Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK4179

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08/01673
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2008:BC7360
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK4179
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanhoudingsverzoek. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de AG onder 6 t/m 11 kan het middel niet tot cassatie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 08/01673

Mr Jörg

Zitting 17 november 2009

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 21 maart 2008 verzoeker wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren.

2. Namens verzoeker hebben mr. J.M. Eelman en mr. G.G.J. Knoops, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 278 Sv, art. 311 Sv en art. 6 EVRM en op onbegrijpelijke en ongenoegzame gronden heeft afgewezen het door de raadsman van verzoeker op de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 gedane verzoek tot aanhouding van de zaak in verband met het feit dat verzoeker in hongerstaking was en het dientengevolge medisch niet verantwoord was dat hij aanwezig was.

4. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) Het vonnis van de rechtbank te Breda van 11 mei 2006 houdt in dat verzoeker op tegenspraak is veroordeeld.

(ii) Een schriftelijke verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv vermeldt dat verzoeker op 15 mei 2006(1) hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

(iii) Een akte van uitreiking van de dagvaarding van verzoeker voor de terechtzitting van het hof van 31 oktober 2006 houdt in dat die dagvaarding op 29 september 2006 in persoon is uitgereikt aan verzoeker op diens detentieadres.

(iv) Een schrijven van 30 oktober 2006 van mr. V.A. Vreeling, advocate te Amsterdam,(2) gericht aan de voorzitter van het hof, inhoudende het verzoek tot aanhouding van de zaak in verband met onderzoek naar het vermoedelijk gebruikte vuurwapen en aantal "open einden" in het dossier.

(v) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2006 vermeldt dat verzoeker aldaar is verschenen en dat als raadsvrouwe van verzoeker ter terechtzitting aanwezig is mr. V.A. Vreeling, advocate te Amsterdam. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voorts in dat het hof het onderzoek ter terechtzitting naar aanleiding van door de verdediging gedane verzoeken heeft geschorst tot de terechtzitting van 16 januari 2007 (pro forma) teneinde door het NFI onderzoek te laten verrichten naar het vuurwapen, nader onderzoek te laten verrichten in een auto en naar de telefoongegevens van verzoeker, een deskundige en een drietal getuigen op de terechtzitting te horen en een vijftal getuigen bij de rechter-commissaris te doen horen. Het hof heeft vervolgens medegedeeld dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden op de terechtzitting van 3 april 2007.

(vi) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2007 houdt in dat verzoeker aldaar is verschenen en dat als raadsvrouwe van verzoeker ter terechtzitting aanwezig is mr. H. Bos, advocate te Amsterdam. Het proces-verbaal vermeldt voorts dat het hof het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 2 mei 2007 in verband met het op verzoek van de verdediging horen van een tweetal getuigen.

(vii) Een faxbericht van 18 april 2007 van mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam, gericht aan de voorzitter van het hof, inhoudende

- de mededeling dat hij zich heeft gesteld als toegevoegde raadsman van verzoeker en dat hij mr. H.J. Bos is opgevolgd en

- het verzoek de zaak aan te houden in verband met een gebrek aan voorbereidingstijd.

(viii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2007 vermeldt dat verzoeker aldaar niet is verschenen maar dat als raadsman van verzoeker ter terechtzitting wel aanwezig is mr. G.J. van der Meer, en dat deze heeft verklaard dat hij uitdrukkelijk door verzoeker is gemachtigd de verdediging te voeren. Het proces-verbaal houdt voorts in dat het hof conform het verzoek van de raadsman het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 6 juli 2007 (pro forma). Het hof heeft daarbij bepaald dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet op de terechtzitting van 15 augustus 2007.

(ix) Een akte van uitreiking van de oproeping van verzoeker om te verschijnen op de terechtzittingen van het hof van 6 juli 2007 en 15 augustus 2007 (inhoudelijke behandeling) vermeldt dat die oproeping op 16 mei 2007 in persoon is uitgereikt aan verzoeker op diens detentieadres.

