Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK3526

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08/02169 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK3526
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijs milieudelicten door een rechtspersoon. 1. Handelen zonder vereiste vergunning. 2. Overtreding van vergunningsvoorschriften. Ad 1. De HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN AF7938 ten aanzien van de toerekening van een strafbare gedraging aan een rechtspersoon. Het hof heeft niet doen blijken of t.a.v. feit A aan genoemde criteria is voldaan en dat daaraan is voldaan kan ook uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer worden afgeleid. De bewezenverklaring is dus in dit opzicht ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. De in art. 18.18 Wm en art. 30a Wvo neergelegde verbodsbepalingen richten zich tot degene die de inrichting waaraan de vergunning is verbonden, drijft. T.a.v. feit B kan niet uit de bewijsvoering volgen dat verdachte als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt nu daaruit niet zonder meer kan volgen dat verdachte feitelijk zeggenschap had over (alle) onder B bewezenverklaarde gedragingen, althans het in haar macht had de desbetreffende overtredingen van de vergunningsvoorschriften te beëindigen. De in dat verband door het Hof in aanmerking genomen f&o zijn daartoe ontoereikend waarbij in het oog springt dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent verdachte enerzijds en X anderzijds gesloten privaatrechtelijke overeenkomst en de daarin opgenomen verplichtingen en afspraken. T.a.v. feit C heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte de vereiste (feitelijke) zeggenschap toekwam, nu zij de desbetreffende overtreding kon voorkomen en ook beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/819
NJ 2010/476 met annotatie van N. Keijzer
NJB 2010, 1417
M en R 2010, 40K
NBSTRAF 2010/268
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02169 E

Mr. Vellinga

Zitting: 10 november 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens A. "overtreding van artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon" en B. "overtreding van artikel 18.18 van de Wet milie[u; whv]beheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 5.000, - en wegens C. "overtreding van artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, begaan door een rechtspersoon" tot een geldboete van € 500, -.

2. Namens verdachte heeft mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat te Rosmalen, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

4. Het cassatieberoep is ingesteld op 14 februari 2007. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 15 mei 2008 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Naar aanleiding van het middel merk ik voorts op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

5. Het middel is terecht voorgedragen. Acht de Hoge Raad met mij het tweede middel voor wat betreft het onder A en B bewezenverklaarde gegrond, dan kan gelet op de hoogte van de voor het onder C bewezenverklaarde opgelegde geldboete worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.(1)

6. Het tweede middel klaagt over 's Hofs oordeel dat verdachte als functioneel dader of als pleger van de haar tenlastegelegde feiten kan worden aangemerkt, omdat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verdachte zeggenschap had over de door [A] en [B] ontplooide activiteiten.

7. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde:

zij op 16 januari 2003 te Amsterdam opzettelijk zonder vergunning een hoeveelheid kolen in het water van de Amerikahaven heeft gebracht, op andere wijze dan met behulp van een werk;

Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:

zij op 14 april 2003 te Amsterdam op het terrein van haar inrichting (een op- en overslagbedrijf van bulkgoederen gevestigd aan de [a-straat 1]) opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat

de inrichting schoon werd gehouden en in goede staat van onderhoud verkeerde;

de opslag van vaste en/of vloeibare gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen voldeed aan het gestelde in de hoofdstukken 6, 7, 10 en 11 van de richtlijn CPR 15-1;

overslag van goederen op het terrein met behulp van een mobiele installatie op een zodanige wijze geschiedde dat geen stofverspreiding optrad die buiten een afstand van twee meter van de bron nog visueel waarneembaar was;

die delen van het terrein van de inrichting waar op- en overslag van afvalstoffen plaatsvonden waren voorzien van vloeistofdichte vloeren,

zijnde gedragingen in strijd met de voorschriften 1.9, 3.7, 3.23 en 6.4, verbonden aan de door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland op 22 januari 1998 voor deze inrichting verleende vergunning.

Ten aanzien van het in zaak C tenlastegelegde:

zij op 4 december 2003 te Amsterdam uit haar inrichting via lozingspunt 2 afvalwater heeft geloosd in het oppervlaktewater van de Aziëhaven, terwijl dat afvalwater in een willekeurig genomen steekmonster grenswaarden genoemd in voorschrift 5.1 van de voor die lozing afgegeven WVO-vergunning overschreed, zijnde een gedraging in strijd met een voorschrift van de voor die lozing aan haar verdachte afgegeven WVO-vergunning".

8. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

"Ten aanzien van het onder A. B en C bewezenverklaarde:

1. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte [betrokkene 1], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2007. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

U houdt mij voor hetgeen in de zaak met parketnummer 13-085238-03 (zaak A) is tenlastegelegd. Het klopt dat op 16 januari 2003 op de wal van de vaarweg Amerikahaven te [plaats] een stapel kolen lag, die te hoog was. Die kolen zijn over de rand gekieperd. Door regen is de berg kolen gaan schuiven en in het water van de Amerikahaven gevallen. Ik wist dat de berg kolen iets te hoog was. U houdt mij voor hetgeen in de zaak met parketnummer 13-000477-03 (zaak B) is tenlastegelegd en hetgeen ik dienaangaande bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2005 heb verklaard. De dekschuiten in het water zijn eigendom van [C] en zijn bedoeld voor het opslaan van schroot. Wij laden schroot in overleg met [A]. Het schroot is op de kade blijven liggen. Ik wist van de ontstane gevaarlijke situatie op 14 april 2003. U houdt mij voor dat er voorts op 14 april 2003 te Amsterdam sprake was van een verzakte verharding van de kadewal. Dat klopt. De kade huren wij van het Gemeentelijk Havenbedrijf. Vanaf de eerste dag waren er problemen omdat de terugslagkleppen onder de waterlijn zitten. De grond is zeer slap en is gaan zakken. We hadden die "gammele" kade nodig, want we konden nergens anders heen. Het klopt dat er op 14 april 2003 tussen bolder 14 en bolder 15 op de kade aan de Aziëhaven te Amsterdam sprake was van een ontbrekende dilitatievoeg. De kapotte voegen hebben we daarna volgespoten met schuim. Wij hebben de voegen tijdelijk volgespoten met schuim volgespoten met schuim; nu zit er rubber tussen. Wij zijn ook nog bezig met de verharding van de kadewal.

U houdt mij voor dat ik op 14 april 2003 gevaarlijke stoffen heb opgeslagen. Dat was in de bedrijfshal van [B]. Het zou kunnen dat ik toegang heb tot die hal in verband met het feit dat mijn naam op de vergunning staat. De heb geen verbod om in die bedrijfshal te komen. U houdt mij voor dat er op 14 april 2003 te Amsterdam vaten met gevaarlijke stoffen los op houten pallets stonden. Ja, dit betrof acht vaten met Natriumhydroxide ten behoeve van de waterzuiveringsinstallatie. U houdt mij voor dat er op 14 april 2003 voorts sprake was van de opslag van afvalstoffen in de vorm van oude spoorbiels, zoals te zien is op fotobijlage 12 in het dossier. Ik heb die spoorbiels zien liggen. Ze hebben daar ongeveer een week gelegen. U houdt mij voor dat er op 14 april 2003 voorts sprake was van stofverspreiding bij de overslag van goederen op het terrein. Dit was bij [A]. Ik wist dat dit dreigde te gebeuren. Als het schroot droog aankomt, heb je kans dat het stoft als je het kiept. U houdt mij voor hetgeen in de zaak met parketnummer 13-084426-04 (zaak C) is tenlastegelegd en hetgeen ik dienaangaande ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2005 heb verklaard. Ik voel me verantwoordelijk voor het feit dat er op 4 december 2003 te Amsterdam afvalwater is geloosd. Ik had de zekering eruit moeten halen.

2. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte [betrokkene 1], afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2005. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

De magneetkraan zou komen zodat we het schroot van de ponton konden afhalen. Het schip was sneller klaar dan we verwacht hadden. De magneetkraan konden we pas dinsdag krijgen.

Wij zijn de vergunninghouder. De kapotte voegen zijn een ouderdomsverschijnsel. De voegen hebben we nu volgespoten met schuim. De terugslagkleppen zijn allemaal vernieuwd. Het was een constructiefout bij de kadebouw. Er heeft een verharding plaatsgevonden. Alles is opnieuw geasfalteerd. Het is juist dat acht vaten Natriumhydroxid bij ons in een bedrijfshal los op houten pallets stonden. De stukken steen waren van [B]. Ze lagen te wachten om te worden afgevoerd. De biels zijn gebruikt voor de oude keerwand. De biels zijn nu afgevoerd door [B]. Er is een lawine geweest. Een schip had gelost. Over de lading kolen heen was korstvorming gedaan zodat, het niet zou stuiven. De onderlaag is gaan schuiven, waardoor een deel van de kolen over de muur heen in het water is gevallen. De berg kolen was vrij hoog. De muur was echter maar vier blokken hoog. De waterzuiveringsinstallatie had niet aangezet moeten worden. Het water was niet goed schoon.

Ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde:

3. Een proces-verbaal economisch delict met nummer 2003001309-1 van 6 februari 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten (Groep Zaandam). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisanten:

Op 16 januari 2003 surveilleerden wij per politievaartuig. Wij zagen toen dat het oppervlaktewater van de vaarweg Amerikahaven, gelegen in de gemeente Amsterdam, verontreinigd was. Wij zagen dat op de wal van genoemd oppervlaktewater kolen lagen ter hoogte van de wallenkant evenals een hoeveelheid kolen op de kadebalken. Ook zagen wij dat het oppervlaktewater verkleuringen vertoonde, welke kenmerkend zijn voor een verontreiniging met kolen dan wel kolenstof. Wij zagen dat een deel van een berg kolen, gelegen op het bedrijventerrein behorende bij het bedrijf genaamd [C] B.V., met een hoogte van circa 12 meter, in het oppervlaktewater was terechtgekomen. Doordat deze berg kolen te dicht bij het water lag en gedeeltelijk was afgevloeid, was een deel van de berg in het oppervlaktewater geraakt. Naar aanleiding van deze bevindingen gingen wij naar het perceel aan de [a-straat] ter hoogte van nummer 3 alwaar is gevestigd [C] B.V.. Op 29 januari 2003 hoorde ik een persoon, directeur van genoemd bedrijf, die de volgende identiteitsgegevens opgaf: [betrokkene 1]. Hij verklaarde:

Ik wist dat het terrein vol met kolen lag. Door een samenloop van omstandigheden was de berg waarover wij het nu hebben, te hoog geworden. Hierdoor is de berg ingezakt en over de keermuur op de kade gelopen. De bewuste kolen zijn eigendom van [B] welke op ons terrein kolen behandelt en overslaat. Het is mij bekend dat wij echter als overslagbedrijf verantwoordelijk zijn voor het naleven van de regelgeving zoals genoemd in de vergunning die is afgegeven door de provincie. Wij hebben inmiddels de hoeveelheid kolen welke op de kade was geraakt, opgeruimd.

