Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK3571

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
08/02245
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK3571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Executierecht. De schade waarvoor de Staat ex 480 lid 3 Rv. hoofdelijk aansprakelijk is, omvat mede de marktconforme rente die deurwaarder, in wiens handen de executieopbrengst is gestort, over de door hem bij een bewaarder als bedoeld in art. 480 lid 2 Rv. te storten netto-opbrengst behoort te bedingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 480
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 213
RAV 2010, 40
NJ 2011/236 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
NJB 2010, 332
JWB 2010/21
JOR 2010/170
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 08/02245

Mr. Huydecoper

Zitting van 13 november 2009

Conclusie inzake

De Staat der Nederlanden (Ministerie Van Justitie)

eiser tot cassatie

tegen

1. Lehman Brothers International (Europe)

2. Amsterdam Trade Bank N.V.

3. East-West United Bank Sa

4. Skian Management Sa

5. Tradex Enterprises Ltd

6. Ingosur B.V.

7. Stichting Geelvinck Hinlopen Huis

verweerders in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. In deze zaak waren de verweerders in cassatie, Lehman Brothers c.s., de belanghebbenden bij de executoriale verkoop van een pakket aandelen.

De - aanzienlijke - opbrengst van deze verkoop is door de met de executie belaste deurwaarder overeenkomstig art. 480 lid 2 Rv. op een zgn. derdenrekening van het deurwaarderskantoor gestort. Daarna is er geruime tijd tussen de belanghebbenden getwist over de verdeling van de executieopbrengst. Toen daarover duidelijkheid was verkregen, bleek dat het deurwaarderskantoor in kwestie was gefailleerd, en dat de gelden vóór het faillissement van de derdenrekening waren afgeboekt(2).

2. De belanghebbenden hebben vervolgens op de voet van art. 480 lid 3 Rv. van de Staat verlangd dat deze als hoofdelijk aansprakelijke debiteur de verplichtingen die de deurwaarder niet was nagekomen, jegens hen zou inlossen. Wat betreft de hoofdsom - de "kale" netto-opbrengst van de executie - heeft de Staat dat ook gedaan. Lehman Brothers c.s. maakten echter ook aanspraak op rente die, naar hun oordeel, door het deurwaarderskantoor op de gedeponeerde executieopbrengst was gekweekt, en(/of) op de rente die daar bij zorgvuldig beheer over had kunnen worden bedongen. De Staat betwist in deze zaak dat hij ook voor deze post aansprakelijk kan worden gehouden. Daartoe wordt vooral aangevoerd dat het hier niet zou gaan om een krachtens art. 480 Rv. op de deurwaarder rustende verplichting; terwijl de aansprakelijkheid op de voet van art. 480 lid 3 Rv. beperkt is tot krachtens art. 480 Rv. op de deurwaarder rustende verplichtingen.

3. Bij een in de eerste aanleg gewezen tussenvonnis verwierp de rechtbank de zojuist kort weergegeven zienswijze van de Staat en nam de rechtbank aan dat de Staat in beginsel aansprakelijk is voor de rente die namens Lehman Brothers c.s. werd gevorderd. De zaak werd aangehouden met het oog op nadere instructie aangaande het bedrag van de rente waarop Lehman Brothers c.s. aanspraak zouden hebben.

4. Nadat verlof was verkregen om van het zo-even genoemde tussenvonnis langs de weg van sprongcassatie(3) cassatieberoep in te stellen, en ingevolge een daartoe strekkende afspraak van partijen, is namens de Staat tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(4). Van de kant van Lehman Brothers c.s.(5) is tot verwerping geconcludeerd. De partijen hebben hun standpunten van weerszijden schriftelijk laten toelichten. Zijdens de Staat is gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5. Het gaat, zoals hiervoor al bleek, in dit cassatiegeding om de uitleg van art. 480 Rv., en dan speciaal om de hoofdelijke aansprakelijkheid die in lid 3 van die bepaling op de Staat wordt gelegd.

Blijkens de Parlementaire geschiedenis is bij de totstandkoming van het huidige BW aanvankelijk wel gemeend dat het in art. 480 lid 3 Rv. geregelde geval als een "species" zou moeten worden gezien in het kader van een meer algemene regel die de Staat aansprakelijk stelt voor onrechtmatig handelen van deurwaarders en notarissen in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.