(x) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 augustus 2007 vermeldt dat verzoeker aldaar is verschenen en dat als raadsman van verzoeker mede ter terechtzitting aanwezig is mr. G.J. van der Meer. Het proces-verbaal houdt voorts in dat het hof het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 12 oktober 2007 (pro forma) in verband met het op verzoek van de verdediging horen van een getuige. Het hof heeft daarbij bepaald dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet op de terechtzitting van 16 november 2007.

(xi) Een faxbericht van 26 oktober 2007 van mr. W.H. Jebbink (een kantoorgenoot van de raadsman van verzoeker mr. G.J. van der Meer) gericht aan de voorzitter van het hof, inhoudende het verzoek tot aanhouding van de zaak in verband met het verrichten van onderzoek door prof. dr. W.A. Wagenaar naar de kwaliteit van de door verzoeker bij de politie afgelegde verklaringen.

(xii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2007 houdt in dat verzoeker aldaar is verschenen en dat als raadsman van verzoeker mede ter terechtzitting aanwezig is mr. G.J. van der Meer. Het proces-verbaal vermeldt voorts dat het hof het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 12 februari 2008 (pro forma) in verband met het op verzoek van de verdediging te verrichten onderzoek door prof. dr. W.A. Wagenaar. Het hof heeft daarbij bepaald dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet op de terechtzitting van 11 maart 2008 en verzoeker aangezegd op voornoemde data aanwezig te zijn.

(xiii) Een faxbericht van 10 maart 2008 van mr. G.J. van der Meer gericht aan de voorzitter van het hof, inhoudende het verzoek de zaak aan te houden gelet op het aan hem overhandigde bericht van de (inrichtings)arts M. Mutsaerts van 7 maart 2007. Dit - aan het faxbericht gehechte - bericht van de arts van de penitentiaire inrichting "Nieuw Vosseveld" te Vught vermeldt dat deze arts heeft verklaard dat verzoeker vanaf 30 december 2007 in hongerstaking is, dat zijn fysieke conditie derhalve ernstig is verzwakt, dat hij vrijwel de gehele dag bedlegerig is, en dat de arts het medisch niet verantwoord acht dat verzoeker aanwezig is op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2008.

(xiv) Een door verzoeker ondertekende "afstandsverklaring" van 11 maart 2008 houdt in dat verzoeker heeft verklaard afstand te doen van zijn recht om op 11 maart 2008 aanwezig te zijn bij zijn terechtzitting.

(xv) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 vermeldt dat verzoeker aldaar niet is verschenen maar dat als raadsman van verzoeker ter terechtzitting wel aanwezig is mr. G.J. van der Meer voornoemd.

(xvi) Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt voorts onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat heden ter griffie van het hof is ingekomen een faxbericht, houdende een verklaring van verdachte dat hij afstand doet om ter terechtzitting van heden aanwezig te zijn.

De raadsman deelt mede dat hij deze afstandsverklaring niet kent.

Aan de raadsman wordt vervolgens gelegenheid gegeven kennis te nemen van deze afstandsverklaring.

De voorzitter deelt vervolgens mede de korte inhoud van een brief van de raadsman van 10 maart 2008, op die datum per faxbericht verzonden aan het hof, strekkende tot aanhouding van de zaak. Deze brief is voorzien van een bijlage gedateerd 7 maart 2008 afkomstig van M. Mutsaerts, arts te PI Nieuw Vosseveld, waarin wordt medegedeeld, kort gezegd, dat verdachte in hongerstaking is en dat het medisch niet verantwoord is dat hij heden ter terechtzitting van het hof aanwezig is.

(...)

De raadsman deelt mede dat het verzoek tot aanhouding wordt geacht hier mondeling te zijn herhaald en dat hij zulks met zijn cliënt heeft besproken.

De raadsman verzoekt het hof om een korte onderbreking, teneinde telefonisch overleg met zijn cliënt te kunnen voeren.

(...)

De raadsman deelt mede als volgt.

Ik heb contact gehad met mijn cliënt. Hij wil bij de terechtzitting aanwezig zijn en heeft mij gevraagd om een aanhoudingsverzoek te doen. De afstandsverklaring is hem naar zijn zeggen gebracht in het kader van het transport. Vanuit de gedachte dat heden een verzoek tot aanhouding zou worden gedaan en daar het voor hem niet mogelijk was om naar de zitting te komen, heeft hij de afstandsverklaring ondertekend.