Door het bedrijf is een aantal maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. Door de waterkwaliteitsbeheerder was geen vergunning verleend voor de gepleegde verontreiniging van het oppervlakte water.

Ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde:

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een Uitvoering Integrale milieucontrole bij [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]), gevestigd [a-straat 1] te [plaats].

Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Vanuit het Havenoverleg Amsterdam is [verdachte] aangewezen als integraal te controleren bedrijf. Bedrijfsgegevens: op- en overslag van bulkgoederen. Op het gedeelte van het terrein dat in beheer is bij [B] B.V. vindt kolenveredeling plaats. Op het gedeelte van het terrein dat in beheer is bij [A] B.V. ([A]) vindt op- en overslag van staal- en shredderschroot plaats. Deze beide bedrijven maken gebruik van de WM vergunning van [verdachte]. De controle is op 14 april 2003 gelijktijdig uitgevoerd door twee teams. Team 2 bestaande uit WM, WVO, Arbeidsinspectie en Politie heeft een rondgang gemaakt over het bedrijfsterrein, in de installaties en de werkplaatsen. Op 2 plaatsen lagen dekschuiten in het water die niet ontdaan waren van verontreinigende stoffen als schroot en stof. Op het einde van de kade bevond zich over een lengte van circa 25 meter, schroot op minder dan 2 meter vanaf de kade. Tussen bolder 14 en 15 op de kade aan de Aziëhaven ontbrak een dilatatievoeg. Hierdoor ontstond een illegaal lozingswerk. Overtredingen zijn geconstateerd van voorschrift 1.3 en 6.4 van de WM Vergunning. De vloeistofdichte verharding nabij en onder de schrootopslag is verzakt en kapot. Op sommige plaatsen is de verharding geheel verdwenen. In een container van [B] zijn diverse vaten met vetten en oliën opgeslagen zonder beschermende voorzieningen. Overtredingen zijn geconstateerd van voorschrift 3.7 van de WM vergunning en CPR 15-1. Diverse blikken en kleine vaten met gevaarlijke stoffen staan op een stelling in een bedrijfshal van [B]. Deze blikken en kleine vaten staan niet in een speciaal daartoe ingerichte opslagplaats. Vaten met de gevaarlijke stof Natriumhydroxid ten behoeve van de waterzuiveringsinstallatie staan los op houten pallets. De vaten staan niet in een speciaal daartoe ingerichte opslagplaats. Een liggend vat koelvloeistof met aftapkraan is waargenomen naast de containerwand op het terrein van [A]. Hier is geen sprake van een werkvoorraad aangezien er geen werkzaamheden worden uitgevoerd waarbij koelvloeistof nodig is. Het vat staat niet in een speciaal daartoe ingerichte opslagplaats. Op de hoek Amerikahaven/Aziëhaven lagen afvalstoffen opgeslagen in de vorm van brokken asfalt en stenen. Tevens zijn aan de noordzijde van het bedrijfsterrein oude spoorbiels aangetroffen.

(1.9) De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Op de schrootlocatie werd een vrachtwagen gelost waarbij een stofverspreiding ontstond die minimaal 10 meter van de stortplaats waarneembaar was.

(3.23) Overslag van goederen op het terrein met behulp van vaste en/of mobiele installaties dient op een zodanig wijze te geschieden dat direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding wordt voorkomen.

Op het gebied van de WVO zijn een drietal overtredingen geconstateerd. Op het gebied van de WM zijn een zevental overtredingen geconstateerd.

5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een kopie van de beschikking van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 22 januari 1998. Dit geschrift houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

A. Onderwerp aanvraag

Op 29 juli 1997 hebben wij van [verdachte] te Amsterdam een aanvraag om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer ontvangen ten behoeve van haar aan de [a-straat 1] te [plaats] gelegen inrichting.

J. Beschikking

Wij besluiten hierbij aan [verdachte] de gevraagde vergunning te verlenen.

Ten aanzien van het in zaak C bewezenverklaarde:

6. Een proces-verbaal van verloop met nummer ANW 0333 van 5 februari 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], buitengewoon opsporingsambtenaar bij Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van verbalisant:

Op 4 december 2003 is door [verbalisant 4], werkzaam bij Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland, in de functie van toezichthoudend ambtenaar een controlebezoek gebracht aan [verdachte], [a-straat 2] (het hof begrijpt: [1]) te [plaats]. Tijdens :het controlebezoek is het afvalwater bemonsterd dat geloosd werd op de Aziëhaven te Amsterdam. [verdachte] is voor de lozingen van afvalwater dat vrijkomt op het bedrijfsterrein in het bezit van een namens de Minister van Verkeer en Waterstaat verleende lozingsvergunning. In voorschrift 5, lid 1, van genoemde lozingsvergunning staan de grenswaarden beschreven waaraan het vrijkomende afvalwater dient te voldoen alvorens het mag worden geloosd.

