Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK4151

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
08/04763 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK4151
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Bewijsklacht t.a.v. medeplegen van witwassen slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04763 A

Mr. Vellinga

Zitting: 10 november 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba wegens 1. "valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd", 3 primair. "medeplegen van oplichting", 4."ingevolge de Algemene Verordening Landsbelastingen verplicht zijn tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan", 5. "valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd", 6."ingevolge de Algemene Verordening Landsbelastingen verplicht zijnd tot het binnen een gestelde termijn doen van aangifte, dat opzettelijk niet binnen de gestelde termijn doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat nadeel voor de Nederlandse Antillen of voor een van de eilandgebieden kan ontstaan, meermalen gepleegd", en 7 primair. "medeplegen van een gewoonte maken van het opzettelijk witwassen van geld" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en tot een geldboete van NAF 15.000,--, subsidiair 105 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het rechtskarakter van het valselijk opgemaakte geschrift, voor zover het bewezen heeft verklaard dat uit een "immigration re-entry formulier" enig recht kon ontstaan. De bewezenverklaring van feit 1 zou op grond daarvan niet naar de eis van de wet met redenen zijn omkleed.

4. Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard:

"dat hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 juni 2007 op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, meermalen een immigration re-entry formulier, zijnde een geschrift waaruit enig recht kon ontstaan en dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk die formulieren opgemaakt (buiten het daartoe bestemde NAVAS-systeem) en in strijd met de waarheid op die formulieren vermeld dat door de op die formulieren genoemde personen een aanvraag was ingediend voor een verblijfsvergunning en dat die personen met dat document naar het eiland St. Maarten NA kunnen terugkeren mits in het bezit van geldige reispapieren, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, het betrof onder meer formulieren met betrekking tot

- [betrokkene 2]

- [betrokkene 3]

- [betrokkene 4]

- [betrokkene 5]

- [betrokkene 6]

- [betrokkene 7]

- [betrokkene 8]

- [betrokkene 9]

- [betrokkene 10];"

5. Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een negental geschriften, zijnde "immigration (re-)entry" documenten ten name van:

- [betrokkene 2];

- [betrokkene 3];

- [betrokkene 4];

- [betrokkene 5];

- [betrokkene 6];

- [betrokkene 7];

- [betrokkene 8];

- [betrokkene 9] en

- [betrokkene 10],

alle ondertekend in de periode van I januari 2004 tot en met 10 juni 2007 door "Head of Immigration & Naturalization Division

Police Force St. Maarten, Saba & St. Eustatius

The Commissioner of Police

[verdachte]" en waarin is vermeld: "Door u is een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning", en "Betrokkene kan ... met dit document naar het eiland Sint Maarten N.A. terugkeren mits in het bezit van geldige reisdocumenten".

2. De verklaring van de verdachte, op 15 november 2007 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

U houdt mij voor een negental "IMMIGRATION (RE-)ENTRY" documenten ten name van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10]. Ik heb die 'immigration (re-)entry documenten", ook genaamd 'bewijzen van terugkeer", opgemaakt en ondertekend op Sint Maarten in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 juni 2007, zulks in mijn kwaliteit van commissaris van politie en hoofd van de Vreemdelingendivisie. In de formulieren is vermeld: "Door u is een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning" en "Betrokkene kan . . . met dit document naar het eiland Sint Maarten N.A. terugkeren mits in het bezit van geldige reisdocumenten". Door betrokkenen was geen van allen een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning en zij hadden niet zonder meer met geldige reisdocumenten toegang tot Sint Maarten. Ik heb die documenten opgemaakt buiten het NAVAS-systeem om. Ik heb dit gedaan om die mensen te helpen, zodat zij voor korte tijd naar hun thuisland konden terugkeren en daarna Sint Maarten weer binnen konden."

3. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 4 juni 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden landsrechercheur bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, pv. nummer: 0707-01-GTG-02, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 11], -zakelijk weergegeven-:

Ik ben waarnemend hoofd van het Bureau Plaatselijk Hoofd van Politie (P.H.P.). Een verzoeker van een (tijdelijke) verblijfsvergunning krijgt van het Bureau P.H.P. een Iijst, waarop de documenten en vereisten om in aanmerking te komen voor een (tijdelijke) verblijfsvergunning zijn aangeduid. Is de verzoeker in het bezit van de vereiste documenten, dan worden deze bij het bureau P.H.P. ingeleverd. Deze informatie van deze documenten worden bij bet bureau P.H.P. in het computerprogramma "Nederlandse Antillen Vreemdelingen Registratie Systeem" (NAVAS) geregistreerd.

Het Kabinet van de Gezaghebber en de Vreemdelingendienst van de politie hebben een controlerende en adviserende taak in dit proces en zijn daarom ook op het NAVAS-systeem aangesloten. Alleen het Bureau P.H.P. is geautoriseerd om de intake van de aanvrage te doen en om veranderingen in de brongegevens in het NAVAS-programma aan te brengen.

4. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 15 juni 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden landsrechercheur bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, p0v. nummer: 0707-02-GTG-01, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 12], -zakelijk weergegeven-:

Ik ben chef van het Kabinet van de Gezaghebber. Een bewijs van terugkeer is een verklaring waaruit blijkt tot welk tijdstip en onder welke voorwaarden betrokkene het recht heeft om in de Nederlandse Antillen terug te keren. Het bewijs van terugkeer wordt afgegeven bij de administratie van de Vreemdelingendienst Stad. Het bewijs van terugkeer wordt in het NAVAS-programma uitgedraaid. Tot afgifte van een bewijs van terugkeer is bevoegd de Gezaghebber namens de Minister van Justitie. In de praktijk laat de Gezaghebber dit over aan de chef van de Vreemdelingendienst omdat een vreemdeling die een bewijs van terugkeer aanvraagt in het bezit moet zijn van een (tijdelijke) verblijfsvergunning of een aanvraag in behandeling moet hebben. Alsdan is de vreemdeling legaal opgenomen in het NAVAS-systeem en kan bet bewijs van terugkeer uit het NAVAS-programma worden afgedrukt. Het NAVAS-programma zit zodanig in elkaar dat het systeem alleen voor een vreemdeling die een (tijdelijke) verblijfsvergunning heeft of een verzoek daartoe in behandeling heeft een afdruk maakt.

5. Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 11 juli 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 3], landsrechercheur bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, pv. nummer: 0707-B VA- 16, voorzover inhoudende, als relaas van de verbalisant, -zakelijk weergegeven-:

Op 11 juli 2007 heb ik van [betrokkene 11] van het Bureau Plaatselijk Hoofd van Politie printgegevens uit het NAVAS-systeem ontvangen. Bleek dat de gegevens van na te melden personen niet in het NAVAS-systeem voorkomen, te weten: [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10]."

6. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art 230 SrNA zodat de daarin voorkomende woorden 'waaruit enig recht kan ontstaan' geacht moeten worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

7. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de 'immigration re-entry formulieren' of 'bewijzen van terugkeer' geschriften zijn waaruit 'enig recht kan ontstaan' als bedoeld in art. 230 SrNA. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Blijkens de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen (in het bijzonder de genoemde verklaring van getuige [betrokkene 12]) is een dergelijk bewijs van terugkeer immers een verklaring waaruit blijkt tot welk tijdstip en onder welke voorwaarden de desbetreffende persoon het recht heeft om in de Nederlandse Antillen terug te keren en kan een vreemdeling aldus aan een dergelijk bewijs van terugkeer het recht kan ontlenen om, na een verblijf buiten de Nederlandse Antillen, terug te keren op de Nederlandse Antillen.(1)

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat uit de door verdachte opgemaakte 'immigration re-entry formulieren' enig recht kan ontstaan nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat een dergelijk bewijs van terugkeer alleen ten behoeve van in het NAVAS-programma geregistreerde vreemdelingen kan worden uitgedraaid, zodat een bewijs van terugkeer met betrekking tot niet in dat systeem opgenomen personen absoluut ongeschikt is om te dienen als bewijs van een recht op terugkeer.

9. Deze stelling berust op de opvatting dat aan een 'immigration re-entry formulier' geen bewijs kan worden ontleend van een recht tot terugkeer als het niet uit NAVAS is uitgedraaid maar op andere wijze is vervaardigd. Nu niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat alleen aan een 'immigration re-entry formulier' bewijs kan worden ontleend van een recht tot terugkeer als het uit NAVAS is uitgedraaid en dat ter terechtzitting van het Hof ook niet is aangevoerd, mist het middel feitelijke grondslag.

10. Het middel faalt.

11. Thans bespreek ik eerst het vierde middel, omdat dit evenals het eerste middel betrekking heeft op het onder 1 bewezenverklaarde feit.

12. Het vierde middel klaagt dat het Hof het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid en overmacht in de zin van noodtoestand ten aanzien van feit 1 (waarmee het middel blijkens de toelichting kennelijk doelt op verdachtes verklaring dat hij met goedkeuring van zijn meerdere heeft gehandeld en dat een en ander in het driehoeksoverleg is besproken) heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat het Hof niet voldoende gemotiveerd heeft beslist op een beroep op psychische overmacht, inhoudende dat verdachte om humanitaire redenen 're-entry permits' heeft gegeven aan de in de tenlastelegging onder 1 genoemde personen.