Het verzoek tot aanhouding kan voorts als volgt worden toegelicht. Verdachte wil gaarne bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zijn. Dit geldt eens te meer als op de zitting getuigen worden gehoord. Verdachte wil wel aanwezig zijn maar is daartoe niet in staat. De arts vindt het medisch onverantwoord om verdachte hier aanwezig te laten zijn. Zulks heeft de arts neergelegd in de schriftelijke verklaring die u zojuist heeft voorgehouden. Verdachte is sedert 30 december 2007 in hongerstaking. Die hongerstaking heeft geen betrekking op deze zaak maar op de omstandigheden van zijn detentie. Herhaaldelijk heeft verdachte namelijk verzocht om overgeplaatst te worden. Hij was in de veronderstelling dat hij naar Nieuwegein overgeplaatst zou worden. Dat is echter niet gebeurd. Het is voor verdachte heel belangrijk dat hij op de zitting aanwezig kan zijn zodat hij vragen aan de getuige kan stellen.

Ik ben niet uitdrukkelijk gemachtigd om verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Ik hoor u, voorzitter, zeggen dat reeds op 16 november 2007 is beslist dat de zaak heden inhoudelijk verder zou worden behandeld, onder meer voor het horen van voornoemde getuige. U, voorzitter, houdt mij voor dat verdachte de mogelijkheid om te verschijnen zelf in de hand heeft.

Ik kan u niet zeggen wat ik met cliënt bespreek. De hongerstaking heeft, zoals gezegd, een apart motief. Het is niet juist dat het aanhoudingsverzoek zou dienen te worden afgewezen omdat verdachte zelf aan de situatie heeft meegewerkt die tot zijn afwezigheid heeft geleid. Verdachte heeft de beslissing in een ander verband genomen. De inrichtingsarts heeft geadviseerd dat het medisch niet verantwoord is als verdachte ter terechtzitting aanwezig is.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.

Ik heb gisteren de raadsman nog gesproken. Ik heb hem toen medegedeeld dat ik me hierbij niet kan neerleggen. Verdachte kiest er zelf voor om in hongerstaking te gaan. Het regime van de detentie was daarop niet van invloed. Verdachte wil kennelijk de beschikking hebben over een douche en ook kan hij niet met medegedetineerden overweg. Dat zijn geen redenen om in hongerstaking te gaan.

Ook heb ik de inrichtingsarts gesproken. Deze heeft mij medegedeeld dat verdachte niet van plan is zijn hongerstaking op te geven. Er is dus geen uitzicht op herstel.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof het volgende mede.

Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek wordt afgewezen. Het hof heeft daarbij verdachtes belang, aanwezig te zijn bij de verdere behandeling, afgewogen tegen de belangen gemoeid met een voorspoedige voortgang van de zaak, in het bijzonder de belangen van de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer]. Reeds op 16 november 2007 is aan verdachte aangezegd dat vandaag de behandeling van de zaak, die reeds vele malen is aangehouden, zou worden voortgezet en nadien, te weten vanaf 30 december 2007, is verdachte in hongerstaking gegaan. Verdachte heeft aldus kennelijk welbewust een keuze gemaakt tussen de mogelijkheden om ter terechtzitting te verschijnen en zijn hongerstaking. Verdachte heeft ook de mogelijkheid gehad om zijn hongerstaking tijdelijk te onderbreken. Verdachte heeft er voor gekozen om zijn hongerstaking voort te zetten, waardoor hij heden niet zou verschijnen.

De raadsman van verdachte verlaat hierop de zittingzaal."

(xvii) Blijkens genoemd proces-verbaal heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden en is het gesloten, waarna het hof op 21 maart 2008 uitspraak heeft gedaan, waarbij het verzoeker heeft veroordeeld.