Het betreft de volgende eisen:

(...)

Op 26 januari 2004 hoorde ik, verbalisant, de directeur van [verdachte] die eerder had opgegeven te zijn: [betrokkene 1]. Hij verklaarde op mijn vragen:

Op de ochtend dat het afvalwatermonster is genomen, heeft de waterzuiveringsinstallatie aangestaan. Wij hebben een probleem met de installatie omdat wij het water niet helder krijgen.

7. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een verslag van bevindingen van 3 februari 2004, opgemaakt door [verbalisant 4], toezichthoudend ambtenaar van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland.

Dit geschrift houdt in als verklaring van [verbalisant 4], voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Op 4 december 2003 heb ik een steekmonster genomen van het afvalwater van de terreindelen B, C en D dat middels de zuiveringsinstallatie werd geloosd op de afvoerwaterput".

9. Voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, houdt het bestreden arrest voorts in:

"Verweer

Door de raadsman van verdachte is bepleit dat verdachte, met uitzondering van het niet deugdelijk opslaan van de vaten met Natriumhydroxide en het niet schoonhouden van de dekschuiten, dient te worden vrijgesproken, omdat hij -kort en zakelijk weergegeven- ter zake van die feiten geen zeggenschap had over en geen verantwoordelijkheid droeg voor de door [A] BV en [B] BV ontplooide activiteiten, zodat verdachte niet kan worden aangemerkt als functioneel dader.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Door verdachte wordt van het gemeentelijk havenbedrijf Amsterdam een stuk bedrijventerrein gehuurd in het westelijk havengebied van die gemeente. Aan verdachte zijn ten behoeve van het gebruik daarvan verschillende vergunningen verleend. Verdachte verhuurt op haar beurt een gedeelte van het bedrijventerrein onder aan twee andere bedrijven, te weten [A] BV en [B] BV. Op het terrein van deze twee bedrijven is het merendeel van de tenlastegelegde feiten, zijnde overtredingen van de voorschriften in de aan verdachte verleende vergunningen, geconstateerd. De vergunningen staan op naam van verdachte en zij kan derhalve worden beschouwd als vergunninghouder. Als vergunninghouder is verdachte ook diegene die verantwoordelijk is voor naleving van de daarin gestelde voorschriften, ook indien deze door anderen dan verdachte, maar - zoals in onderhavige zaak - op verdachtes bedrijfsterrein onder de paraplu van een tussen partijen afgesloten civielrechtelijke overeenkomst, worden geschonden.

De vergunninghouder heeft in verband met haar verantwoordelijkheid tot taak erop toe te zien dat de vergunningsvoorschriften worden nageleefd en zij dient voorts adequate maatregelen te treffen om overtreding daarvan te voorkomen. Vorenbedoelde verantwoordelijkheid ontbreekt alleen in het geval de vergunninghouder geen zeggenschap had over de door de onderhuurder of derden ontplooide activiteiten en evenmin bij machte was een geconstateerde overtreding te beëindigen. Naar het oordeel van het hof was daarvan echter geen sprake. De vertegenwoordiger van verdachte was om te beginnen dagelijks op het bedrijventerrein. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard de verschillende overtredingen ook zelf te hebben geconstateerd. De vertegenwoordiger van verdachte had tenslotte verschillende (juridische) mogelijkheden tot zijn beschikking om de illegale situaties ongedaan te maken. Zo had verdachte haar onderhuurders tot opheffing van de overtredingen kunnen dwingen door middel van een kort geding, maar zij had ook zelf de overtredingen kunnen (laten) opheffen en vervolgens de kosten kunnen verhalen. Nadat door de politie proces-verbaal was opgemaakt ter zake van de thans in geding zijnde overtredingen zijn door de vertegenwoordiger van verdachte maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. Het hof ziet niet in waarom zij die maatregelen niet eerder had kunnen nemen.

Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte wel degelijk strafrechtelijk verantwoordelijk is te achten voor de tenlastegelegde overtredingen. Het verweer wordt dan ook verworpen".

10. De volgende bepalingen zijn voor de bespreking van het middel van belang:

Art. 8.1 (oud) Wet milieubeheer (Wm):

1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

(...)

Art. 8.20 Wm:

1. Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

2. Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.(2)

3. (...).

Art. 18.18 Wm:

Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden.

Art. 1 (oud) Wvo:

1. Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

(...).

3. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. (...).

4. Het is verboden zonder vergunning van of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stoffen als bedoeld in het eerste lid met behulp van een werk vanaf of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee te brengen.

5. Aan een vergunning worden voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. De voorschriften kunnen mede strekken tot bescherming van het belang van een doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk. Bij het stellen van de voorschriften worden de op grond van artikel 1a van toepassing zijnde grenswaarden in acht genomen.

6. (...).

