Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK4463

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08/02056
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK4463
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling. Bezwaren tegen lijst der geldelijke regelingen. Art. 212 Landinrichtingswet (oud) schrijft niet voor dat deze lijst een gespecificeerde opgave bevat van kosten van landinrichting die art. 222 lid 4 ten laste van de gezamenlijke eigenaren brengt. Informatieverschaffing door landinrichtingscommissie.

Wetsverwijzingen
Landinrichtingswet 212
Landinrichtingswet 222
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 330
NJ 2010, 114
JWB 2010/73
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 08/02056

mr. L. Timmerman

Zitting 20 november 2009

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiseres 2]

3. [Eiseres 3]

4. [Eiser 4]

(hierna: [eiser] c.s.)

Eisers tot cassatie

tegen

De Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Haaksbergen",

(hierna: de Landinrichtingscommissie)

Verweerster in cassatie

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Het onderhavige geschil betreft de bezwaren van [eiser] c.s. tegen de door de Landinrichtingscommissie vastgestelde lijst der geldelijke regelingen. [Eiser] c.s. hebben op 24 oktober 2005 een pro forma bezwaar ingediend en op 5 december 2005 een aanvullend bezwaarschrift tegen de lijst der geldelijke regelingen.

1.2 De bezwaren van [eiser] c.s. zijn eerst door de Landinrichtingscommissie(2) en daarna door de rechter-commissaris(3) behandeld. Omdat geen overeenstemming kon worden bereikt tussen partijen over alle door [eiser] c.s. ingediende bezwaren, zijn partijen naar de terechtzitting van de Rechtbank Almelo verwezen. De rechtbank heeft partijen gehoord ter openbare terechtzitting op 17 december 2007.

1.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 19 maart 2008 [eiser] c.s. niet-ontvankelijk verklaard wat betreft de bezwaren met de nummers 1, 2, 10 en 21. De rechtbank heeft het bezwaar nummer 16 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

1.4 [Eiser] c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank d.d. 19 maart 2008.(4)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit 6 onderdelen.

Onderdeel I (bezwaar 9)

2.2 Onderdeel I richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 6) dat [eiser] c.s. de gestelde waardedaling als gevolg van mogelijke verdroging niet, althans onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is nu de rechtbank niet in gaat op de bevindingen zoals neergelegd in het KIWA rapport(5), welke bevindingen het standpunt van [eiser] ondersteunen. Het onderdeel betoogt dat dit rapport aan de rechtbank is overgelegd voor de behandeling van de bezwaren en dat het daarom onbegrijpelijk is dat de rechtbank in rov. 6 van het bestreden vonnis geoordeeld heeft dat [eiser] c.s. de gestelde waardedaling als gevolg van de verdroging niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

2.3 De motiveringsklacht van onderdeel 1 kan niet slagen. De rechtbank heeft in rov. 6 van het bestreden vonnis geoordeeld dat [eiser] c.s. de gestelde waardedaling als gevolg van mogelijke verdroging niet, althans onvoldoende, aannemelijk hebben gemaakt, zodat er geen plaats is voor nadere bewijslevering. De rechtbank is hierbij niet inhoudelijk ingegaan op de bevindingen van het KIWA rapport waarop [eiser] c.s. een beroep hebben gedaan maar heeft het voorshands niet aannemelijk geacht dat er sprake is van een verdroging die een waardedaling van het bosperceel met zich mee zou brengen. De rechtbank heeft in dit kader gewezen op de modelberekening die aan de orde is geweest bij de behandeling van de klachten door de Landinrichtingscommissie. Daaruit blijkt dat de verlaging van de grondwaterstand zo gering is dat wortelstelsels van bomen zich daaraan moeiteloos kunnen aanpassen zodat de feitelijke situatie nauwelijks veranderd is. De rechter is hiermee uitgegaan van een feitelijk vermoeden dat er geen sprake is van een verdroging die kan leiden tot een waardedaling van het bosperceel en heeft in het KIWA rapport geen aanleiding gezien om hierover van mening te veranderen. De rechtbank heeft dit (feitelijke) oordeel in rov. 6 van het bestreden vonnis voldoende inzichtelijk gemaakt zodat de motiveringsklacht in onderdeel I niet kan slagen.