5. Blijkens de toelichting klaagt het middel erover dat het hof aan de afwijzing van het verzoek tot aanhouding een onbegrijpelijke redenering ten grondslag heeft gelegd omdat

(a) van een "welbewuste keuze" van verzoeker geen sprake kan zijn geweest;

(b) uit de ingebrachte medische verklaring volgt dat verzoeker om medische redenen niet ter terechtzitting kon verschijnen;

(c) de achterstelling van "verdachtes belang" bij het belang van de "voortgang van de zaak" onbegrijpelijk is te achten;

(d) het hof inbreuk heeft gemaakt op art. 6 EVRM door verzoeker zonder enige vorm van verdediging ter terechtzitting te laten maar wel een cruciale getuige ([getuige]) te horen zonder aanwezigheid van een raadsman, terwijl het hof de verklaring van die getuige voor het bewijs heeft gebezigd.

6. Het bij faxbericht van 10 maart 2008 gedane en op de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 herhaalde verzoek van de raadsman van verzoeker tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting, is een verzoek als bedoeld in art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 328 Sv en art. 415 (oud) Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is ingevolge art. 281, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415 (oud) Sv of het belang van het onderzoek de schorsing vordert.

7. In de hiervoor onder 4 sub xvi weergegeven overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat het hof het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft afgewezen, omdat het belang van het onderzoek de schorsing niet vorderde. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.

8. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat, indien een verdachte door ziekte(3) is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of doen verzoeken, de rechter in beginsel aan dit verzoek voldoet teneinde de verdachte alsnog de gelegenheid te geven bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting aanwezig te zijn. Dit spruit voort uit het onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de verdachte. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering - welke omvat afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn - ernstig in het gedrang zou komen, indien het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn.(4)

9. Het staat ter beoordeling van de rechter of hij de aangevoerde reden aannemelijk en van voldoende gewicht acht en of het belang van een behoorlijke strafvordering de voorrang moet hebben boven het belang van de verdachte bij aanhouding.

10. In de hiervoor onder 4 sub xvi weergegeven afwijzing door het hof van het verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting ligt als zijn oordeel besloten dat in dit geval de belangen gemoeid met een voorspoedige voortgang van de zaak, in het bijzonder de belangen van de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer], dienden te prevaleren boven het belang van verzoeker om bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Ik herhaal nog even de overwegingen van het hof: reeds op 16 november 2007 is aan verzoeker aangezegd dat op 11 maart 2008 de behandeling van zijn zaak, die reeds vele malen is aangehouden, zou worden voortgezet, terwijl verzoeker vanaf 30 december 2007 in hongerstaking is gegaan; verzoeker heeft kennelijk welbewust een keuze gemaakt tussen de mogelijkheden om ter terechtzitting te verschijnen en zijn hongerstaking; hij heeft de mogelijkheid gehad zijn hongerstaking tijdelijk te onderbreken; hij heeft er evenwel voor gekozen zijn hongerstaking voort te zetten, waardoor hij niet ter terechtzitting kon verschijnen.

11. Aan verzoeker, die in hoger beroep vijf verschillende raadslieden heeft versleten,(5) is op de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2007 overeenkomstig art. 319, eerste lid, Sv in verbinding met art. 415 (oud) Sv het tijdstip aangezegd waarop hij bij de hervatting van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 11 maart 2008 aanwezig moest zijn. Vervolgens is verzoeker op 30 december 2007 in hongerstaking gegaan, waardoor hij niet in staat was op die terechtzitting aanwezig te zijn. Het hof heeft eerdere verzoeken tot aanhouding van de verdediging van 30 oktober 2006, 18 april 2007 en 26 oktober 2007 wel gehonoreerd, terwijl diverse door de verdediging gedane verzoeken ertoe hebben geleid dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in totaal reeds vijf keer was geschorst. Voorts is verzoeker vier keer ter terechtzitting in hoger beroep verschenen, zodat hij in hoger beroep wel degelijk zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen uitoefenen en in de gelegenheid is geweest ten overstaan van de raadsheren van het hof zijn lezing van het gebeurde en van de wijze van totstandkoming van zijn bekennende verklaringen te geven, zoals hij met name op de zitting van 3 april 2007 heeft gedaan. Bovendien heeft de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 medegedeeld dat de inrichtingsarts hem heeft verteld dat verzoeker niet van plan was zijn hongerstaking op te geven en dat er dus geen uitzicht op herstel was, terwijl door de raadsman van verzoeker niet is aangegeven op welke termijn te verwachten was dat verzoeker (zijn hongerstaking zou beëindigen en) op een nadere terechtzitting zou kunnen verschijnen. Daarnaast waren een getuige ([getuige], die reeds vijf keer eerder, waarvan vier met bevel medebrenging, tevergeefs was opgeroepen) en de zwager van het vermoorde slachtoffer die namens de weduwe een slachtofferverklaring wenste voor te lezen, wel op die terechtzitting verschenen. Tenslotte had op die terechtzitting de verdediging namens verzoeker het woord kunnen voeren indien verzoeker zijn raadsman had gemachtigd het woord te voeren.(6),(7) Uiteraard is een verdachte niet verplicht een machtiging te verlenen,(8) maar van een bepaalde proceshouding kan een zekere invloed uitgaan.(9)