Art. 7 Wvo (oud):

1. De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op een aanvrage om verlening van een vergunning krachtens:

a. artikel 1, eerste of vierde lid;

b. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald.(3)

(...)

5. De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voor zover het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27 en 21.1 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder 'Onze Minister' wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

6. (...).

Art. 30a Wvo:

Een gedraging in strijd met een aan een vergunning verbonden voorschrift, is verboden.

Art. 4 lid 1 (oud) Besluit van 28 november 1974, ter uitvoering van artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb 1974, 709):

1. Onverminderd artikel 3 is het verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer

a. door deze daarin te storten;

b. door deze onder het wateroppervlak uit te pompen, weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;

c. door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater;

d. bij het laden, lossen of overladen daarvan;

e. bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig.

(...).

De art. 18.18 Wm en 1 en 30a Wvo zijn economische delicten (Art. 1a onder 10 WED).

11. De hiervoor onder 9 aangehaalde overweging van het Hof is geheel toegesneden op de vraag of de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor overtreding van vergunningvoorschriften. Aan de omstandigheid dat het onder A bewezenverklaarde niet het handelen in strijd met enig vergunningvoorschrift betreft wordt door het Hof in genoemde bewijsoverweging geheel voorbijgegaan. Daarom richt ik mij eerst op het onder B en C bewezenverklaarde, en dan wel - overeenkomstig het middel - voor zover het betreft door [A] en [B] ontplooide activiteiten.

12. Het onder B bewezenverklaarde is toegesneden op overtreding van art. 18.18 Wm.

13. Art. 8.1 lid 1 van de Wet milieubeheer houdt - voor zover hier van belang - in dat het verboden is zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in werking te hebben. Ingevolge art. 8.20 lid 1 Wm geldt een verleende vergunning voor ieder die de inrichting drijft en dient deze er voor zorg te dragen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Zoals in de tekst van art. 8.20 Wm besloten ligt, is deze vergunning niet gebonden aan de (rechts)persoon van degene die de vergunning heeft aangevraagd maar aan het object waarvoor de vergunning is verleend.(4) Het kan dus zijn dat - zoals in casu ten dele het geval is - een ander dan degene die de vergunning heeft aangevraagd en aan wie deze is verleend, de vergunninghouder, (een deel van) de inrichting drijft onder de aan een ander verleende vergunning. Sinds 1 juni 2003, toen art. 8.20 lid 2 Wm in werking trad, dient de vergunninghouder dat dan te melden aan het bevoegd gezag.

14. Art. 18.18 Wm houdt in dat een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing is verboden. Volgens art. 1a WED is die gedraging een economisch delict.(5)

15. Gelet op de tweede volzin van art. 8.20 lid 1 Wm richt het verbod zich te gedragen in strijd met voorwaarden verbonden aan een voor het drijven van een inrichting verleende vergunning zich dus (in elk geval(6)) tot de drijver tot de inrichting.(7) Doorgaans zal drijver van de inrichting zijn de (rechts)persoon aan wie de vergunning met het overtreden voorschrift is verleend(8); deze zal immers de vergunning hebben aangevraagd omdat hij een inrichting wil drijven. Maar omdat een ander dan degene die de vergunning heeft aangevraagd en verkregen onder verband van die vergunning de toegestane inrichting of - zoals in het onderhavige geval een deel van de toegestane inrichting - kan drijven(9), vloeit niet uit ieder gedrag of iedere situatie in strijd met de vergunningvoorwaarden voort dat de vergunninghouder zich heeft gedragen in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften. Wie zich in strijd met de vergunningvoorwaarden heeft gedragen is een vraag van daderschap.

16. Voor de vraag of en in hoeverre een (rechts)persoon als drijver van een inrichting in de zin van art. 8.20 Wm kan worden aangemerkt is in het bestuursrecht in grote trekken bepalend of en in hoeverre deze zeggenschap heeft over de inrichting.(10) Daarbij valt niet uit te sluiten dat er meerdere (rechts)personen zijn die als drijver van de inrichting kunnen worden aangemerkt.(11)

17. In het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van aan een milieuvergunning gebonden voorschriften is de vraag naar de zeggenschap aan de orde geweest bij de vraag aan wie een dwangsom kan worden opgelegd. Aan de noot van FM bij ABRvS 28 december 1999, AB 2000, 107, waarin de vraag speelde of een watersportvereniging kon worden aangemerkt als drijver van een inrichting (jachthaven, waarvan de ligplaatsen in handen van particulieren/leden waren en enkele faciliteiten eigendom waren van de vereniging die tevens enige met die ligplaatsen verband houdende activiteiten organiseerde) en zo ja, of aan de vereniging een dwangsom kon worden opgelegd ter zake van het exploiteren van de jachthaven zonder milieuvergunning ontleen ik het volgende:

