Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK3539

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
09/00234
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK3539
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. Het betoog van de raadsman kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. de bruikbaarheid van een briefje voor het bewijs. Het Hof is daarvan afgeweken door het briefje en het resultaat van de handschriftanalyse tot bewijs te bezigen, maar heeft in strijd met art. 359.2 Sv niet i.h.b. de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat leidt tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 151

Conclusie

Nr. 09/00234

Mr. Machielse

Zitting 10 november 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte 2](1)

1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 26 maart 2008 voor 1 primair: Medeplegen van opzettelijke uitlokking van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, door giften en beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of inlichtingen, meermalen gepleegd, voor 2 subsidiair: Medeplegen van opzettelijke uitlokking van bedreiging met brandstichting door beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of inlichtingen, en voor 3 primair: Medeplegen van opzettelijke uitlokking van brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, door beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of inlichtingen en Medeplegen van opzettelijke uitlokking van brandstichting, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, door beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of inlichtingen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden.

2. Mr. M.T.C. Bikker, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in cassatiefase. Op 4 april 2008 is cassatie ingesteld en het dossier is eerst op 14 januari 2009 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

3.2. Inderdaad is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met een maand en 10 dagen overschreden. Deze schending van de redelijke termijn dient te worden gecompenseerd met een vermindering van de opgelegde straf.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof is afgeweken van door de verdediging betrokken onderbouwde standpunten zonder de redenen daarvan te doen blijken. In hoger beroep is de betrouwbaarheid in twijfel getrokken van een analyse van een handschrift en van de verklaringen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben afgelegd. Tevens heeft de verdediging de herkenning door getuige [medeverdachte 1] van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep als onbetrouwbaar betwist.

4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in appel van 12 maart 2008 vermeldt dat de raadsman het woord heeft gevoerd tot verdediging overeenkomstig de overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Die pleitaantekeningen hebben hoofdzakelijk betrekking op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Tevens worden de resultaten van het vergelijkend handschriftonderzoek, uitgevoerd door een deskundige van het NFI, bekritiseerd.

4.3. De bedenkingen in de pleitnota kunnen bezwaarlijk anders worden beschouwd dan als een onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van dit bewijsmateriaal.(2) Het hof heeft de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het bewijs gebruikt en is zodoende afgeweken van het onderbouwde standpunt van de verdediging, zonder de redenen voor deze afwijking op te geven. Aldus is art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet nageleefd hetgeen tot vernietiging dient te leiden.

5.1. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen in elk van de bewezenverklaarde feiten. Uit gebezigde bewijsmiddelen zou niet van een nauwe, bewuste en volledige samenwerking kunnen blijken met betrekking tot de uitlokking van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2].

5.2. Het hof heeft het bewijs gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/04-365906, gesloten en getekend op 10 november 2004 [verbalisant 3] en [verbalisant 5], beide voornoemd (als bijlage op pagina 64 tot en met 73 van het dossier genummerd PL0618/04- 207612) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 2]:

[Medeverdachte 1] heeft mij verteld dat hij een klusje in [plaats C] moest gaan doen. Toen hij het me vertelde was hij bang. Hij durfde het niet. [Medeverdachte 1] had het er over dat hij in [plaats C] een huis moest afbranden. In ieder geval moesten er mensen weg. Ze moesten verhuizen. Eerst dacht hij dat hij een handgranaat naar binnen moest gooien. Ik kreeg het briefje met de namen van [slachtoffer 2,3 en 4] en [slachtoffer 5] dat bij mij thuis is aangetroffen van de opdrachtgever van [medeverdachte 1]. Wat ik heb begrepen kennen [verdachte 2] en [verdachte 1] elkaar uit het stratenmakerswereldje van vroeger. [Medeverdachte 1] heeft mij verteld dat het om de stenenhandel van [verdachte 1] uit [plaats C] gaat. [Medeverdachte 1] moest nog een keer naar de woning van de familie [slachtoffer 2,3 en 4], omdat het niet goed genoeg was van dezelfde opdrachtgever. [Medeverdachte 1] kwam dus bij mij dat het huis dus plat, afgebrand, moest worden. Ik heb tegen [medeverdachte 1] gezegd dat als het ik zou moeten doen, ik een hoop herrie zou maken zodat men wakker zou worden, geen brand bij het huis zou stichten en een brandje in de tuin zou maken. We spraken toen af dat hij een fles met benzine naar binnen zou gooien. Hij heeft de lont eerst aangestoken en daarna weer uitgemaakt voordat hij het lontje in de fles benzine stopte. [Medeverdachte 1] is daar toen heengegaan. Hij heeft mij later verteld dat hij die fles benzine naar binnen had gegooid en een autoband in de brand had gestoken. Later is [medeverdachte 1] in mijn bijzijn gecomplimenteerd dat het gelukt was. Daarna was het ineens weer niet goed. De opdrachtgever hoorde later dan ook dat er geen echte brand was geweest.