12. Het oordeel van het hof dat de belangen gemoeid met een voorspoedige voortgang van de zaak en meer in het bijzonder de belangen van de nabestaanden van het slachtoffer dienden te prevaleren boven het belang van verzoeker om bij de verdere behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, geeft gelet op hetgeen hiervoor onder 8 en 9 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen hiervoor onder 11 is uiteengezet niet onbegrijpelijk.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 292 Sv, art. 311 Sv, art. 322 Sv en art. 6 EVRM op de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 het onderzoek opnieuw heeft aangevangen, waarna geen requisitoir is voorgedragen, terwijl het hof toen niet is nagegaan of de verdediging pleidooi wenste te voeren en of verzoeker gebruik wenste te maken van het recht op het laatste woord.

15. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2007 houdt in dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs Harmsen, De Lange en Van de Griend. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2008 (pro forma) vermeldt eveneens dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs Harmsen, De Lange en Van de Griend. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 houdt evenwel in dat als raadsheren tegenwoordig zijn mrs Harmsen, Van de Griend en Van der Meijde. Het arrest van het hof van 21 maart 2008 vermeldt vervolgens dat het is gewezen door de raadsheren mrs Harmsen, Van de Griend en Van der Meijde.

16. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 houdt in dat verzoeker aldaar niet is verschenen, dat als raadsman van verzoeker ter terechtzitting wel aanwezig is mr. G.J. van der Meer; dat de raadsman heeft medegedeeld dat hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd om verzoeker ter terechtzitting te verdedigen; dat de raadsman de zittingszaal heeft verlaten na de behandeling van zijn aanhoudingsverzoek en nadat het hof dit verzoek had afgewezen; en dat vervolgens het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden; de getuige [getuige] heeft aldaar een verklaring afgelegd; de voorzitter heeft de korte inhoud medegedeeld van een faxbericht van de raadsman van verzoeker inhoudende een brief van prof. dr. Wagenaar aan de raadsman; [betrokkene 1] heeft een slachtofferverklaring voorgelezen en de advocaat-generaal heeft het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde notities.

17. Vervolgens houdt het proces-verbaal van die terechtzitting het volgende in:

"De voorzitter deelt het volgende mede.

Het hof heeft zich gerealiseerd dat het anders is samengesteld dan ten tijde van de schorsing op 12 februari 2008 en dat de verdachte er niet mee heeft ingestemd dat de behandeling wordt voortgezet in de stand waarin het zich op 12 februari 2008 bevond.

In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek thans opnieuw aangevangen.

De advocaat-generaal draagt daarop de zaak voor.

De voorzitter deelt mede de korte inhoud van de stukken van de zaak, waartoe behoren de (aanvullende) processen-verbaal van politie, de rapportages van de gedragsdeskundigen, de deskundigenrapporten van het NFI en de stukken die door de eerste rechter als bewijs zijn gebezigd. Voorts wordt medegedeeld de korte inhoud van de stukken die in hoger beroep door de advocaat-generaal en de verdediging zijn ingebracht, waaronder het rapport van prof. Wagenaar d.d. 21 januari 2008 en het aanvullend proces-verbaal met dossiernummer 05-016505A d.d. 26 februari 2007 met bijlagen en de door de advocaat-generaal ter terechtzitting d.d. 3 april 2007 overgelegde verslagen van tapgesprekken en rechter-commissarisverhoren in hoger beroep.