"3. De derde vraag luidt aan wie een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Voor het antwoord op die vraag is natuurlijk allereerst bepalend dat art. 18.9 Wm (oud) - thans art. 5:32 Awb - slechts toestaat aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Uit de jurisprudentie blijkt vervolgens dat niet aan elke overtreder, doch slechts aan die drijver/overtreder die het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen, een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Een last kan immers alleen dwingen als er iets te dwingen valt en dat is bij een "onmachtige" overtreder niet het geval. Een last onder dwangsom zou ten aanzien van zulk een overtreder neerkomen op een boete. In dit verband is het door de Afdeling gehanteerde onderscheid tussen drijverschap en zeggenschap van belang. De overweging van de Afdeling inzake de zeggenschap van de vereniging moet aldus worden begrepen dat de vereniging het gezien die zeggenschap over (de gang van zaken binnen) de inrichting in haar macht heeft de overtreding te beëindigen. In een ander verband heeft de Afdeling het begrip zeggenschap ook wel gebruikt om daarmee het drijverschap (en dus het overtreder zijn) vast te stellen. Zie ABRvS 28 april 1997, AB 1999, 43 m.nt. C.L. Knijff onder nr. 45. In de hier afgedrukte uitspraak wordt de omgekeerde volgorde gehanteerd. Het zou mij zuiverder hebben geleken wanneer de Afdeling ook in bovenstaande uitspraak het begrip zeggenschap uitsluitend zou hebben gebruikt om het drijverschap mee "in te vullen"."(12)

18. Deze summiere weergave van de rol van de zeggenschap over op grond van de Wm vergunningplichtige activiteiten in het bestuursrecht laat zien dat dit begrip enerzijds een rol speelt bij de vraag aan wie als drijver van een inrichting een vergunning kan worden verleend en waartoe deze zich uitstrekt of kan uitstrekken en anderzijds - als de vergunning verleend is - bij de vraag wie de wetgever met zijn verbod tot handelen in strijd met een vergunning als normadressaat op het oog heeft en bij de daarvan niet steeds helder te onderscheiden vraag of de normadressaat zich in concreto inderdaad heeft gedragen in strijd met dat tot hem gerichte verbod.(13)

19. Met betrekking tot het daderschap van de rechtspersoon overwoog de Hoge Raad - na vele malen te hebben volstaan met hantering van een niet nader ingevuld toerekeningscriterium(14) - in zijn arrest van 12 oktober 2003, LJN AF7938 (Drijfmest)(15):

"3.1. In art. 51 Sr is bepaald dat een strafbaar feit behalve door een natuurlijk persoon ook kan worden begaan door een rechtspersoon, waaronder mede is begrepen de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen.

3.2.1. De wet bevat geen maatstaven voor de vaststelling van het daderschap van de rechtspersoon.

3.2.2. De wetsgeschiedenis van art. 51 Sr houdt omtrent het daderschap van de rechtspersoon het volgende in:

"Het wetsontwerp is de laatste stap op de weg die in Nederland reeds lang is begaan. Het lijkt mij dan ook niet vereist aan de strafbaarstelling van de rechtspersoon thans een diepgravende rechtstheoretische beschouwing te wijden. Ik zou willen volstaan met de volgende opmerkingen.

Door de rechtspersoon strafbaar te stellen knoopt het strafrecht aan bij een civielrechtelijk begrip. Een voor een bepaald doel juridisch georganiseerde entiteit wordt voor het recht gelijkgesteld met een natuurlijk persoon. Aan die organisatie worden, voor zover dit zinvol is, door het recht dezelfde rechten en verplichtingen toegekend en opgelegd als aan een natuurlijk persoon. Die rechten en verplichtingen kunnen uiteraard alleen ontstaan door handelingen van natuurlijke personen die voor de organisatie optreden.

Door in het strafrecht rechtspersonen evenals natuurlijke personen strafbaar te stellen wordt gelijk dit in het civiele recht het geval is uitgedrukt, dat handelingen van natuurlijke personen, die daarbij in het verband van de rechtspersoon optreden en te zamen de inhoud van een delict vervullen, aan de rechtspersoon worden toegerekend. In die gelijkstelling ligt een zekere fictie opgesloten. Dat is echter op zichzelf geen bezwaar. Door gebruik te maken van een fictie kan in de wetgeving soms op beknopte, beeldende, wijze worden uitgedrukt wat anders alleen op een wijdlopige, gecompliceerde, wijze kan worden gezegd."

(Kamerstukken II 1975-1976, 13 655, nr. 3, blz. 8)

alsmede, zij het dat in de navolgende passage mede aandacht wordt geschonken aan opzet en schuld:

"Art. 15, tweede lid, Wet op de economische delicten bepaalt, dat een economisch delict onder meer wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon etc., indien het begaan wordt door personen die, hetzij uit hoofde van hun dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde, handelen in de sfeer van de rechtspersoon, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het economisch delict hebben begaan dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat delict aanwezig zijn.

Door ervan af te zien in het wetsontwerp een bepaling analoog aan die van art. 15, tweede lid, Wet op de economische delicten op te nemen, wordt de rechter geheel vrij gelaten in zijn oordeelvorming of, alle concrete omstandigheden in aanmerking genomen, het opzet of de schuld van de handelende natuurlijk persoon kan worden toegerekend aan de rechtspersoon bij wie hij in dienst is. Het ligt intussen voor de hand dat die toerekening eerder zal plaatsvinden indien de natuurlijke persoon bestuurder was dan wanneer het een in de organisatie van de rechtspersoon ondergeschikte functionaris betreft." (Kamerstukken II 1975-1976, 13 655, nr. 5, blz. 2)

3.2.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat het aan de rechter is overgelaten om invulling te geven aan de eisen waaraan moet zijn voldaan teneinde een rechtspersoon te kunnen aanmerken als dader van een strafbaar feit.