Onderdeel II (bezwaren 11, 20 en 22)

2.4 De bezwaren 11, 20 en 22 hebben betrekking op de grote hoeveelheid bomen die zijn gekapt in het kader van de kavelaanvaardingswerkzaamheden. Om hun toedeling voor agrariërs acceptabel te maken, zijn bomen en houtwallen gekapt. [Eiser] c.s. betogen dat zij als gevolg hiervan tweeledig schade hebben geleden. I) Zij betogen dat de kosten die nu in rekening zijn gebracht onder de post kavelaanvaardingswerkzaamheden te hoog zijn, omdat veel meer werkzaamheden zijn uitgevoerd dan noodzakelijk en omdat daarbij is afgeweken van de in het stemmingsrapport opgenomen uitgangspunten. II) Daarnaast betogen [eiser] c.s. dat zij schade hebben geleden in de vorm van waardevermindering van hun eigendommen omdat het landschap minder aantrekkelijk is geworden, waardoor met name de gebouwde eigendommen waardevermindering hebben ondergaan.

2.5 Onderdeel II bestaat uit twee subonderdelen. Subonderdeel A richt zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 8) dat de omvang van de kavelaanvaardingswerken worden bepaald door de inhoud van het plan van toedeling en dat zulks betekent dat over de omvang van die werkzaamheden niet meer kan worden geklaagd in het kader van de lijst der geldelijke regelingen. Subonderdeel B richt zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 8) dat de door [eiser] c.s. geclaimde waardedaling van hun eigendommen als gevolg van de boomkap niet voor vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen in aanmerking komt.

Subonderdeel A

2.6 Subonderdeel A betoogt dat het oordeel van de rechtbank, dat over de omvang van de kavelaanvaardingswerkzaamheden niet meer kan worden geklaagd in het kader van de lijst der geldelijke regelingen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel betoogt dat art. 196 Liw bepaalt uit welke onderdelen het plan van toedeling bestaat en dat de kavelaanvaardingswerkzaamheden in die opsomming niet voorkomen. Het subonderdeel betoogt dan ook dat, anders dan de rechtbank oordeelt, de omvang van kavelaanvaardingswerkzaamheden niet rechtstreeks en onvermijdelijk voortvloeit uit het plan van toedeling. Verder betoogt het subonderdeel dat het oordeel van de rechtbank, dat het algemene bezwaar van [eiser] c.s. tegen de omvang van de uitgevoerde kavelaanvaardingswerkzaamheden als te algemeen geformuleerd dient te worden verworpen, onbegrijpelijk gemotiveerd is.

2.7 [Eiser] c.s. hebben geen belang in cassatie bij de rechtsklacht in subonderdeel A. De rechtbank heeft in rov. 8 geoordeeld dat de door [eiser] c.s. gestelde schade als gevolg van de kap van de bomen, voor zover reëel, niet voor vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen in aanmerking komt omdat het geen schade betreft die is ontstaan door een waardeverschil tussen een ingebracht perceel en een verkregen perceel of door werkzaamheden die zijn uitgevoerd op het eigen perceel. De rechtbank overwoog dat daarnaast de omvang van de uitgevoerde kavelwerkzaamheden (en dus de hoogte van de hiermee samenhangende kosten) wordt bepaald door de inhoud van de plan van toedeling en dat hier bij de bezwarenbehandeling tegen de lijst der geldelijke regelingen niet over kan worden geklaagd omdat de omvang daarvan in beginsel vaststaat bij de vaststelling van het plan van toedeling. De rechtbank was verder van oordeel dat, nu [eiser] c.s. evenmin hebben gewezen naar specifiek uitgevoerde werken in strijd met "de ingestemde plannen", dit bezwaar als te algemeen geformuleerd te worden verworpen. Deze overweging is m.i. de dragende grond voor het oordeel van de rechtbank in rov. 8 dat de bezwaren 11, 20 en 22 ongegrond zijn. Het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar tegen de uitgevoerde kavelaanvaardingswerkzaamheden te algemeen geformuleerd is en dat [eiser] c.s. dus niet hebben voldaan aan de substantiëringsplicht wordt niet bestreden in subonderdeel A. Naar mijn mening mist de klacht in subonderdeel A dan ook belang in cassatie omdat het zich richt tegen een niet dragende overweging van de rechtbank.