Desgevraagd deelt de getuige [getuige], mede dat hij blijft bij de heden door hem ter terechtzitting afgelegde verklaring.

De voorzitter deelt, met instemming van de getuige, mede dat de verklaring van deze getuige wordt geacht hier thans te zijn herhaald en ingelast.

De voorzitter deelt voorts mede, met instemming van de advocaat-generaal, dat het requisitoir van de advocaat-generaal wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast.

De voorzitter deelt mede, met instemming van de namens de nabestaande aanwezige, dat de slachtofferverklaring, gedaan namens [slachtoffer] wordt geacht hier te zijn herhaald en ingelast.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten (...)."

18. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat de advocaat-generaal geen requisitoir zou hebben gehouden.

19. Uit het hiervoor onder 16 en 17 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting volgt dat de advocaat-generaal het woord heeft gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde notities, dat het onderzoek vervolgens in verband met de gewijzigde samenstelling van het hof opnieuw is aangevangen en dat de voorzitter van het hof daarna heeft medegedeeld dat het (vóór de hernieuwde aanvang van het onderzoek gehouden) requisitoir van de advocaat-generaal met diens instemming wordt geacht aldaar te zijn herhaald en ingelast. Gelet hierop heeft de advocaat-generaal wel degelijk een requisitoir gehouden, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

20. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren, doet hieraan niet af dat het door de advocaat-generaal gehouden requisitoir enkel heeft bestaan uit het herhaald en ingelast achten van zijn vóór de hernieuwde aanvang van het onderzoek gehouden requisitoir.

21. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat het hof zich er niet van vergewist heeft of zijdens de verdediging pleidooi gevoerd wenste te worden en evenmin of verzoeker het recht wenste uit te oefenen om het laatste woord te voeren.

22. De raadsman van verzoeker was naar eigen zeggen niet gemachtigd verzoeker op de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2008 te verdedigen en had bovendien de zittingszaal uit eigen beweging verlaten (nadat het hof zijn aanhoudingsverzoek had afgewezen). Niet blijkt dat de samenstelling van het hof de raadsman tot deze stap(pen) heeft gebracht. Van het hof kon derhalve bezwaarlijk worden gevergd te onderzoeken of de raadsman na het requisitoir van de advocaat-generaal wellicht alsnog een pleidooi wenste te houden. Verzoeker zelf bevond zich ten tijde van die terechtzitting - geveld door de gevolgen van zijn hongerstaking - in de penitentiaire inrichting "Nieuw Vosseveld" in Vught en was niet in staat gebleken op de terechtzitting aanwezig te zijn. Van het hof kon dus evenmin worden gevergd te onderzoeken of verzoeker op dat moment wellicht toch op de terechtzitting in 's-Hertogenbosch gebruik wenste te maken van zijn recht het laatst te spreken. Bovendien had het hof reeds afwijzend beslist op het aanhoudingsverzoek van de raadsman, zodat een eventuele aanhouding niet nogmaals aan de orde behoefde te komen. Aldus vermag ik niet in te zien op welke wijze verzoeker in zijn belangen is geschaad door de handelwijze van het hof. Onder voornoemde omstandigheden behoefde het hof immers niet na te gaan of de raadsman van verzoeker dan wel verzoeker zelf in staat en bereid zou zijn een pleidooi te houden respectievelijk het laatste woord te voeren.

23. Anders dan de stellers van het middel aanvoeren kan uit HR 9 oktober 2007, LJN BA5025, NJ 2008, 43, m.nt. PMe niet worden afgeleid dat de gang van zaken in de onderhavige zaak in strijd is met het recht.