12. Het schriftelijke bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een kopie van een met de hand door [medeverdachte 1] geschreven brief (als bijlage op pagina 52 tot en met 55 van het dossier genummerd PL0618/04-207612) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

Met het verdwijnen van die 6500 pillen in [plaats A] is het helemaal misgegaan. Voor mij is dus een schuld ontstaan bij [verdachte 2]. [Verdachte 2] is een goede vriend van de opdrachtgever van de brandstichting. Deze opdrachtgever is [verdachte 1] uit [plaats C] eigenaar van steenhandel [B] eveneens in [plaats C]. [Verdachte 2] heeft mij verteld dat deze [verdachte 1] opdrachtgever is van de brandstichting. Ik heb deze [verdachte 1] eenmalig gezien (vluchtig). Hij zat toen achter het stuur van een grote grijze Mercedes Benz. Dit was in [plaats B] bij de autohandel [A]. [Verdachte 2] werd aangestuurd door deze [verdachte 1]. Dat weet ik omdat [verdachte 2] mij dit heeft verteld. [Verdachte 2] heeft mij enkele dagen na de telefonische bedreigingen door mij en [medeverdachte 2] wederom benaderd bij de loods in [plaats B] en mij verteld dat ik nog één ding moest doen om van de schuld af te komen. Ik moest een molotov naar binnen gooien op het adres van de brandstichting in [plaats C]. [Verdachte 2] heeft mij toen een plattegrond overhandigd en gezegd dat dit snel moest gebeuren anders zou ik grote problemen krijgen. Ik ben toen op een nacht naar [plaats C] gereden en heb het bewust laten mislukken. De volgende dag heeft [verdachte 2] mij wederom benaderd en mij op het hart gedrukt dat ik opnieuw moest gaan en het deze keer echt goed moest doen. Ik ben toen in paniek naar [medeverdachte 2] gegaan en hem gevraagd om raad. De bewuste avond heb ik de Fiat Tipo van [medeverdachte 2] en mij meegenomen. Ik ben naar [plaats C] gereden en heb daar een steen door het raam gegooid en een klein brandje gesticht bij de auto die daar stond. Ik had een molotov bij me maar die heb ik niet aangestoken. Dat [medeverdachte 2] ook een keer een bedreiging heeft geuit staat los van deze hele zaak. Hij heeft dit gedaan om mij problemen te besparen en hij heeft ook niets voorbereid want hij heeft vanaf zijn eigen telefoon gebeld.

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, parketnummer 08/000046-03, opgemaakt en getekend op 29 oktober 2004 door [verbalisant 1], rechtercommissaris en [verbalisant 2], griffier (als bijlage op pagina 56 tot en met 63 van het dossier genummerd PL0618/04-207612) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 1]:

(...) De opdracht die ik had gekregen was om een steen door de ruit te gooien en daar achteraan een molotovcocktail. Aan die opdracht had ik niet voldaan en [verdachte 2] vond dat ik het nog een keer moest doen, hij zei dat het nu goed moest gebeuren.