Subonderdeel B

2.8 Subonderdeel B richt zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 8) dat de door [eiser] c.s. geclaimde schade als gevolg van de kap van de bomen niet voor vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen in aanmerking komt. Het subonderdeel betoogt dat de artt. 212 lid 1 aanhef en onder b jo 210 lid 1 aanhef en onder b Liw zien op de verandering in waarde voor zover die is ontstaan door de kavelaanvaardingswerkzaamheden en dat deze verandering in waarde wordt verrekend in de toedeling of in geld, in welk laatste geval dat tot uitdrukking wordt gebracht in de lijst der geldelijke regelingen. Het subonderdeel betoogt verder dat art. 144 lid 2, waarnaar art. 210 lid 1 aanhef en onder b Liw verwijst, ongeclausuleerd is, in die zin dat daarin niet is bepaald dat die waardeverandering alleen wordt verrekend, indien die het gevolg is van in art. 128 Liw bedoelde werken die op eigen grond zijn uitgevoerd. De rechtbank miskent verder, zo betoogt het subonderdeel, dat de lijst der geldelijke regelingen ook de uitkomsten bevat van de schatting van de veranderingen van de waarde van de gronden en overige onroerende zaken als gevolg van de landinrichting die niet zijn veroorzaakt door de kavelaanvaardingswerkzaamheden. Betoogd wordt dat de artt. 212 lid 1 aanhef en onder a jo 210 lid 1 aanhef en onder a Liw zien op waardeveranderingen die door de landinrichting in zijn algemeenheid zijn veroorzaakt en dat het rooien van bomen buiten de in de herverkaveling betrokken gronden hieronder valt.

2.9 [Eiser] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld schade te hebben geleden in de vorm van waardevermindering van hun eigendommen omdat het landschap rond hun eigendommen minder aantrekkelijk is geworden als gevolg van de kap van bomen die heeft plaatsgevonden in het kader van kavelaanvaardingswerkzaamheden. De rechtbank heeft in rov. 8 van het bestreden vonnis geoordeeld dat deze schade, voor zover reëel, niet voor vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen in aanmerking komt omdat het geen schade betreft die door een waardeverschil tussen een ingebracht perceel en een verkregen perceel of door werkzaamheden die zijn uitgevoerd op het eigen perceel is ontstaan. Naar mijn mening mist de klacht in subonderdeel B feitelijke grondslag voor zover deze betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat alle waardeveranderingen als gevolg van de landinrichting aan de orde kunnen komen in de procedure tegen de lijst der geldelijke regelingen en niet alleen waardeveranderingen als gevolg van werkzaamheden op het ingebrachte of verkregen perceel. De rechtbank heeft in rov. 8 van het bestreden vonnis tot uitdrukking gebracht van oordeel te zijn dat de door [eiser] c.s. geclaimde schade als gevolg van de kap van de bomen niet het gevolg is van de landinrichting en om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt via de lijst der geldelijke regelingen. De landinrichtingscomissie heeft zich op het standpunt gesteld dat op de kap van de bomen in de omgeving van de herverkaveling een apart wettelijk kader van toepassing is, de Boswet en de gemeentelijke kapverordeningen, dat in beginsel de herplant vereist van de gekapte bomen (artikel 3 lid 1 Boswet). De Landinrichtingscommissie heeft hierbij gewezen op het feit dat [eiser] c.s. juist bezwaar hebben gemaakt tegen deze herplant in het kader van het plan van toedeling en dat dus niet gezegd kan worden dat de door [eiser] c.s geclaimde schade het gevolg is van de landinrichting zodat deze niet voor vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen in aanmerking komt.(6) De rechtbank heeft dit standpunt overgenomen in rov. 8 van het bestreden vonnis en geoordeeld dat de door [eiser] c.s. geclaimde schade niet het gevolg is van de landinrichting en om die reden niet in aanmerking komt voor vergoeding in het kader van de onderhavige procedure.