Zie over die gedachte de Memorie van Antwoord II bij art. 3.9.4.16(6) - het huidige art. 3:270 BW -, waar wordt gezegd:

"Tenslotte is na het vijfde lid nog een nieuw lid 6 ingevoegd, waarin wordt bepaald dat ingeval de ingevolge dit artikel op de notaris rustende verplichtingen niet worden nagekomen, de Staat met de notaris hoofdelijk jegens de belanghebbenden aansprakelijk is. In de toelichting van Meijers p. 286 onderaan (a) wordt aangenomen dat een zodanige aansprakelijkheid reeds uit de algemene beginselen kan worden afgeleid. De ondergetekende meent evenwel dat een uitdrukkelijke bepaling hier niet overbodig is. Enerzijds is hier een aansprakelijkheid van de Staat op zijn plaats, nu ingevolge de artikelen 1 en 2 van de Wet op het Notarisambt de notaris een openbaar ambtenaar is, die door de Koning wordt benoemd, en voorts ingevolge het onderhavige artikel voor de belanghebbenden geen andere mogelijkheid openstaat dan afwikkeling van de executie op een wijze waarbij men tot toevertrouwing van de opbrengst van het goed aan een notaris gedwongen is. Men vergelijke in dit verband ook art. 3.1.2.11 lid 3 en de laatste alinea van Meijers' toelichting daarbij. Anderzijds mag er naar het oordeel van de ondergetekende niet op worden vertrouwd dat de rechter een aansprakelijkheid als hier bedoeld ook zonder uitdrukkelijke bepaling zal aanvaarden. De vraag of de Staat in het algemeen voor schade ontstaan tengevolge van door een notaris bij het uitoefenen van zijn ambtsbezigheden gepleegde onrechtmatige daden aansprakelijk is, is voor het huidige recht omstreden. Men zie b.v. Eggens, W.P.N.R. 3249, p. 131 noot 19, en de Bruyn, Praeadvies voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland over het verhaalsrecht van de eerste hypotheekhouder, 1965, p. 35, noot 1. Bovendien schijnt een verder strekkende aansprakelijkheid van de Staat nodig dan uitsluitend voor door de notaris zelf gepleegde onrechtmatige daden. Het is immers mogelijk dat het in feite handelingen zijn van het personeel van de notaris die ertoe leiden dat deze zijn verplichtingen uit het onderhavige artikel niet nakomt. Dit behoort naar het oordeel van de ondergetekende voor de aansprakelijkheid van de Staat geen verschil te maken. Maar nu het notarispersoneel in tegenstelling tot de notaris zelf nóch ambtenaar is, nóch ondergeschikte van de Staat, zal dit uitdrukkelijk moeten worden bepaald. (etc.)".

6. Als de invoering van art. 480 Rv. specifiek aan de orde komt, is men intussen van deze gedachte teruggekomen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 waar deze bepaling aan de orde komt(7) haal ik aan:

"Het derde lid bevat een soortgelijke regel als artikel 3.9.4.16 lid 6 inhoudt voor de notaris die het verhypothekeerde goed heeft verkocht. Wat daar voor de notaris is bepaald, dient ook te gelden voor de deurwaarder. Ook hier schrijft de wet immers in het algemeen belang voor dat de door executie verkregen gelden aan de met deze executie belaste functionaris moeten worden toevertrouwd in het belang van allen die bij de executie betrokken zijn. Men hoede zich ervoor uit hetgeen voor dit bijzondere geval geldt conclusie te trekken met betrekking tot de positie van de deurwaarder in het algemeen, nu deze bij de executie krachtens artikel 434 uitsluitend in opdracht van de executant optreedt en dus in de eerste plaats diens belangen heeft te behartigen."