[Verdachte 2] vertelde me voorafgaand aan de eerste keer waar ik moest zijn. Hij tekende een kleine plattegrond. [Verdachte 2] heeft mij verteld hoe ik moest rijden. Voor een deel heeft hij dat ook opgeschreven. Hij heeft de route in mijn bijzijn genoteerd op een blad van de bedrijfsagenda die lag in de bedrijfshal van [medeverdachte 2] en mij. Hij heeft er daarnaast nog mondelinge uitleg bij gegeven. Het adres heeft hij mij ook genoemd [a-straat]. De routebeschrijving van [verdachte 2] heb ik later weggegooid. Na de tweede aanslag in [plaats C] heb ik weer bij [verdachte 2] verslag uitgebracht. Ik heb hem verteld dat ik een steen door de ruit had gegooid en een brandje had gesticht. [Verdachte 2] was nog steeds niet tevreden. [Verdachte 2] heeft mij verteld dat de feitelijke opdrachtgever een man genaamd [verdachte 1] was die in [plaats C] een steenhandel dreef.

Ik zie de naam [slachtoffer 5] op het briefje dat u mij toont. Dat was inderdaad de tweede naam die [verdachte 2] mij noemde. Ik weet dat [medeverdachte 2] voor mij één of meer dreigtelefoontjes heeft gepleegd. Hij heeft mij dat later verteld. Hij zei dat [verdachte 2] bij hem kwam en dat [verdachte 2] wilde dat ik zou bellen. Ik was toen echter min of meer ondergedoken in [plaats E]. [Verdachte 2] kon mij niet bereiken. Toen heeft [medeverdachte 2] voor mij gebeld.

14. De verklaring van [medeverdachte 1] zoals afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem van 21 november 2007 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[Verdachte 2] heeft mij de opdracht gegeven om twee telefoonnummers te bellen en op een dreigende manier tegen die mensen te zeggen dat zij moesten verhuizen. [Verdachte 2] heeft mij ook de opdracht gegeven om op één van beide adressen een molotovcocktail naar binnen te gooien. [Verdachte 2] is vandaag aanwezig in de zittingszaal. (Het hof stelt vast dat de getuige de verdachte aanwijst als de persoon die hem voornoemde opdrachten heeft gegeven.)

Ik had een schuld bij [verdachte 2] in verband met drugs. Als ik het telefoontje zou plegen en de brand zou stichten, zou mijn schuld worden kwijt gescholden. Ik weet dat ik twee keer kort achter elkaar heb geprobeerd brand te stichten. Eén keer is er geen brand uitgebroken. Ik heb toen met een niet brandende plastic fles gegooid. De tweede keer heb ik een brandje gesticht bij een auto op een oprijlaan. Ik heb de routebeschrijving naar het adres tijdens mijn eerste gesprek met [verdachte 2] gekregen. Ik was in [plaats B] toen ik hoorde van de klus. [Verdachte 1] is hier met een grijze Mercedes geweest. Het hof stelt vast dat de getuige de terechtzitting aanwezige medeverdachte [verdachte 1] aanwijst als de persoon die hij in de grijze Mercedes heeft gezien. Volgens mij is dat de man die ik bij de loods van [A] heb gezien. Hij had te maken met de

opdracht die ik van [verdachte 2] kreeg. [Verdachte 1] is de eigenaar van de stenenhandel. [Verdachte 2] heeft mij in [plaats B] verteld dat de feitelijke opdrachtgever een man genaamd [verdachte 1] was.

(...)

17. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/04-365906, gesloten en getekend op 22 november 2004 [verbalisant 3] en [verbalisant 5], beide voornoemd (als bijlage op pagina 74 tot en met 80 van het dossier genummerd PL0618/04- 207612) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte 1]:

[Verdachte 2] heeft mij verteld dat hij een groot geldbedrag zou krijgen voor de bedreigingen en brandstichtingen. Ik dacht dat hij daar 5.000 euro voor kon krijgen. Het is in ieder geval geen vriendendienst. Mijn openstaande schuld van 3.200 euro was dan ineens verdwenen.

18. Het schriftelijke bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport vergelijkend handschriftenonderzoek d.d 10 januari 2005 opgemaakt en ondertekend door [de deskundige], vast gerechtelijke deskundige (als bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal genummerd PL0618/05-207612) voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

De betwiste notities op het stuk genummerd 03.07.15.018/102 (te weten een stuk ongelinieerd papier met notities leesbaar als [slachtoffer 2,3 en 4] [001] [slachtoffer 5] [002]) zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geschreven door de degene die de schrijfproef heeft vervaardigd, volgens opgave [verdachte 2].