3.3. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Ook in de rechtspraak is die toerekening erkend als grondslag voor het daderschap van de rechtspersoon (vgl. onder meer HR 23 februari 1993, NJ 1993, 605 en HR 13 november 2001, NJ 2002, 219).

3.4. Vervolgens rijst de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend.

Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Daarbij verdient opmerking dat laatstbedoelde criteria - die zijn ontwikkeld in HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 en die naar het geval dat in die zaak aan de orde was, plegen te worden aangeduid als "ijzerdraadcriteria" - weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon (vgl. HR 14 januari 1992, NJ 1992, 413).

3.5. Opmerking verdient dat het in 3.4 overwogene slechts betrekking heeft op de vraag of de rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van de hem tenlastegelegde gedraging, dus ongeacht of het een overtreding dan wel een misdrijf betreft. Los daarvan staat de beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft."

20. Zoals reeds volgt uit de hiervoor aangehaalde passage uit HR 12 oktober 2003, LJN AF7938 zijn de zogenaamde "ijzerdraad-criteria" niet bij uitsluiting de criteria waaraan het daderschap van de rechtspersoon moet worden getoetst. In HR 21 november 1995, NJ 1996, 452, m.nt. Kn was aan de orde de vraag wie normadressaat was van het in art. 28A Afvalstoffenverordening Amsterdam opgenomen verbod laadbakken buiten een inrichting te hebben en wanneer het daderschap door de normadressaat werd vervuld. Volgens de Hoge Raad bracht redelijke uitleg van deze bepaling mee, dat degene die zeggenschap over de laadbakken heeft moet worden aangemerkt als degene die de laadbakken "heeft". Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de eigenaar van de laadbak zodanige zeggenschap toekomt, "behoudens het geval dat op grond van een met betrekking tot de laadbakken bestaande rechtsverhouding anders moet worden geoordeeld". Is sprake van verhuur, dan heeft - aldus de Hoge Raad - gelet op het bepaalde in het toenmalige art. 7A:1584 BW (thans 7:201 BW) niet de eigenaar maar de huurder zeggenschap. In HR 4 november 2003, LJN AL6171 werd overwogen dat het oordeel dat de verdachte een zodanige zeggenschap had met betrekking tot het tankstation dat hij kon worden aangemerkt als "degene die een tankstation drijft" in de zin van art. 3 Besluit tankstations milieubeheer, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. In HR 22 juni 2004, LJN AO8801, NJ 2004, 441 gaf het gebrek aan zeggenschap van de exploitant over de inrichting van het benzinestation reden de eigenaar van het benzinestation aan te merken als drijver van het tankstation in de zin van genoemd besluit.(16)

21. In HR 9 maart 2004, LJN AN9919 (Schiphol) overwoog de Hoge Raad ten aanzien van een aan de N.V. Luchthaven Schiphol verleende vergunning voor opslag van goederen op platforms:

"'s Hofs uitleg, hierop neerkomende dat de verdachte, mede gelet op de ambtshalve toelichting bij de vergunning, als degene aan wie de vergunning is verleend en die de inrichting drijft directe verantwoordelijkheid en zeggenschap heeft over het tot de inrichting behorende platform D21 is niet onbegrijpelijk. Evenmin is onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat het desbetreffende vergunningsvoorschrift ertoe strekt dat geen gevaarlijke stoffen in tussenopslag aanwezig mogen zijn op andere plaatsen in de inrichting dan in bedrijfsverzamelgebouwen. Daaraan heeft het Hof - niet onbegrijpelijk - de gevolgtrekking verbonden, enerzijds, dat het er voor de vraag of de verdachte een gedraging heeft verricht in strijd met dit vergunningsvoorschrift als bedoeld in art. 18.18 Wet milieubeheer niet toe doet of een ander, voor wiens activiteiten de verdachte geen verantwoordelijkheid draagt of over wiens activiteiten de verdachte geen zeggenschap heeft, die stoffen op het desbetreffende platform heeft gebracht en, anderzijds, dat het er dan op aankomt of de verdachte directe zeggenschap en verantwoordelijkheid heeft voor het (laten) weghalen van de op het platform, in strijd met dit vergunningsvoorschrift, aanwezige gevaarlijke stoffen. Tegen de achtergrond van hetgeen het Hof overigens heeft overwogen is zijn oordeel dat de verdachte als normadressaat van de vergunning het in haar macht had deze stoffen te (doen) verwijderen ten slotte evenmin onbegrijpelijk."