Onderdeel III (compensatie gekapte bomen)

2.10 Onderdeel III richt zich met een motiveringsklacht tegen de vaststelling door de rechtbank in rov. 13 van het bestreden vonnis dat aannemer [betrokkene 1] de ontbrekende compensatieverplichting inmiddels heeft aangebracht. Het onderdeel betoogt dat deze vaststelling onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen [eiser] c.s. blijkens de pleitnota van 17 december 2007, sub 77, heeft aangevoerd. Het onderdeel betoogt dat [eiser] c.s. hierbij de vraag aan de orde hebben gesteld of het planten van bomen, waartoe toch al besloten was in het landschapsplan, mag worden aangemerkt als compensatie voor bomen waarvan, naar [eiser] c.s. blijkens de pleitnota van 17 december 2007, sub 55-62 heeft gesteld, de kap niet alleen niet in het landschapsplan was voorzien, maar die in dat plan bovendien als "te handhaven" waren aangemerkt. De rechtbank, zo betoogt het onderdeel, heeft deze vraag ten onrechte onbeantwoord gelaten waardoor zijn oordeel in rov. 13 onbegrijpelijk gemotiveerd is.

2.11 Deze motiveringsklacht in onderdeel III kan niet slagen. De klacht mist feitelijke grondslag voor zover deze betoogt dat de vaststelling van de rechtbank dat de ontbrekende compensatieverplichting reeds is aangebracht door aannemer [betrokkene 1] onbegrijpelijk gemotiveerd is gezien de door [eiser] c.s. opgeworpen vraag met betrekking tot de kap van de bomen in sub 77 van de pleitnota van 17 december 2007. Uit nr. 21 op blz. 14 van het procesverbaal van de behandeling van de bezwaren door de Landinrichtingscommissie d.d. 31 mei 2007 kan worden opgemaakt dat ter zitting bij de Landinrichtingscommissie is vastgesteld dat aannemer [betrokkene 1] de ontbrekende compensatiebeplanting inmiddels heeft aangebracht met uitzondering van de strook beplanting langs de Zoddebeek. [eiser] c.s. hebben deze feitelijke vaststelling niet bestreden maar slechts in sub 78 van de pleitnota d.d. 17 december 2007 aangevoerd dat de oplossing die gekozen is voor compensatieverplichting voor de strook langs de Zoddebeek de aantasting van het landschap als gevolg van het kappen van grote eiken niet compenseert. De rechtbank heeft in rov. 13 van het bestreden vonnis geconstateerd dat door de Landinrichtingscommissie is vastgesteld dat aannemer [betrokkene 1] de ontbrekende compensatiebeplanting inmiddels heeft aangebracht met uitzondering van de strook langs de Zoddebeek maar dat ten aanzien hiervan ter zitting bij de Landinrichtingscommissie onweersproken is gesteld dat in overleg met het waterschap en de provincie is besloten om de inplantverplichting te laten vervallen omdat is gekozen voor een andere oplossing. Deze vaststelling is geenszins onbegrijpelijk gemotiveerd in het licht van de stellingen van [eiser] c.s. in de pleitnota van 17 december 2007 omdat [eiser] c.s. hierbij niet bestrijden dat de inplantverplichting ten aanzien van de strook langs de Zoddebeek is komen te vervallen als gevolg van de afspraak tussen het waterschap en de provincie maar slechts aanvoeren dat deze oplossing de aantasting van het landschap niet compenseert. De rechtbank was niet verplicht om in te gaan op deze stelling van [eiser] c.s. omdat deze buiten de rechtsstrijd tussen partijen ligt.

Onderdeel IV (kavelaanvaardingswerkzaamheden)

2.12 Onderdeel IV richt zich met een motiveringsklacht tegen de overweging van de rechtbank in rov. 9 dat [eiser] c.s. zich ter zitting niet meer hebben uitgelaten over bezwaarnumer 13. Het onderdeel betoogt dat [eiser] c.s. in sub 33 t/m 38 van de pleitnota van 17 december 2007 bezwaarnummer 13 ook uitgebreid besproken hebben en dat de rechtbank dus ten onrechte in rov. 9 heeft overwogen dat [eiser] c.s. zich niet meer over bezwaar 13 hebben uitgelaten. Het onderdeel betoogt verder dat de rechtbank hierdoor ten onrechte de argumenten die [eiser] c.s. in dit verband bij pleidooi naar voren hebben gebracht onbesproken heeft gelaten.