13. Het middel doelt kennelijk op hetgeen verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar heeft verklaard, voor zover inhoudende:

"Met betrekking tot feit 1 verklaar ik het volgende. Ik heb met toestemming van mijn meerdere, [betrokkene 13], drie "re-entry permits" buiten het NAVAS-systeem opgemaakt. De andere "re-entry permits" die ik heb opgemaakt waren allemaal ten behoeve van vreemdelingen die in het NAVAS-systeem voorkwamen. Dat waren dus vreemdelingen die een vergunning tot verblijf hebben aangevraagd en in afwachting waren van een beslissing hierop. Ik heb die "re-entry permits" om humanitaire redenen afgegeven. Hiermee konden de vreemdelingen tijdelijk naar hun land van oorsprong reizen, bijvoorbeeld in verband met overlijden van een familielid, en naar Sint Maarten terugkeren om hier de beslissing op hun aanvraag verder af te wachten. Op grond van de "re-entry permit" hoefden zij niet te vrezen dat hun bij terugkeer de toegang tot Sint Maarten zou worden ontzegd. De 11 personen die in de tenlastelegging onder feit 1 genoemd staan zijn allemaal personen die ik om humanitaire redenen een "re-entry permit" heb gegeven. In het kader van het vreemdelingenbeleid dat op Sint Maarten werd gevoerd zijn er twee gratieperioden ingevoerd. De eerste gratieperiode werd in 2001 ingevoerd terwijl de tweede gratieperiode tussen december 2001 tot februari 2002 werd ingevoerd. In de gratieperioden werden "re-entry permits" gegeven aan vreemdelingen die niet over een vergunning tot verblijf op Sint Maarten beschikten en die dat ook niet hadden aangevraagd. Om die reden heb ik mij bij het opmaken van de drie "re-entry permits" die ik zonet heb genoemd niet gerealiseerd dat door de zinsnede "heeft aanvraag ingediend" op het formulier van de "re-entry permit" dit een voorwaarde is voor afgifte hiervan. De "re-entry permits" voor voornoemde 11 personen heb ik gegeven met goedkeuring van [betrokkene 13]. In het driehoeksoverleg is dat ook besproken. Het klopt dat doorgaans alleen personen met een geldige vergunning tot verblijf in aanmerking komen voor een "re-entry permit". Maar als Hoofd van de Vreemdelingen dienst vond ik het gerechtvaardigd om op deze regel een uitzondering te maken om humanitaire redenen. Ik heb het niet nodig geacht om hierbij het Bureau Plaatselijk Hoofd van Politie (PHP) te betrekking omdat ik al toestemming had gekregen van [betrokkene 13]."

14. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, in:

"Strafbaarheid van de feiten

(...)

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdachte nog aangevoerd dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt en er sprake is van overmacht in de zin van een noodtoestand. Hij legt daaraan ten grondslag dat de werkgevers en economie van Sint Maarten de illegale werknemers hard nodig hadden en dat het aantal vreemdelingen dat na verloop van de Grace Periods nog niet beschikte over de vereiste documenten onrustbarend groot was, terwijl er een chaotische situatie was aangaande de wijze van de uitvoering van het beleid terzake het binnenlaten van vreemdelingen.

Deze feiten rechtvaardigen niet het plegen van valsheid in geschrifte. Er waren andere oplossingen denkbaar, zoals het initiëren van (op de juiste wijze geformaliseerd) beleid, teneinde de door de verdachte opgesomde problemen aan te pakken. De gepleegde valsheid in geschrifte kan dus niet beschouwd worden als een geëigende handelwijze om een eind te maken aan een actuele concrete nood of als gerechtvaardigd door een nagestreefd doel van hogere orde."

15. Het Hof heeft het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid verworpen maar daarbij niet gereageerd op de stelling van verdachte dat hij aan de in de tenlastelegging genoemde personen met goedkeuring van zijn meerdere [betrokkene 13] een 're-entry permit' heeft gegeven en dat een en ander ook in het driehoeksoverleg is besproken. Het Hof heeft die verklaring van verdachte in zoverre kennelijk niet opgevat als een verweer ertoe strekkende dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak dan wel dat sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat verdachte werd bijgestaan door een raadsman die geen beroep heeft gedaan op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid dan wel overmacht in de zin van noodtoestand gebaseerd op de gestelde goedkeuring en de gestelde bespreking in het driehoeksoverleg.(2)

16. Ten aanzien van de klacht dat het Hof het beroep op psychische overmacht gemotiveerd had moeten weerleggen, geldt hetzelfde. In aanmerking genomen dat de verdachte werd bijgestaan door een raadman die enkel een beroep heeft gedaan op overmacht in de zin van noodtoestand en (dus) geen beroep heeft gedaan op psychische overmacht, getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk dat het Hof de in het middel bedoelde en hiervoor onder 13 weergegeven verklaring van verdachte dat hij om humanitaire redenen 're-entry permits' heeft afgegeven, kennelijk niet heeft opgevat als een beroep op psychische overmacht.(3)

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3, in het bijzonder voor zover uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat in werkelijkheid geen sprake was van een huursituatie zoals in het huurcontract ten name van [A] Ltd. als verhuurder en [betrokkene 1] als huurder voor de woning gelegen aan [a-straat 1] beschreven.

