafbare seksuele gedraging kan een strafbare ontuchtige handeling worden op grond van de omstandigheden waaronder zij wordt gepleegd. Als zo'n omstandigheid geldt onder meer de uitgeoefende dwang: een (af)gedwongen seksuele handeling is in de regel ontuchtig, aldus mijn voormalige ambtgenoot Van Dorst in zijn conclusie bij het zojuist genoemde arrest. De rechtbank heeft de volgende omstandigheden beslissend geacht voor de conclusie van ontucht:

- het gaat hier om twee jongens die besluiten één meisje mee te nemen om vervolgens verregaande seksuele handelingen met haar te verrichten; en

- met name ontbreekt een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie tussen verzoeker en het meisje met elkaar hadden.

24. Zoals gezien verenigde het hof zich met dit oordeel en zei het in iets andere bewoordingen dat met name het ontbreken van een eerdere seksuele dan wel affectieve relatie van verzoeker met het meisje de handelingen sociaal-ethisch niet aanvaardbaar maken, "zeker in de context zoals geschetst in het vonnis, waarin die seksuele handelingen hebben plaatsgevonden." Deze wat cryptische verwijzing zal, neem ik aan, betrekking hebben op de trioseks.

25. Uit de onder 7 en 8 weergegeven overwegingen van rechtbank en hof - zojuist nog kort herhaald - blijkt niet dat zij in abstracto een onjuiste uitleg hebben gegeven aan het begrip ontucht. In zoverre faalt het eerste middel.

26. Wél acht ik het rechterlijk oordeel dat de handelingen van verzoeker ontuchtig zijn, niet gedragen door de gronden die daaraan ten grondslag zijn gelegd; noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien. Dit oordeel is hierdoor, n'en déplaise de bewijsoverwegingen, niet naar de eisen der wet met redenen omkleed.

27. Immers, de opvatting dat seksueel contact enkel en alleen binnen het huwelijk zou mogen plaats vinden is in het algemeen onder de bevolking - zo dit ooit al algemeen heeft gegolden - reeds lang verlaten, hoewel ik niet zal ontkennen dat in sommige etnische kringen zulk contact levensgevaarlijk kan zijn,(12) dan wel in andere, streng-religieuze, kringen sterk wordt afgekeurd. Gemeengoed is dit echter allerminst. Dat seks louter uit liefde, ten behoeve van de voortplanting of in een affectieve relatie zou mogen plaats vinden zegt vooral iets over degene (of de organisatie) die deze opvatting huldigt, maar staat in schril contrast met de maatschappelijke werkelijkheid. In de zin van een moreel appèl kunnen deze opvattingen hun waarde hebben, maar deze opvattingen opleggen aan de andersdenkende medemens gaat enkele stappen te ver. Hierover heeft Hulsman nog eens een mooi essay geschreven.(13) Zogenaamde one-night-stands zijn niet voorbehouden aan volwassenen. Uit onderzoek is gebleken dat één op de vijf seksueel actieve Nederlandse jongeren (d.i. personen in de leeftijdscategorie van 12-25 jaar) geen relatie had met de laatste persoon waarmee zij/hij geslachtsgemeenschap heeft gehad.(14) In 1995 vond één op de zes schoolgaande jongeren seks zonder dat de partners veel voor elkaar voelen in orde; in 2005 was dit toegenomen tot één op vier.(15) Hiermee wil ik niet zeggen dat de seksmoraal van jongeren is losgeslagen. Omdat seks en zeker seks onder jongeren tot het tamelijk recente verleden in de taboesfeer heeft gelegen is het moeilijk betrouwbare gegevens over veranderingen te signaleren; ik haalde al een studie aan waarin niet van grote verschuivingen werd gerept (zie noot 10). Wel nieuw is de invloed van de geseksualiseerde media op de leeftijd waarop de eerste ervaring met geslachtsgemeenschap wordt opgedaan.(16) Dit alles neemt niet weg dat nog steeds een grote meerderheid van de jongeren seks met intimiteit verbindt.(17) Het strafrecht heeft hier naar mijn mening echter geen taak om een verandering van opvattingen van een talrijke minderheid af te dwingen en daarmee een gedragsverandering te bewerkstelligen, nog afgezien van de volkomen willekeur waarmee opsporing en vervolging noodzakelijkerwijs gepaard zouden gaan.