2.13 Naar mijn mening mist de klacht in onderdeel IV belang in cassatie. De rechtbank heeft in rov. 9 inderdaad ten onrechte overwogen dat [eiser] c.s. zich niet meer hebben uitgelaten over bezwaarnummer 13 terwijl uit de pleitnota van 17 december 2007 blijkt dat [eiser] c.s. zich inhoudelijk hebben uitgelaten over bezwaar 13 en dit bezwaar hebben gehandhaafd. Maar uit rov. 9 van het bestreden vonnis blijkt ook dat de rechtbank ervan uit is gegaan dat [eiser] c.s. dit bezwaar hebben gehandhaafd in de procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft immers in rov. 9 aangenomen dat [eiser] c.s. bezwaar 13 hebben gehandhaafd en heeft dit bezwaar inhoudelijk behandeld alvorens het ongegrond te verklaren.

Onderdeel V (post ontsluiting en puntenberekening)

2.14 Het onderdeel betoogt dat, nu de rechtbank in rov. 11 van het bestreden vonnis van oordeel is dat bezwaarnummer 16 gegrond is, de rechtbank de lijst der geldelijke regelingen op grond van de artt. 216 aanhef en onder c jo. 185 lid 4 Liw had moeten wijzigen. Verder betoogt het onderdeel dat voor zover de rechtbank in rov. 11 er voor heeft gekozen om de Landinrichtingscommissie alsnog een deugdelijke met de inbrengsituatie vergelijkbare ontsluiting te laten aanleggen, zij heeft nagelaten de Landinrichtingscommissie daartoe in het dictum ook daadwerkelijk te veroordelen.

2.15 Naar mijn mening kan de klacht in onderdeel V, voor zover deze betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de Landinrichtingscommissie in het dictum te veroordelen zorg te dragen voor een deugdelijke met de inbrengsituatie vergelijkbare ontsluiting, niet slagen. De rechtbank heeft in rov. 11 van het bestreden vonnis geoordeeld dat bezwaarnummer 16 gegrond is en dat de waardering voor ontsluiting bij inbreng met 20 punten niet gerechtvaardigd is. De rechtbank overwoog verder dat nu het bezwaar gegrond is de Landinrichtingscommissie dient zorg te dragen voor een deugdelijke met de inbrengsituatievergelijkbare ontsluiting. In het dictum heeft de rechtbank de Landinrichtingscommissie echter niet veroordeeld om zorg te dragen voor een deugdelijke ontsluiting maar slechts geoordeeld dat bezwaar 16 gegrond is. In de schriftelijke toelichting aan de zijde van [eiser] c.s. wordt er op gewezen dat het dictum in casu niet bruikbaar zou zijn omdat er sprake is van onduidelijkheid in de formulering en een discrepantie tussen de aangekondigde beslissing en het dictum. Naar mijn mening missen deze klachten feitelijke grondslag omdat er geen sprake is van een discrepantie of onduidelijkheid in de formulering van het dictum. De rechtbank heeft in rov. 11 het bezwaar met het nr. 16 gegrond verklaard en geoordeeld dat de Landinrichtingscommissie dient zorg te dragen voor een deugdelijke met de inbrengsituatie vergelijkbare ontsluiting. Het feit dat de rechtbank in het dictum slechts heeft opgenomen dat bezwaar 16 gegrond is doet niet af aan de veroordeling van de Landinrichtingscommissie door de rechtbank om zorg te dragen voor een deugdelijke ontsluiting.