19. Ten laste van verdachte is onder 3 bewezenverklaard:

"dat hij omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, opzettelijk de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba, heeft bewogen tot afgifte van hoeveelheden geld (tot een totaalbedrag van ANG 191.245,92), immers hebben verdachte en zijn mededader, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd de waarheid een huurcontract ten name van [A] Ltd. als verhuurder en [betrokkene 1] als huurder, voor de woning gelegen aan [a-straat 1], doen toekomen aan de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba bij een aanvraag huursubsidie ten gunste van [betrokkene 1], terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een dergelijke huursituatie;"

20. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een geschrift, zijnde een huurovereenkomst, gedateerd 20 december 2001, gesloten tussen [A] Ltd. als "the Lessor" en [betrokkene 1] als "the Lessee", voorzover daarin is vermeld- zakelijk weergegeven-:

Witnessed:

Whereas the Lessor is the owner of a three bedroom house located in [a-straat 1] on Sint Maarten (hereinafter referred to as "the Premises"). Whereas the Lessor is desirious of leasing the premises to the Lessee.

Now, therefore, it is mutually agreed upon as follows:

1.1 This agreement is entered into commencing on 1st January 2002.

2.1 The Lessee will pay as rent the sum of US$ 2.500,00 per month, payable on the first day of each month.

In witness whereof parties have executed this agreement on the date first abovementioned.

w.g. w.g.

[A] Ltd. [betrokkene 1]

Philipsburg, 10th December 2001

2. Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 juni 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon agent van politie, pv. nummer: 0706271 500.VER, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] -zakelijk weergegeven-:

Ik heb al ongeveer 12 jaar een relatie met [verdachte]. Ik ben voor hem naar Sint Maarten gekomen en ben daar gaan werken voor de Kustwacht. Ik heb er uiteindelijk zes jaar gewerkt. Van de Kustwacht kreeg ik gedurende het eerste jaar maandelijks US$ 2.200 aan woontoelage en later werd dat US$ 2.500 per maand. Ik betaal geen huur. Het huis is van ons. Wij hebben het ongeveer vijf jaar geleden gekocht en betalen NAF. 2.000,- in de maand aan hypotheek. [Verdachte] regelde alles omtrent geld en dat soort zaken.

3. Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 5 juli 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon agent van politie, pv. nummer: 070705 1015.GET, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 14] -zakelijk weergegeven-:

Ik ben als hoofd financieel economische zaken werkzaam bij de Kustwacht Nederlandse Antillen en Aruba. De Kustwacht kan voor een periode van 5 jaar huursubsidie toekennen. Na 5 jaar wordt de huursubsidie afgebouwd. De procedure tot aanvraag van huursubsidie gaat via een vast formulier. Hierin staat het bedrag dat de aanvrager wil aan huursubsidie, het voorschot en de waarborgsom. Bij de aanvraag dient een huurcontract te worden bijgevoegd. De huursubsidie wordt toegekend voor de hoogte van het te betalen huur. Dus als een aanvrager US$ 2.000 per maand gaat betalen aan huur, dan wordt de huursubsidie op US$ 2.000 per maand gesteld. Van de huursubsidie wordt een bedrag van 15 % van het bruto genoten salaris afgetrokken. Dat is een verplicht belastingmaatregel.

In het geval van [betrokkene 1] heeft de Kustwacht te maken gehad met twee opeenvolgende door haar aan de Kustwacht overhandigde huurcontracten. Het tweede door [betrokkene 1] gehuurde woning, waarbij de Kustwacht haar huursubsidie heeft toegekend, betreft een overeenkomst tussen de verhuurder [A] LTD en de huurder [betrokkene 1]. Het betreft hier de woning [a-straat 1]. De huur, ten bedrage van US$ 2.500 gaat volgens de overeenkomst in per 1 januari 2002 en eindigt formeel per 31 december 2002. De overeenkomst kan stilzwijgend per jaar, aldus de overeenkomst, worden verlengd. Zoals blijkt uit het systeem "Paytime" kan ik u laten zien dat de huursubsidie voor deze woning vanaf februari 2002 tot en met december 2005 voor het bedrag van NAF. 4.450,- (omgerekend US$ 2.500) aan haar werd uitbetaald. Vanaf januari 2006 tot en met december 2006 hebben wij [betrokkene 1], in het kader van de afbouw van de huursubsidie, een bedrag per maand betaald van NAF. 2.403,- (US$ 1.320,33). De overzichten van het systeem "Paytime" stel ik u hierbij ter beschikking, hierin staat gespecifeerd wat wij aan huursubsidie aan [betrokkene 1] hebben uitbetaald, alsmede de bedragen (15%) die van deze huursubsidie worden afgetrokken. De huursubsidie dient maar een doel: betalen c.q. vergoeden van huur.

4. Een geschrift, zijnde een "overzicht historische mutaties per employee" van het Departement van Financiën betreffende [betrokkene 1], voorzover daaruit blijkt dat aan betrokkene over de periode van februari 2002 tot en met december 2006 terzake "Huursubsidie KWNA", na aftrek van 15% van het bruto salaris, is uitgekeerd een bedrag van in totaal NAF. 191.245,92.

5. Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 26 juni 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon agent van politie, pv. nummer: 0706261300, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte- zakelijk weergegeven-:

Ik woon samen met [betrokkene 1] sinds het jaar 2000, het jaar dat zij op Sint Maarten aankwam. Zij verdiende bij de kustwacht ongeveer NAF. 10.000,- netto per maand en soms wel tegen de NAF. 11.000,-. Daar zat de huurvergoeding bij van US$ 2.500 en dat is omgerekend ongeveer NAF. 4.800,-. Bijna de helft van haar salaris bestond uit huursubsidie. De huursubsidie wordt door ons niet gebruikt. [Betrokkene 1] betaalt geen huur want wij wonen te [a-straat 1] en dat huis is ons eigendom. Op uw vraag of je kunt stellen dat wij een gezamenlijk inkomen hebben, of de zaken gescheiden hebben, kan ik u zeggen dat we alles benaderen of alles van ons beiden is. Zowel wat erin komt als wat eruit gaat.

6. De verklaring van de verdachte, op 15 november 2007 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Ik woon samen met [betrokkene 1] op het adres [a-straat 1], ook wel bekend als [a-straat 1]. Dit is ons eigen huis. Ik heb de huurovereenkomst van 10 december 2001 tussen [A] Ltd. en [betrokkene 1] laten opstellen, zulks met het oog op een door [betrokkene 1] bij de Kustwacht in te dienen verzoek om huursubsidie. [A] Ltd. is een op [plaats] gevestigde vennootschap waarvan ik de enige aandeelhouder ben. Ik heb deze vennootschap aangeschaft om daar mijn inkomsten en mijn vermogen in onder te brengen, buiten het oog van de fiscus. [A] Ltd. is geen eigenaar van de woning te [a-straat 1] en is dat nooit geweest. Het kan wel kloppen dat wij inmiddels van de Kustwacht een kleine twee ton aan huursubsidie hebben ontvangen als huursubsidie voor de woning [a-straat 1].

7. De verklaring van de verdachte, op 13 maart 2008 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

In 2004 heb ik de woning te [a-straat 1] gekocht van [betrokkene 15]. Noch ik, noch mijn vriendin met wie ik samenwoonde heeft toen aan de Kustwacht gemeld dat ik die woning heb gekocht."

21. Voorts heeft het Hof in een nadere bewijsoverweging overwogen, voor zover hier van belang:

"Dat er in werkelijkheid geen sprake was van een huursituatie als door de verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 1] op basis van listige kunstgrepen werd voorgewend, blijkt uit het volgende. Het door [betrokkene 1] aan de Kustwacht aangeboden huurcontract ten aanzien van de woning in [a-straat 1], betreft een huurcontract tussen [A] Ltd. (hierna te noemen: [A]) als verhuurder en [betrokkene 1] als huurder. In dat - op 10 december 2001 opgestelde - contract is, in strijd met de waarheid opgenomen dat [A] de eigenaar van het huis is. Op dat moment huurde [A] de woning nog. Bovendien is door [betrokkene 1] niet aan de Kustwacht medegedeeld dat [A] een offshore company was van de verdachte, met wie hij een gemeenschappelijke huishouding voerde; hij benaderde naar eigen zeggen alles (als)of alles van hen beide was. Toen de verdachte in maart 2004 deze woning kocht is dat ook niet door [betrokkene 1] en/of hem aan de Kustwacht medegedeeld. De stelling dat het de wil van partijen was dat [betrokkene 1] van [A] dan wel [verdachte] huurde (in het begin voor $ 2.500,- en later voor $ 2.200,- per maand, terwijl de hypotheeklast $ 1.800,- per maand bedroeg), is mede gelet op voormelde gemeenschappelijke huishouding niet aannemelijk geworden.

(...)"

22. Ter onderbouwing van de stelling dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat in werkelijkheid gedurende de bewezenverklaarde periode geen sprake was van een huursituatie zoals in het huurcontract ten name van [A] Ltd. als verhuurder en [betrokkene 1] als huurder voor de woning gelegen aan [a-straat 1] beschreven, wordt in de eerste plaats aangevoerd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen wanneer het contract d.d. 10 december 2001 aan de Kustwacht is gezonden. In de tweede plaats wordt erop gewezen dat de bewijsmiddelen innerlijk tegenstrijdig zijn nu de woning [a-straat 1] volgens de voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] was gekocht in 2002 (bewijsm. 2), volgens verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring in 2004 (bewijsm. 7).

23. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3 inhouden:

- als verklaring van [betrokkene 1], dat ze eerst US$ 2.000 per maand aan huursubsidie van de Kustwacht heeft ontvangen en later US$ 2.500,-- maar dat ze geen huur betaalde (bewijsmiddel 2);

- als verklaring van het hoofd financieel economische zaken bij de Kustwacht dat de Kustwacht aan [betrokkene 1] huursubsidie heeft toegekend op grond van een door [betrokkene 1] overhandigd huurcontract met betrekking tot [a-straat 1] inhoudende dat de huur ingaat per 1 januari 2002 en formeel eindigt per 31 december 2002 maar stilzwijgend kan worden verlengd en dat de Kustwacht voor genoemde woning vanaf februari 2002 tot en met december 2005 huursubsidie van omgerekend US$ 2.500 per maand en vanaf januari 2006 tot en met december 2006 een bedrag van omgerekend US$ 1.320,33 aan [betrokkene 1] heeft betaald (bewijsmiddel 3);

- als verklaring van verdachte dat [betrokkene 1] geen huur betaalde omdat het huis te [a-straat 1] van hem en [betrokkene 1] is (bewijsmiddel 5); en

- als verklaring van verdachte dat hij de huurovereenkomst van 10 december 2001 tussen [A] Ltd. en [betrokkene 1] (met wie verdachte sinds 2000 samenwoont) heeft laten opstellen met het oog op een door [betrokkene 1] bij de Kustwacht in te dienen verzoek om huursubsidie, dat [A] Ltd. geen eigenaar is van de woning te [a-straat 1] en dat nooit is geweest (bewijsmiddel 6),

heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat, zoals onder 3 is bewezenverklaard, verdachte en zijn medeverdachte in de periode januari 2002 tot en met december 2006 de Kustwacht opzettelijk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid hebben bewogen tot afgifte van hoeveelheden geld, door een huurcontract tussen [A] Ltd. en [betrokkene 1] aan de Kustwacht te doen toekomen, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van huur door [betrokkene 1] van de woning [a-straat 1] van [A] Ltd.

24. De omstandigheid dat de gebezigde bewijsmiddelen niet inhouden wanneer het huurcontract aan de kustwacht is toegezonden staat hieraan niet in de weg. In bewijsmiddel 3 ligt immers besloten dat aan [betrokkene 1] vanaf februari 2002 maandelijks huursubsidie is verstrekt op grond van een door [betrokkene 1] bij de aanvraag tot huursubsidie overgelegd huurcontract, in casu de huurovereenkomst tussen [A] Ltd. en [betrokkene 1].

25. Het middel klaagt terecht dat het Hof met betrekking tot de datum van aankoop van de bedoelde woning door verdachte en [betrokkene 1] innerlijk tegenstrijdige bewijsmiddelen heeft gebezigd, nu enerzijds de op 27 juni 2007 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] inhoudt dat zij en verdachte ongeveer vijf jaar geleden de woning hebben gekocht (bewijsmiddel 2) en anderzijds de verdachte heeft verklaard dat hij de woning in 2004 heeft gekocht (bewijsmiddel 7). Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Gelet op de bewezenverklaring, naar de kern genomen inhoudende dat verdachte en [betrokkene 1] een huurovereenkomst tussen [A] Ltd. en [betrokkene 1] aan de Kustwacht hebben doen toekomen terwijl van een dergelijke huursituatie geen sprake was en dat zij daarmee de Kustwacht gedurende een aantal jaren hebben bewogen tot afgifte van huursubsidie, is voor die bewezenverklaring irrelevant in welk jaar de woning door verdachte en [betrokkene 1] is gekocht. Ook al zou die woning nog niet door verdachte en [betrokkene 1] zijn gekocht dan brengt dat immers nog niet mee dat wel van huur van de woning door [betrokkene 1] van [A] Ltd. sprak zou zijn geweest. In dit verband wijs ik nog op de hiervoor aangehaalde nadere bewijsoverweging van het Hof inhoudende dat [A] Ltd. - en niet verdachte en/of [betrokkene 1] - de woning huurde voordat deze door verdachte en/of [betrokkene 1] werd gekocht

26. Het middel faalt.

27. Het derde middel klaagt ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde dat het medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, en dat hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van de betrokken geldbedragen wist dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen.

28. Onder 7 is tenlaste van verdachte bewezenverklaard dat:

"dat hij in de periode van 1 januari 2001 tot en met 27 december 2006 op het Nederlands Antilliaanse gedeelte van het eiland Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk witwassen van geld, immers hebben hij en zijn mededader in de genoemde periode meerdere geldbedragen verworven en uit winstbejag voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en zijn mededader, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van voornoemde geldbedragen wisten dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen."

29. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt en op 27 juni 2007 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon agent van politie, pv. nummer: 070624 1650.FIN, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten -zakelijk weergegeven-:

Uit een analyse van de bankbescheiden welke werden inbeslaggenomen tijdens de huiszoeking in de woning [a-straat 1] is het volgende naar voren gekomen. Zowel [verdachte] als [betrokkene 1] zijn houder van diverse bankrekeningen bij de RBTT bank op Sint Maarten.

Uit een aangetroffen rekeningoverzicht blijkt dat op 30 mei 2006 een bedrag van NAF. 14.160,00 contant wordt gestort op de bankrekening [001] van [betrokkene 1]. Daags hierna, op 31 mei 2006, wordt wederom een contante storting gedaan op deze rekening van wederom NAF. 14.160,00. Uit dit rekeningenoverzicht blijkt voorts dat op 31 mei 2006 een bedrag van NAF. 130.980,00 via een interne boeking bij de RBTT wordt overgeboekt naar een rekening van [verdachte].