7. Veel méér werkelijk terzake dienends heb ik, tot mijn spijt, over het onderwerp van de huidige cassatieprocedure niet kunnen vinden. In de literatuur wordt, kennelijk op het voetspoor van de zojuist aangehaalde wetsgeschiedenis, aangenomen dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de Staat is ingegeven door het feit dat de wet de betrokkenen verplicht om de gelden in kwestie aan de deurwaarder (c.q. de notaris) toe te vertrouwen(8). (Ik merk op dat betrokkenen overigens vrij zijn om gezamenlijk anders te besluiten. Van deze uitzonderingsmogelijkheid wordt kennelijk, en wat mij betreft begrijpelijk, aangenomen dat die niet afdoet aan de in het algemeen voor de betrokkenen geldende "dwangpositie".)

Namens de Staat wordt, in het verlengde hiervan, benadrukt dat de aanvankelijk misschien mede "gevoelde" gedachte dat de Staat voor de bedoelde functionarissen in hun hoedanigheid van ambtenaar aansprakelijk zou zijn, zich niet heeft doorgezet; en namens de Staat wordt met veel nadruk naar voren gebracht dat nergens in de wordingsgeschiedenis van de relevante bepalingen (waarbij ook nog naar andere enigszins vergelijkbare regelingen wordt verwezen) enige vingerwijzing is te vinden naar het onderwerp: rente.

8. Dat zijn ongetwijfeld argumenten waar het nodige gewicht aan toekomt. En toch - als doorslaggevend kan ik die argumenten niet waarderen.

Het eerste argument - men is afgestapt van gedachten die ertoe strekten dat de Staat voor deurwaarders en notarissen als "zijn" ambtenaren aansprakelijk zou zijn - doet er niet aan af dat de wetgever het noodzakelijk heeft geoordeeld, wél een aansprakelijkheid ten laste van de Staat te vestigen voor de nakoming, door deze ambtenaren (en hun personeel - zoveel mag uit het als eerste aangehaalde citaat toch wel worden afgeleid), van de verplichting om de uit executie verkregen opbrengsten (zorgvuldig) te beheren. De beoogde aansprakelijkheid lijkt niet beperkt van strekking te zijn. Dat maak ik onder meer op uit de verwijzing, in de in alinea 5 hiervóór aangehaalde vindplaats, naar "...een verder strekkende aansprakelijkheid van de Staat [nodig] dan uitsluitend voor door de notaris zelf gepleegde onrechtmatige daden".

9. Daarbij is inderdaad geen gewag gemaakt van een mogelijke aansprakelijkheid voor gederfde rente; maar er wordt wel, in algemeen gekozen bewoordingen, gesproken van "verplichtingen welke krachtens dit artikel op de (deurwaarder c.q. notaris) rusten". Die formulering laat ruimte voor een veelheid aan verplichtingen. Of, om de zaak enigszins om te keren: had men inderdaad een zo beperkte verplichting voor ogen gehad als de Staat in deze zaak bepleit, dan had een beperktere formulering, ongeveer als "aansprakelijk voor de netto-opbrengst voor zover die als gevolg van tekortschieten ten opzichte van het hiervóór bepaalde niet blijkt te kunnen worden uitgekeerd" méér voor de hand gelegen.

Art. 480 lid 3 Rv. spreekt ook niet van "het hem toekomende" waarop het vorige lid doelt, maar van vergoeding van de uit de tekortkomingen van de deurwaarder voortvloeiende schade. Ook die woordkeus suggereert een andere strekking dan de alleszins beperkte die van de kant van de Staat wordt verdedigd.

10. Daarmee is meteen ook gegeven waarom het tweede namens de Staat benadrukte argument mij niet doorslaggevend lijkt: als men eenmaal rekening houdt met de mogelijkheid dat (de formulering van) art. 480 lid 3 Rv. op een breder scala aan verplichtingen en schadefactoren betrekking kan hebben dan de enkele verplichting, te zorgen dat de executieopbrengst op een bankrekening belandt en daar ook blijft staan tot de verdeling onder de rechthebbenden kan worden geëffectueerd(9) en dus ook niet beperkt hoeft te zijn tot daarmee rechtstreeks in verband te brengen schade, is het niet verbazend dat aan een mogelijke aanspraak op rente - het gaat hier om slechts één van de mogelijke verdergaande verplichtingen en schadefactoren waaraan men zou kunnen denken, zij het wel een zeer relevante - niet apart aandacht is besteed.