19. Het schriftelijke bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een zich in een plastic mapje bevindende stukje papier genummerd 03.07.15.018/102 (als bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal genummerd PL0618/05-207612) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als volgt:

[slachtoffer 2,3 en 4]

[001]

[slachtoffer 5]

[002]

20. Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0618/04-207612, gesloten en getekend op 22 december 2004 door [verbalisant 6], [verbalisant 5] en [verbalisant 3] en alle drie voomoemd (als bijlage op pagina 7 tot en met 15 van het dossier genummerd PL0618/04-207612) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van die verbalisanten:

In de woning van de verdachte [medeverdachte 2] werd de volgende notitie aangetroffen: een briefje met de namen [slachtoffer 2,3 en 4] en [slachtoffer 5] met hun telefoonnummers."

5.3. Verdachte, een oude bekende van [verdachte 1], had macht over [medeverdachte 1]. De enige relatie die kan worden gelegd tussen [medeverdachte 1] enerzijds en [slachtoffer 2,3 en 4] en [slachtoffer 5] anderzijds loopt via verdachte naar [verdachte 1]. [Medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden geen enkele relatie tot de slachtoffers en hadden dan ook zelfstandig geen enkel belang bij intimidatie van de slachtoffers. [Verdachte 1] had dat belang wel omdat [slachtoffer 2,3 en 4] en [slachtoffer 5] bestuurslid waren van een stichting die zich verzette tegen de uitoefening van [verdachte 1] bedrijf op een lokatie die volgens het bestemmingsplan daarvoor niet was aangewezen. Verdachte heeft [verdachte 1] aan [medeverdachte 1] aangewezen als de opdrachtgever. [Medeverdachte 1] is tot actie overgegaan omdat zijn schulden zouden worden kwijtgescholden en omdat [verdachte 1] zijn boetes zou betalen.

5.4. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de [verdachte 1] aan de oorsprong van de intimidaties heeft gestaan. Ook heeft het hof kunnen komen tot de beslissing dat [verdachte 1] in nauwe samenwerking met verdachte [medeverdachte 1] onder druk heeft gezet en hem heeft overgehaald de feiten te plegen. De inlichtingen over de lokatie van de brandstichting en de telefoonnummers van de mensen die bedreigd moesten worden kunnen redelijkerwijs gesproken niet anders dan door [verdachte 1] verstrekt zijn. Via verdachte zijn die inlichtingen verstrekt en is betaling beloofd. Verdachte heeft [medeverdachte 1] ook nog kwijtschelding van zijn schuld in het vooruitzicht gesteld als hij de plannen van [verdachte 1] zou uitvoeren.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof onder 2 subsidiair bewezen heeft verklaard dat [medeverdachte 1] "opzettelijk dreigend" een molotovcocktail en/of een steen tegen de gevel en/of in de richting van een woning heeft gegooid. Dat [medeverdachte 1] deed "opzettelijk dreigend" heeft gedaan zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen zijn af te leiden.

6.2. Van het gooien van een steen en een molotovcocktail tegen een woning gaat een dreiging uit. De bewoners van de woning hebben alle reden om zich door deze gedragingen bedreigd te voelen. Dat [medeverdachte 1] volledig heeft beseft dat zijn gedragingen een bedreiging van de bewoners impliceerden lijkt mij aan geen enkele twijfel onderhevig.

De bewezenverklaring van dit onderdeel is naar mijn mening toereikend met redenen omkleed.

7. Het tweede middel lijkt mij gegrond zijn, hetgeen tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden. De rechter die zich opnieuw over de zaak zal dienen te buigen zal met de in het eerste middel gestelde schending van de redelijke termijn rekening dienen te houden als deze rechter tot een strafoplegging komt. Het derde en vierde middel kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige toepassing van het tweede lid van art. 440 Sv als de Hoge Raad in goede justitie zal menen te behoren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 08/01513 ([verdachte 1]) waarin ik ook heden concludeer.

2 Bijv. HR 16 december 2008, LJN BF3304; HR 13 januari 2009, LJN BG3533; HR 29 september 2009, LJN BJ2725.