In de periode van 29 mei 2006 tot 30 juni 2006 (1 maand) worden op rekeningnummer RBTT [0002] (multiplier checking account van [betrokkene 1]) een 14-tal betalingen bijgeboekt (contante stortingen) van in totaal het bedrag van US$ 115.000. Op 30 juni 2006 wordt dit totaalbedrag van US$ 115.000 via een interne overboeking overgeboekt naar een rekening van [verdachte]. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van deze contante geldstortingen op de rekening van [betrokkene 1] (dollarrekening), welke later worden doorgeboekt naar de rekening van [verdachte].

01-06-2006 $8.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

02-06-2006 $6.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

05-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

06-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

07-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

08-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

09-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

15-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

16-06-2006 S9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

19-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

20-06-2006 $5.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

26-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

27-06-2006 $6.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

28-06-2006 $9.000,00 [betrokkene 1] Multiplier account [0002] cash deposit

Totaal $115.000,00

In totaal warden er in de periode van 29 mei 2006 tot 29 juni 2006 (1 maand) contante stortingen bij de RBTT -bank te Sint Maarten gedaan van een totaalbedrag van 131.160,44 dollar.

Voorts werden bij de huiszoeking in de woning van [verdachte] verschillende reçu's aangetroffen van contante stortingen bij [B] ten behoeve van [A] Ltd. In onderstaand overzicht wordt een weergave gegeven van deze geldstortingen bij [B].

07-12-2001 3.150,00 USD cash deposit

23-01-2003 2.500,00 USD cash deposit

03-03-2003 2.500,00 USD cash deposit

09-03-2003 1.570,00 USD cash deposit

02-12-2004 1.570,00 USD cash deposit

07-12-2004 2.000,00 USD cash deposit

07-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

07-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

10-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

13-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

15-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

16-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

20-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

20-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

20-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

21-12-2004 8.000,00 USD cash deposit

21-07-2004 15.000,00 USD cash deposit

02-09-2005 500,00 USD cash deposit

02-09-2005 3.450,00 USD cash deposit

05-09-2005 1.675,00 USD cash deposit

03-11-2005 5.000,00 USD cash deposit

01-12-2005 7.000,00 USD cash deposit

01-01-2006 5.000,00 USD cash deposit

01-02-2006 5.000,00 USD cash deposit

01-03-2006 5.000,00 USD cash deposit

08-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

08-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

08-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

15-06-2006 3.500,00 USD cash deposit

16-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

16-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

16-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

16-06-2006 8.700,00 USD cash deposit

20-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

27-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

27-06-2006 8.000,00 USD cash deposit

27-06-2006 7.000,00 USD cash deposit

29-06-2006 9.000,00 USD cash deposit

05-07-2006 18.000,00 USD cash deposit

Uit deze gegevens blijkt dat in de periode van 6 december 2001 tot 6 juli 2005 US$ 267.125,00 contant is gestort.

Ten aanzien van deze contante geldstortingen kan worden gesteld dat zij voldoen aan de door het FATF opgestelde lijst indicatoren met betrekking tot het witwassen van geld, met name:

1. Contante geldstortingen van grote bedragen op een privé-rekening, zonder dat de herkomst daarvan kan worden herleid;

2. Contante geldstortingen in vreemde valuta welke worden overgeboekt naar een derde rekening ([A] Ltd.);

3. Het ontbreken van een verklaarbare legale oorsprong gelet op de hoogte van de geldbedragen en de frequentie waarmee wordt gestort;

4. Meerdere geldstortingen van grote bedragen op opeenvolgende dagen met een bepaalde frequentie, kennelijk om de meldgrens voor ongebruikelijke transacties aan het MOT te vermijden;

5. Het wegsluizen van het geld naar een offshore-onderneming.

Tijdens de doorzoeking in het kantoor van [B] werden stukken aangetroffen welke nog niet bekend waren geworden uit de inbeslaggenomen stukken tijdens de huiszoeking in de woning van de verdachte [verdachte]. Uit onderzoek is gebleken dat deze geldstortingen bij voornoemd trustkantoor werden gedaan door [verdachte] en [betrokkene 1]. Deze stortingen werden intern geboekt ten behoeve van de offshore-onderneming [A] Ltd. gevestigd te [plaats] en volledig eigendom van [verdachte].

02-04-2002 2.500,00 USD cash deposit

02-08-2002 2.500,00 USD cash deposit

03-09-2002 2.500,00 USD cash deposit

27-09-2002 2.500,00 USD cash deposit

30-10-2002 2.500,00 USD cash deposit

14-11-2002 1.575,00 USD cash deposit

29-11-2002 2.500,00 USD cash deposit

19-12-2002 2.500,00 USD cash deposit

01-07-2003 2.500,00 USD cash deposit

31-07-2003 2.500,00 USD cash deposit

08-09-2003 2.500,00 USD cash deposit

01-10-2003 2.500,00 USD cash deposit

30-10-2003 1.575,00 USD cash deposit

05-11-2003 2.500,00 USD cash deposit

02-12-2003 2.500,00 USD cash deposit

Uit deze gegevens blijkt dat in de periode van 1 april 2002 tot 3 december 2004 US$ 65.150.00 contant is gestort.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter zitting van het Gerecht in eerste aanleg van 15 november 2007, voorzover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

U houdt mij voor het proces-verbaal no. 0706241650.FIN van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Hetgeen daarin staat vermeld met betrekking tot [betrokkene 1]'s en mijn rekeningen, is juist.