11. Maar ook overigens komt aan dit gegeven volgens mij niet het aanmerkelijke gewicht toe dat de Staat eraan toegekend wil zien. Het is nu eenmaal aan wettelijke regelingen, en ook aan de daarbij behorende stukken uit het Parlementaire debat, tot op zekere hoogte eigen dat die zich op hoofdzaken concentreren en dat aan de details vaak voorbij wordt gegaan. Dat in het onderhavige debat rente niet ter sprake komt kan wat mij betreft daarom even goed - of zelfs beter - betekenen dat dit een detail betreft dat de wetgever niet onder ogen heeft gezien, dan dat hiermee - stilzwijgend - bedoeld zou zijn dat rente moest worden aangemerkt als vallend buiten het bereik van de door dit artikel beoogde verplichtingen of schadefactoren.

12. Relevant lijkt mij in dit verband dat het niet vanzelf spreekt - en ten tijde van de totstandkoming van de onderhavige wettelijke regelingen waarschijnlijk nog minder als vanzelfsprekend werd beschouwd(10) - dat het tot de verplichtingen van een zorgvuldige notaris of deurwaarder behoorde om te zorgen dat onder de betrokkene berustende gelden van derden rentedragend werden "aangehouden". Ook vandaag de dag geldt nog dat een dergelijke verplichting niet in alle gevallen geldt, maar dat dat afhankelijk is van de omstandigheden - waaronder: de grootte van de desbetreffende bedragen en de te verwachten duur van het "verblijf" onder de notaris of deurwaarder(11). Bij gebreke van een voor alle gevallen en als vaste regel aan te nemen verplichting om "rentedragend" te deponeren, is des te beter te begrijpen dat men in het Parlementaire debat voor die verplichting geen aandacht heeft gehad.

13. Daarentegen lijkt mij wél aannemelijk dat men bij de totstandkoming van de onderhavige regeling(en) voor ogen had een verplichting van de notaris dan wel de deurwaarder om als een goed bewaarder voor de belangen van de betrokkenen te waken. In de aanhalingen uit de Parlementaire geschiedenis die ik hiervóór weergaf komt de nadruk gaandeweg te liggen op het feit dat betrokkenen er - door de wet, en in het algemeen belang - op zijn aangewezen dat relevante bedragen langere tijd onder de berusting van de met executie belaste functionaris kunnen (moeten) blijven. De gedachte dat betrokkenen dan een zekere waarborg moet worden geboden, niet alleen dat "hun" geld niet wordt zoekgemaakt maar óók dat daar met een zeker minimum aan zorgvuldigheid mee wordt omgegaan, dringt zich met dat beeld voor ogen enigszins op. Dat de wetgever voor de geest zou hebben gestaan dat het een wél door de Staat moest worden gegarandeerd maar het ander nu juist niet, lijkt mij ook in dat licht het tegendeel van aannemelijk.

14. Zoals zojuist al zal zijn gebleken, meen ik dat noch destijds noch vandaag de dag kan worden gesproken van een algemeen geldende en ongeclausuleerde verplichting voor "professionals" om onder hun beheer berustende gelden van anderen op rentedragende rekeningen te plaatsen; maar ik denk dat wél inmiddels algemeen wordt aanvaard dat een verplichting van deze strekking kán bestaan, afhankelijk van het belang (en dan vooral: het bedrag waar het om gaat, mede in het licht van de met beheer gemoeide administratieve belasting), en de te verwachten tijdsduur van het beheer(12). De norm lijkt te zijn, wat het van de professional te vergen minimum aan zorgvuldigheid in de gegeven situatie meebrengt. Die norm gold, naar ik meen, ook (al) ten tijde van het (niet) handelen van de deurwaarder dat aan de in deze zaak ingestelde vordering ten grondslag wordt gelegd.