28. Met inachtneming van het voorgaande gaat het mij te ver om trioseks waarbij tussen twee van de drie partners - die elkaar wel al jaren kennen en respectievelijk 15 en 17 jaar oud zijn - geen eerdere seksuele dan wel affectieve relatie heeft bestaan als inherent sociaal-onethisch te bestempelen. Voor het hof is ook zonder het triokarakter de geslachtsgemeenschap onder deze omstandigheden al ontuchtig, en wordt dit ontuchtige karakter versterkt door de trioseks ("zeker in de context"); de rechtbank legt aan haar conclusie van ontucht beide aspecten gelijkelijk ten grondslag. Ook - of juist - jongeren experimenteren nu eenmaal met seks. In sommige opzichten hebben veldexperts duidelijke verschuivingen waargenomen (bijvoorbeeld pijpen in plaats van zoenen; seks via Internet in plaats van in het fietsenhok).(18) Ik zie dan ook geen reden om een geval als onderhavige, waar twee jongens en één meisje uit vrije wil trioseks met elkaar hebben (althans was het voor verzoeker niet bekend dat [slachtoffer] dat eigenlijk niet wilde), als sociaal-onethisch aan te merken. Ik kan me ook eigenlijk moeilijk voorstellen dat de rechtbank zou hebben willen voorschrijven dat een trio jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd van 15-17 jaar alleen dan met elkaar trioseks mag hebben indien zij te voren twee-aan-twee seksuele ervaringen met elkaar hebben opgedaan. Hoe kom je anders aan een eerdere seksuele relatie? Trioseks mag, mits blijkt van eerder promiscue gedrag. Is dat de boodschap?

29. Ter zijde merk ik op dat deelnemer [betrokkene 3] - die 'het' eerder met [slachtoffer] had gedaan, en op wie zij verliefd was (aldus de bewijsmiddelen) - is vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer].(19) Of [betrokkene 3] ook op [slachtoffer] verliefd was vermelden de bewijsmiddelen niet, hetgeen meteen al een probleem oplevert bij de toepassing van het criterium van de affectieve relatie: moet die wederzijds zijn? Hoe lang moet die minimaal duren? Moet die exclusief zijn? Etc.

30. Het zou anders zijn indien zich omstandigheden voordoen waaruit zou blijken dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van de situatie of waaruit zou blijken dat [slachtoffer] geslachtsgemeenschap heeft gehad met verzoeker na ongewenste beïnvloeding van haar wil door verzoeker. Ik denk bijv. aan de situatie waarin verzoeker [slachtoffer] zou hebben gechanteerd (bijvoorbeeld door te dreigen haar seksuele gedrag aan de grote klok te hangen); haar geest zou hebben beneveld teneinde haar beoordelingsvermogen te verminderen (vgl. HR 22 augustus 2006, LJN AX5720); of gebruik zou hebben gemaakt van 'peer-pressure' op [slachtoffer] ("je moet ook eens trioseks proberen"). Hoewel in de bewijsmiddelen wel sprake is van drankgebruik en [slachtoffer] verklaart dat 'het' met verzoeker niet vrijwillig was, blijkt uit de bewijsmiddelen verder niets van het dronken voeren van [slachtoffer] of van die onvrijwilligheid; integendeel: zij was te voren al op seks met de vrijgesproken medeverdachte uit en geneerde zich niet om in aanwezigheid van verzoeker de medeverdachte op te vrijen, tegenover beiden te strippen en onder de ogen van verzoeker met de medeverdachte te neuken. Ook kan ik haar vraag welk standje met verzoeker zou worden ingenomen (bewijsmiddel 4) niet met onvrijwilligheid rijmen. Op zijn best is de bewijsconstructie op dit punt ambivalent, op zijn slechtst tegenstrijdig. Ik heb dus - buiten het ontbreken van een eerdere seksuele of affectieve relatie - geen bijkomende omstandigheden van bovenstaande aard kunnen ontwaren in de bewijsmiddelen. De middelen II en III zijn dan ook terecht voorgesteld: weliswaar is de rechterlijke opvatting omtrent wat ontuchtig is niet onjuist, maar zonder verdere toelichting die ontbreekt is onvoldoende gemotiveerd waarom daarvan in het onderhavige geval sprake is.