Sinds eind 2001 beschik ik over de op [plaats] gevestigde offshore-company [A] Ltd. Ik ben enig aandeelhouder. De op Sint Maarten gevestigde [B] voert de directie over [A], waarvoor zij mij een "fee" in rekening brengt. Ik heb [A] aangeschaft om daarin, niet op mijn naam en uit het zicht van de fiscus mijn geld en overig vermogen onder te brengen.

Het klopt dat op 31 mei 2006 een bedrag van NAF. 130.980,00 van [betrokkene 1]'s rekening [001], via een interne overboeking bij de RBTT, is overgeboekt naar mijn rekening. Het klopt ook dat op 30 juni 2006 een bedrag van US$ 115.000,00 van [betrokkene 1]'s dollarrekening [0002], via een interne boeking bij de RBTT, is overgeboekt naar een rekening van mij. Het klopt dat laatstgenoemd bedrag in de maand juni 2006 via een groot aantal kleinere stortingen op genoemde dollarrekening van [betrokkene 1] is gestort. Ik hield die stortingen bewust klein, net onder de US$ 10.000,00, om daar geen vragen over te krijgen. Vrijwel al bet geld is uiteindelijk, via [B], terechtgekomen bij [A]. In totaal is dat ongeveer 700.000,00 dollar geweest. De stortingen die direct bij [B] zijn gedaan, voorzover het bet betreft bedragen van US$ 2.500,00 of een veelvoud daarvan, betreffen de huursubsidie die [betrokkene 1] bij de Kustwacht ontving."

30. Uit deze bewijsmiddelen kan het bewezenverklaarde medeplegen alsmede de wetenschap van verdachte en zijn mededader ten aanzien van het verkregen zijn van de gestorte gelden door misdrijf inderdaad niet worden afgeleid. Worden ook - zoals het Hof kennelijk heeft gedaan maar niet tot uitdrukking heeft gebracht - de bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde in aanmerking genomen dan is dat anders voor wat betreft stortingen die direct bij [B] zijn gedaan voor zover het betreft bedragen van US$ 2.500,00 of een veelvoud daarvan. Deze betroffen immers, zoals de verdachte heeft verklaard "de huursubsidie die [betrokkene 1] bij de Kustwacht ontving". Een ruwe berekening laat zien dat het gaat om bedragen van in totaal ca. US$ 70.000. Dat is maar een klein deel van het totale bedrag van US$ 447.275(4) dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen als door verdachte en zijn mededader witgewassen gelden in aanmerking heeft genomen. Afgezien van het bedrag van US$ 70.000 valt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet af te leiden dat verdachte en/of zijn mededader wisten dat de gestorte gelden door misdrijf verkregen waren.

31. Bij de bepaling van de opgelegde straf heeft het Hof onder meer in aanmerking genomen:

"Voorts heeft hij geld witgewassen, deels afkomstig uit voormelde oplichting, deels uit de bewezenverklaarde fiscale delicten, deels uit nog onopgehelderde andere bronnen. Middels het sturen van bedragen juist onder de MOT-meldingsgrens heeft de verdachte grote bedragen naar zijn offshore-company op [plaats] doorgesluisd. Ook deze strafbare feiten brengen het aanzien van de politie ernstig schade toe."

Dit betekent dat het Hof bij de strafoplegging het totale bedrag van US$ 447.275 als door verdachte witgewassen in aanmerking heeft genomen en zich daarbij niet heeft beperkt tot het bedrag van US$ 70.000 waarvoor bewijs in het arrest van het Hof is te vinden. Het door het middel gesignaleerde manco in de bewijsmiddelen is, ook wanneer in aanmerking wordt genomen dat het bewijs van witwassen voor een klein deel uit de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen kan worden afgeleid, dus niet van ondergeschikte betekenis. Dit betekent dat het arrest van het Hof voor wat betreft het onder 7 bewezenverklaarde niet in stand kan blijven.

32. Het middel slaagt.

33. De middelen 1, 2 en 4 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

34. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

35. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 7 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en in zoverre terugwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. ten aanzien van het vergelijkbare art. 225 Sr zoals dat gold tot 1 augustus 1992: HR 22 september 1987, NJ 1988, 493 en HR 1 november 1988, NJ 1989, 457.

2 Vgl. HR 6 september 2005, LJN AT7553, NJ 2006, 85.

3 Vgl. HR 20 februari 2007, NJ 2007, 146.

4 US$ 115.000 + 267.125 + 65150