15. Van de kant van de Staat wordt overigens erkend dat de Gerechtsdeurwaarderswet expliciete verplichtingen op deurwaarders legt om te zorgen voor een redelijke renteopbrengst van door hen voor derden beheerde gelden. Waarom, volgens de Staat, volgehouden zou kunnen worden dat ook na de inwerkingtreding van deze wet geen rekening met deze verplichting zou mogen worden gehouden (omdat de deurwaarder in deze zaak de gelden al van vóór de inwerkingtreding onder zijn beheer had), is mij eerlijk gezegd niet duidelijk geworden. In ieder geval lijkt die gedachte mij niet juist. En zoals ik al liet blijken: ik denk dat deze wettelijke regeling voortbouwt op wat daarvóór naar ongeschreven recht in ongeveer dezelfde omvang al gold.

16. Namens de Staat wordt nog beklemtoond dat de thans in art. 480 Rv. neergelegde plicht om de executieopbrengst bij - kort gezegd - een bank te storten verwijst naar art. 445 Rv.; en dat die bepaling in een eerder - maar wel: lang geleden - geldende versie erin voorzag dat de executieopbrengst ter griffie moest worden gedeponeerd (waarbij, naar in de rede ligt, geen rente tegemoet kon worden gezien). Bij wijziging van de regeling in 1972, in die zin dat depot voortaan bij een bankinstelling moest plaatsvinden, zouden geen "economische" maar praktische motieven hebben voorgezeten. Daaraan zou ook de conclusie mogen worden verbonden dat - destijds - geen rentedragend depot beoogd zou zijn.

17. In het licht van het eerder besprokene zal duidelijk zijn waarom (ook) dit argument mij niet overtuigt: het kan zo zijn dat bij de wetswijziging in 1972 waarbij het "oude" art. 445 Rv. werd gewijzigd (nog) niet als regel was aanvaard dat de beheerder van voor langere tijd gedeponeerde en substantiële bedragen in beginsel heeft te zorgen voor een rentevergoeding (wat dan misschien kan verklaren waarom die mogelijkheid destijds niet ter sprake is gekomen) - bij de inwerkingtreding van art. 480 Rv., zo'n 20 jaar later, was inmiddels wél in brede kring aanvaard dat deze mogelijkheid bestaat (waarvan onder meer de in 1980 in werking getreden regeling voor geconsigneerde gelden getuigt). Bij die gelegenheid is gekozen voor een wettekst die bepaald niet uitsluit dat ook een verplichting als hier bedoeld op de deurwaarder kan rusten én dat de aan de Staat opgelegde hoofdelijke aansprakelijkheid zich daar dan ook toe uitstrekt; en een wettekst die, met name wat dat laatste betreft, door zijn ruime formulering eerder het tegendeel suggereert. Dan komt aan een aan de wetgever in 1972 stilzwijgend toe te dichten bedoeling, als men al wil aannemen dat die destijds heeft voorgezeten, nauwelijks meer betekenis toe.

18. Hiervóór heb ik twee uitkomsten verdedigd:

- de argumenten die ertoe strekken dat art. 480 lid 3 Rv. een beperkte uitleg verdient en dat bij die uitleg verplichtingen terzake van rente over de executieopbrengst buiten het bereik vallen van de verplichtingen van de deurwaarder voor de nakoming waarvan de Staat ingevolge die bepaling hoofdelijk aansprakelijk is, lijken mij onaannemelijk. Zowel de wettekst als de strekking van de wet wijzen eerder op een aansprakelijkheid die de aan het tekortschieten van de deurwaarder bij het beheer van de executieopbrengst toe te rekenen schade, (geheel) voor risico van de Staat brengt.

- Er bestond ten tijde van de aan de deurwaarder verweten handelingen wél een (ongeschreven) rechtsregel die ertoe strekte dat professionals zoals deurwaarders die aanzienlijke bedragen voor langere tijd ten behoeve van derden-belanghebbenden in beheer kregen, verplicht waren om voor een redelijk te achten rente-opbrengst te zorgen en om die opbrengst (eventueel: minus een redelijke vergoeding voor hun kosten en moeite) aan de betrokkenen ten goede te laten komen. Sedert de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet is een verplichting van deze strekking overigens in de wet (en daarop berustende regelgeving) zelf neergelegd, en faalt het betoog dat een dergelijke verplichting niet zou bestaan al om die reden.