31. In het licht van de strekking van deze conclusie behoef ik geen consequenties te verbinden aan mijn opmerking omtrent het al dan niet bestaande opzet bij verzoeker; en evenmin aan de overschrijding van de redelijke termijn. Wel geef ik uiting aan een licht gevoel van verbazing om in het bevestigde vonnis te lezen dat de rechtbank "dit feit als zeer ernstig van aard" beschouwt en dan een werkstraf van 80 uur oplegt.(20) Dat is omgerekend anderhalve maand gevangenisstraf. In abstracto, gelet op de strafbedreiging, is het strafbare feit inderdaad zeer ernstig, maar gelet op de opgelegde straf is er in concreto - dunkt me - sprake van devaluatie van de kwalificatie 'zeer ernstig'. Automatisch gaan de gedachten dan ook uit naar het vervolgingsbeleid - waar de rechter niet over gaat, maar wat bij de eindevaluatie van deze zaak een overdenking waard is -, waaraan meewerkt dat een van de bewijsmiddelen er niet op duidt dat het meisje kort bij de teugel werd gehouden.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie voor de leeftijd van [betrokkene 3] het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 maart 2008.

2 Handelingen TK 18 oktober 1990, p. 12-579 t/m 612, m.n. p. 584.

3 Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 3, p. 2, waar deze bewoordingen worden ontleend aan NLR, aant. 5 op art. 246, die dit weer ontleent aan M. Zeegers, Seksuele delinquenten: forensisch psychiatrisch onderzoek, Amsterdam: Scheltema & Holkema 1966, p. 22.

4 TK 18 oktober 1990 12-583 - 12-584.

5 Kamerstukken II 1988/89, 20 930, nr. 5, p. 4-5.

6 Kamerstukken II 1990/91, 20 930, nr. 13, p. 4.

7 Een aan het bewijs van opzet gekoppeld probleem is of de dader op de hoogte was van de onvrijwilligheid van het slachtoffer:

"In het woord plegen ligt besloten dat de handelingen opzettelijk moeten zijn begaan. Louter toevallige lichamelijke aanrakingen vallen daar niet onder. Niet vereist is echter dat het opzet van de dader was gericht op de ontuchtigheid van de handelingen. Voldoende is dat hij wist of dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij in strijd waren met het geslachtelijk schaamtegevoel,"

aldus NLR in aant. 5 op art. 245.

8 Zie noot 7.

9 Zie de tabel 'Seksuele ervaring in vier leeftijdsgroepen' van de Rutgers Nisso Groep, kenniscentrum seksualiteit | Jongeren (2009, www.rng.nl). Het percentage jongeren in de leeftijdsgroep van respectievelijk 12-14 en 15-17 jaar dat ervaring met orale seks heeft loopt op van 9 naar 42%; voor vaginale seks loopt het percentage op van 7 naar 42%.

10 "De verschuivingen zijn niet groot: in 1995 was de leeftijd waarop de helft van de jongeren ervaring had met geslachtsgemeenschap 17,7, in 2005 was dat 17,3. De toename van het percentage jongeren met seksuele ervaring is ook vooral terug te vinden in de oudere groep tieners (vanaf 15 jaar),"

aldus H. de Graaf e.a., Tienerseks. Vormen van instrumentele seks onder tieners, Den Haag: WODC 2007, Samenvatting, p. 3. In sommige andere opzichten nemen veldexperts wel duidelijke verschuivingen waar, zie hierna punt 28.

11 HR 20 januari 1998, LJN ZD0909, NJ 1998, 337.

12 Rechtbank 's-Hertogenbosch 13 februari 2001, LJN AA9954, NJ 2001, 130; HR 14 oktober 2003, LJN AJ1457, NJ 2005, 183.

13 L.H.C. Hulsman, Criteria voor strafbaarstelling, in: Strafrecht te-recht? Baarn: Ambo 1972, p. 90.

14 Tienerseks (a.w), p. 29.

15 Tienerseks, p. 9.

16 Tienerseks, p. 12.

17 Tienerseks, p. 8.

18 Tienerseks, p. 31.

19 Uit het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 maart 2008 blijkt dat [betrokkene 3] bij onherroepelijke vonnis van de rechtbank d.d. 10 april 2007 is vrijgesproken van dit feit.

20 In verband met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker voor de helft voorwaardelijk.