24. In voornoemd arrest van de Hoge Raad laat de voorzitter van het hof de verdachte, die op dat moment niet wordt bijgestaan door een raadsman, wegens herhaalde ordeverstoring uit de zittingszaal verwijderen, waarna de advocaat-generaal buiten aanwezigheid van de verdachte requireert en een gevangenisstraf van twaalf jaren vordert. Direct daarna verklaart de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof gelet op art. 6 EVRM onder die omstandigheden na afloop van het requisitoir van de advocaat-generaal had dienen na te gaan of de verdachte, binnen door de voorzitter te bepalen grenzen van de orde op de terechtzitting, in staat en bereid zou zijn de verdediging te voeren.

25. In de onderhavige zaak is van een verwijdering uit de zittingszaal van een op de terechtzitting verschenen verdachte wegens ordeverstoring echter geen sprake, nu verzoeker in het geheel niet op die terechtzitting aanwezig is geweest. Voor de voorzitter bestond derhalve in het geheel geen mogelijkheid om na te gaan of verzoeker, binnen door de voorzitter te bepalen grenzen van de orde op de terechtzitting, in staat en bereid zou zijn de verdediging te voeren. De verwijzing naar bovenstaand arrest ontsiert de schriftuur.

26. Het middel faalt.

27. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Verzoeker heeft op 27 maart 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

28. Beide middelen falen. Middel 2 kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Andere gronden dan de hiervoor onder 27 vermelde grond waarop Uw Raad de aangevallen beslissing ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

29. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De verklaring is op die datum ingeschreven in het daarvoor bestemde register als bedoeld in art. 451a, tweede lid, Sv.

2 Een kantoorgenoot van de op dat moment aan verzoeker toegevoegde raadsman mr. J.P. Plasman.

3 In het onderhavige geval is weliswaar niet echt sprake van ziekte van verzoeker, maar zijn hongerstaking en de daardoor veroorzaakte verzwakte fysieke conditie zouden daarmee wel op één kunnen worden gesteld.

4 Vgl. HR 21 april 2009, LJN BH5171, NJ 2009, 323, m.nt. Borgers, HR 7 april 2009, LJN BH0566, NJ 2009, 186, HR 6 november 2007, LJN BB4856, NJ 2007, 603, HR 9 mei 2000, LJN AA5730, NJ 2002, 466, m.nt. Kn en HR 17 februari 1998, LJN ZD0940, NJ 1998, 428.

5 Uit de last tot toevoeging van 14 juni 2006 volgt dat aanvankelijk mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, (die ook in eerste aanleg als raadsman van verzoeker was opgetreden) aan verzoeker als diens raadsman is toegevoegd. Een schrijven van 22 juni 2006 van mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, gericht aan het ressortsparket te 's-Hertogenbosch, houdt in dat hij de verdediging van mr. D. Moszkowicz heeft overgenomen. Dit wordt bevestigd door een mutatie last tot toevoeging van 29 juni 2006 en een mutatie last tot toevoeging van 8 november 2006, inhoudende dat mr. J.P. Plasman aan verzoeker als diens raadsman moet worden toegevoegd. Vervolgens vermeldt een mutatie last tot toevoeging van 17 november 2006 dat mr. V.A. Vreeling, advocate te Amsterdam, aan verzoeker als diens raadsvrouwe moet worden toegevoegd. Een mutatie last tot toevoeging van 5 april 2007 houdt voorts in dat mr. H.J. Bos, advocate te Amsterdam, aan verzoeker als diens raadsvrouwe moet worden toegevoegd. Daarna vermeldt een mutatie last tot toevoeging van 20 april 2007 dat mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam, aan verzoeker als diens raadsman moet worden toegevoegd.

6 Deze raadsman (mr. G.J. van der Meer), die zich in het hiervoor onder 4 sub vii weergegeven faxbericht van 18 april 2007 had gesteld als toegevoegd raadsman van verzoeker (bevestigd door de mutatie last tot toevoeging van 20 april 2007), had op de terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2007 nog wel verklaard dat hij uitdrukkelijk door verzoeker was gemachtigd de verdediging te voeren.

7 Vgl. HR 25 januari 2000, LJN ZD1685.

8 Zie de opmerking van Borgers in zijn annotatie (punt 9), genoemd in noot 4.

9 Vgl. de conclusies van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 22 januari 2008, LJN BC1311, NJ 2008, 193 en HR 20 januari 2009, LJN BG1645, NJ 2009, 73.