19. Met die twee uitkomsten voor ogen meen ik dat de klachten van het middel alle moeten worden verworpen. Onderdeel 1 berust op een "enge" interpretatie van de verplichtingen waarvoor art. 480 lid 3 Rv. hoofdelijke aansprakelijkheid van de Staat meebrengt, terwijl ik hiervóór voor een andere en ruimere uitleg heb gekozen. Dit onderdeel berust dus, wat mij betreft, op een verkeerde rechtsopvatting. Onderdeel 2.1 neemt ten aanzien van de verplichting van een deurwaarder om in beheer gegeven gelden rentedragend te "beleggen" een ander standpunt in dan ik voor juist houd - ook hier dus een onjuiste rechtsopvatting. Onderdeel 2.2 herhaalt, met betrekking tot de in onderdeel 2.1 bedoelde verplichting, de enge uitleg van art. 480 lid 3 Rv. die ook aan onderdeel 1 ten grondslag ligt en die ik ook in het iets gewijzigde verband dat in middelonderdeel 2.2 wordt aangegeven, niet juist acht.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Vooral ontleend aan rov. 2.1 - 3.3 van het in cassatie bestreden vonnis van 13 februari 2008.

2 De details van deze enigszins sensationele gebeurtenissen zijn voor de beoordeling in cassatie niet van belang. Ik onthoud mij dan ook van nadere beschouwingen daarover. Belangstellenden kunnen enige nadere details vernemen uit Het Parool, 21 augustus 2009 en 17 juli 2009; Hof Amsterdam 9 maart 2006, LJN AV5217; Rb. Amsterdam 20 december 2006, NJF 2007, 240; Rb. Haarlem 17 januari 2006, LJN AU9901; Hof Amsterdam 31 maart 2005, LJN AT3607.

3 Cassatieberoep op de voet van art. 398 onder 2° Rv.

4 Het tussenvonnis is, zoals al even ter sprake kwam, van 13 februari 2008. De cassatiedagvaarding is op 9 mei 2008 uitgebracht.

5 Aan de hand van de uitgebreide publiciteit over de deconfiture van het Amerikaanse Lehman Brothers-concern zou men licht kunnen denken dat iets dergelijks ook de eerste verwerende partij in cassatie kan zijn overkomen. Het betreft hier echter een feitelijk gegeven waarover de partijen in cassatie niets hebben meegedeeld. Aan de hand van de beschouwingen van Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 106 kan men besluiten dat dit betekent dat in cassatie aan mogelijke insolventie (of iets dergelijks) van deze partij voorbij moet worden gegaan.

Voor het geval daarover anders zou zijn te denken: uit via het Internet verkrijgbare gegevens valt op te maken dat Lehman Brothers International (Europe) met ingang van 15 september 2008 "in administration" is bij PriceWaterhouseCoopers UK. Kennelijk betreft het hier een insolventieprocedure naar in het Verenigd Koninkrijk geldend recht. (Zie:http://www.pwc.co.uk/eng/issues/lehman_updates.html.)

De Britse rechtsfiguur van administration is een op reorganisatie gerichte vorm van insolventie, enigszins te vergelijken met surseance van betaling (zie voor gegevens McBryde c.s., Principles of European Insolvency Law, 2003, p. 193 e.v.).

Aannemend - wat mij inderdaad zeer aannemelijk lijkt - dat de Britse Lehman Brothers als kredietinstelling is aan te merken, geldt daarvoor de regeling van Richtlijn 2001/24/EG (Pb L125/15). Ingevolge art. 32 van deze Richtlijn worden de gevolgen van insolventie voor aanhangige rechtsgedingen beheerst door het recht van de lidstaat waar het geding aanhangig is. Hier zou dan toepassing van art. 231 Fw in aanmerking komen. Mede in aanmerking genomen dat deze zaak in cassatie reeds in staat van wijzen verkeerde toen de "administration" van de Britse Lehman Brothers inging, meen ik dat dit gegeven geen gevolgen voor het verdere verloop van de cassatieprocedure heeft.

Wanneer de Britse Lehman Brothers géén kredietinstelling zou zijn, verkrijgt men door toepassing van art. 231a Fw dezelfde uitkomst.