2.16 Naar mijn mening kan de klacht in onderdeel V, voor zover deze betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de lijst der geldelijke regelingen te wijzigingen nu zij bezwaar 16 gegrond heeft verklaard, niet slagen. De rechtbank heeft er voor gekozen om niet de lijst der geldelijke regelingen aan te passen op dit punt maar de Landinrichtingscommissie op te dragen voor een deugdelijke met de inbrengsituatie vergelijkbare ontsluiting te zorgen. De rechtbank is niet verplicht om de lijst der geldelijke regelingen aan te passen indien zij dit niet nodig acht teneinde tegemoet te komen aan het ingediende bezwaar. Art. 185 lid 4 Liw bepaalt immers dat de rechtbank zonodig het register van schattingsuitkomsten wijzigt, in dit geval achtte de rechtbank een wijziging niet nodig wanneer de Landinrichtingscommissie zou zorg dragen voor een verbeterde ontsluiting en heeft de rechtbank er voor gekozen de Landinrichtingscommissie hiertoe te veroordelen. Naar mijn mening getuigt dit oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Onderdeel VI (gebrekkige tervisielegging LGR/onderliggende bescheiden)

2.16 Onderdeel VI richt zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de rechtbank, in rov. 12 van het bestreden vonnis, dat de Landinrichtingscommissie heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in art. 213 Liw. Het onderdeel betoogt dat op grond van de artt. 212 lid 1 jo. 210 lid 1 onder a, jo. art. 223 lid 1 de lijst der geldelijke regelingen een zo nauwkeurig mogelijk opgave van de kosten van landinrichting voor de betrokken eigenaren moet bevatten. Het onderdeel betoogt dat zich daarmee niet verhoudt dat in casu geen sluitende verantwoording is verstrekt van de kosten die de kavelinrichtings- en kavelaanvaardingswerken met zich hebben meegebracht zodat niet na te gaan is welke bedragen waaraan zijn besteed. Betoogd wordt dat waneer de eigenaar niet kan nagaan wat de kosten van landinrichting zijn geweest, de rechtsbescherming van de eigenaar illusoir wordt.

2.17 De rechtbank heeft zich in rov. 12 aangesloten bij het standpunt van de Landinrichtingscommissie dat uit art. 213 Liw niet de verplichting voortvloeit voor de Landinrichtingscommissie om alle gegevens met betrekking tot de vaststelling van de kosten van de ruilverkaveling ter inzage te leggen. De Landinrichtingscommissie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van art 213 Liw de Landinrichtingscommissie slechts verplicht is om de lijst der geldelijke regelingen gedurende één maand voor een ieder ter inzage te leggen. De rechtbank heeft dit standpunt overgenomen. Naar mijn mening heeft de rechtbank hiermee geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bepaalde in art. 213 Liw. Op grond van art. 213 lid 2 Liw is de Landinrichtingscommissie slechts verplicht om de lijst der geldelijke regelingen en het in art. 210 lid 3 Liw bedoelde proces-verbaal met de door de centrale commissie aan de schatters verstrekte aanwijzingen voor het uitvoeren van de tweede schatting ter inzage te leggen. Uit art. 213 Liw vloeit niet de verplichting voort voor de Landinrichtingscommissie om alle gegevens met betrekking tot de berekening van de landinrichtingskosten ter inzage te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Landinrichtingscommissie voldaan aan de verplichtingen in art. 213 Liw door de lijst der geldelijke regelingen ter inzage te leggen en door via brieven de omvang van de kavelaanvaardingswerken en de daaraan verbonden kosten voldoende inzichtelijke te maken aan [eiser] c.s. Naar mijn mening getuigt dit oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zoals vastgesteld door de rechtbank in het vonnis van 19 maart 2008.

2 De behandeling door de Landinrichtingscommissie heeft plaats gevonden op 19 februari 2007 en 1 maart 2007, hiervan is op 31 mei 2007 proces-verbaal van opgemaakt.

3 De behandeling door de rechter-commissaris heeft plaats gevonden op 21 augustus 2001, hiervan is proces-verbaal van opgemaakt.

4 Op grond van art. 182 lid 1 Liw is de cassatietermijn 30 dagen. De in art. 182 lid 2 Liw bedoelde verklaring ter griffie is binnen de hiervoor gestelde 30 dagen afgelegd op 17 april 2008.

5 Het KIWA rapport waarnaar in rov. 6 van het bestreden vonnis wordt verwezen bevindt zich noch in het A dossier noch in het B dossier, ik heb het rapport daarom door de griffie laten opvragen bij de rechtbank te Almelo.

6 Zie pleitnota M. Rus-van der Velde voor de zitting van 17 december 2007, par 3.8.4.