6 Van Zeben c.s., Parlementaire Geschiedenis Boek 3, 1981, p. 833 - 834.

7 Reehuis - Slob, Invoering Boeken 3, 5 en 6, Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (etc.), 1992, p. 198.

8 Bijvoorbeeld T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Gieske, 2008, art. 480, aant. 6; Van der Does - Snijders, Overheidsprivaatrecht, Mon. NBW A26, 2001, p. 92; (nog) geïnspireerd door de benadering uit de in alinea 5 aangehaalde vindplaats lijkt mij T&C Burgerlijk Wetboek boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Huijgen, 2009, art. 270, aant. 5. Een iets andere (maar niet relevant afwijkende) invalshoek vindt men bij Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Van Mierlo, Boek II A Inleiding executie- en beslagrecht, aant. 18.

9 Fijnproevers zullen al hebben opgemerkt dat de laatstgenoemde verplichting ook niet expliciet in art. 480 Rv. wordt genoemd (en, voeg ik toe: daarvan heb ik ook in de wetsgeschiedenis geen vermeldingen aangetroffen). Toch voert ook de Staat niet aan dat dit niet tot de door de regeling beoogde verplichtingen zou behoren.

10 Hoewel de gedachte dat wie goed voor een ander beheert daarom gehouden is de belangen van die ander naar behoren te behartigen al op steun in Bijbelse bronnen kan rekenen (ik denk dan aan Mattheus 25:14 - 30 en Lucas 19:11 - 27), vindt men pas in de laatste decennia van de vorige eeuw algemeen aanvaard dat "professionals" als notarissen, advocaten en ook deurwaarders, wanneer zij voor langere tijd relevante bedragen voor anderen onder beheer krijgen, verplicht zijn zich te bekommeren om een redelijke renteopbrengst van het in beheer gegeven geld. Zie voor de ontwikkeling in het denken hierover bijvoorbeeld Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen, 1994, nr. 69. Illustratief voor deze tendens lijkt mij, dat ook de Wet op de consignatie van gelden (Wet van 27 augustus 1980, S. 473) in art. 9 voorziet in de toerekening van een rentevergoeding op geconsigneerde gelden.

De regeling die nu in art. 15a van de Gerechtsdeurwaarderswet is neergelegd merk ik dan ook niet aan als iets nieuws in verhouding tot een verleden waarin iets dergelijks niet placht te worden aangenomen, maar als de weerslag van een gaandeweg gegroeide overtuiging ten aanzien van wat een behoorlijke professional in dergelijke omstandigheden betaamt.

11 Nogmaals: Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen, 1994, nr. 69; zie voor een illustratie Raad van Discipline Amsterdam 1 juni 1992, Advocatenblad 1993 p. 106 e.v. Over de vraag onder welke omstandigheden in redelijkheid aanspraak op rente kan worden gemaakt zijn interessante beschouwingen te vinden in HR 16 december 1988, NJ 1989, 433 m.nt. MMM, rov. 3.3.

12 Opnieuw: Asser-Kortmann-De Leede-Thunnissen, 1994, nr. 69 en de verdere daar genoemde bronnen. Zie ook Hof van Discipline 21 februari 2005, nr. 4137, door mij geraadpleegd via de "website" www.advocaten-orde.nl. De regel uit de Boekhoudverordening waar in deze vindplaats naar wordt verwezen is vermoedelijk die van art. 4 van de modelovereenkomst die als bijlage bij de Boekhoudverordening is vastgesteld, zie het Vademecum Advocatuur deel 1, Wet- en regelgeving, 2009, p. 166.

Zie verder Steneker, Kwaliteitsrekening en afgescheiden vermogen, diss. 2005, p. 39 - 40 en de bronnen waarnaar daar wordt verwezen. Deze bronnen spreken zich niet uit over een plicht om voor rentedragende belegging te zorgen, maar alleen over de plicht om rente die in feite gekweekt is, aan de belanghebbenden ten goede te laten komen. Zie hiervoor ook Rb. Middelburg 27 november 1997, Schip en Schade 1998, 89, rov. 5.1 en WenR Rv 2007 (Van der Kwaak), art. 480, nr. 1.