In dit arrest worden de in het hiervoor aangehaalde Drijfmest-arrest genoemde, voor daderschap van de rechtspersoon van belang zijnde omstandigheden evenmin met zoveel woorden genoemd. Toch vallen er wel elementen van die omstandigheden in te herkennen. Zo valt in de verantwoordelijkheid voor het weghalen van de stoffen het tekortschieten in op de verdachte rustende zorgplicht te bespeuren, in de zeggenschap over het weghalen van die stoffen het vermogen te beschikken of de verboden gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

22. Tegen deze achtergrond zal de vraag naar de zeggenschap van de rechtspersoon over het al dan niet plaats vinden van de verboden gedraging ook bij het bepalen van het strafrechtelijk daderschap van de rechtspersoon in gevallen als het onderhavige een essentiële rol moeten spelen. Bij het verlenen van de vergunning wordt reeds in het oog gehouden dat een vergunning zich niet uitstrekt tot die activiteiten waarover de vergunninghouder geen zeggenschap heeft. Het heeft immers geen zin een vergunninghouder op te zadelen met voorwaarden waarvan hij het niet in zijn macht heeft daaraan te voldoen. Tegelijk mag van een vergunninghouder niet alleen worden geëist dat hij zich onthoudt van gedragingen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften maar gelet op de tweede volzin van art. 8.20 lid 1 Wm ook dat hij voor zoveel dat in zijn macht ligt erop toeziet dat die voorschriften niet worden overtreden, dan wel - voor zover het gaat om gedragingen van anderen waarover hij geen zeggenschap heeft - hij aan door anderen in strijd met die voorschriften geschapen situaties voor zover hij dat in zijn macht heeft een einde wordt gemaakt. Het hiervoor aangehaalde HR 9 maart 2004, LJN AN9919 (Schiphol) biedt daarvan een voorbeeld.

23. Met zeggenschap over het gedrag in strijd met de aan de vergunning voor het drijven van een inrichting verbonden voorschriften dan wel over het beëindigen van een situatie in strijd met die voorschriften is het daderschap van de (rechts)persoon gegeven. Meer eisen behoeven daar niet aan te worden gesteld, in het bijzonder niet dat de (rechts)persoon bedoelde gedragingen of situaties aanvaardde of placht te aanvaarden. Op de (rechts)persoon rust ingevolge art. 8.20 de plicht ervoor zorg te dragen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Daarin ligt de eis van behoorlijk toezicht op de gang van zaken in de inrichting besloten. Gebrekkig toezicht, er toe leidend dat de (rechts)persoon niet op de hoogte was van bedoelde gedragingen of situaties, brengt dus niet mee dat de rechtspersoon niet kan worden aangesproken op die gedragingen of situaties, ook al kende hij deze niet en heeft hij deze dus niet aanvaard. In het Drijfmest-arrest is dit iets anders opgelost. Daar overwoog de Hoge Raad dat onder (plegen te) aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

24. Gelet op de verwijzing in de Wvo naar de Wm is het voorgaande niet anders voor de onder C bewezenverklaarde overtreding van art. 30a Wvo.

25. Een en ander brengt mij tot de volgende beoordeling van het middel.

26. Zoals hiervoor is uiteengezet komt het voor verdachtes daderschap aan op de zeggenschap van de verdachte over het verboden gedrag, daaronder begrepen verdachtes zeggenschap aan de verboden toestand een einde te maken. Verdachtes zeggenschap baseerde het Hof op de volgende omstandigheden:

- een vertegenwoordiger van de verdachte was dagelijks op het bedrijven terrein;

- deze vertegenwoordiger heeft verschillende overtredingen zelf geconstateerd;

- de vertegenwoordiger van verdachte had verschillende (juridische) mogelijkheden om de illegale situatie ongedaan te maken, zoals het voeren van een kort geding of het zelf beëindigen van de verboden toestand onder verhaal van kosten op de onderhuurders;

- verdachte heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen;

- het is niet duidelijk waarom de verdachte die maatregelen niet eerder heeft genomen.

27. In het hiervoor aangehaalde HR 21 november 1995, NJ 1996, 452 stond verhuur van de laadbakken aan zeggenschap over die laadbakken in de weg. Uit de overwegingen van het Hof, die mede inhouden dat een deel van de overtredingen heeft plaatsgevonden in de bedrijven aan welke de verdachte een deel van haar bedrijventerrein had verhuurd, wordt niet duidelijk waarom de verdachte ondanks die verhuur toch over de vereiste zeggenschap beschikte. Had verdachte bij de verhuur voorbehouden het verhuurde gedeelte van haar terrein te betreden om aan overtreding van vergunningvoorwaarden of (andere) milieudelicten een einde te kunnen maken ? Waren daarover anderszins afspraken met de huurders gemaakt ? Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen achtte verdachtes bestuurder zich verantwoordelijk voor de naleving van de vergunningvoorwaarden door de huurders. Daarmee is de vereiste zeggenschap nog niet gegeven.(17) Welke maatregelen de verdachte heeft genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen laat het Hof in het midden. Daarom kan ook daaruit de vereiste zeggenschap niet worden afgeleid. Uit de verwijzing van het Hof naar de mogelijkheid van een kort geding valt de zeggenschap mijns inziens evenmin af te leiden. Is verdachte aangewezen op die mogelijkheid, dan wijst dat er eerder op dat verdachte geen zeggenschap heeft en zich die door middel van een voorlopige voorziening moet verschaffen. Ten slotte valt ook uit het constateren van overtreding van de vergunningvoorwaarden door een vertegenwoordiger van verdachte de vereiste zeggenschap niet af te leiden. Met dat constateren is immers de bevoegdheid c.q. de mogelijkheid aan de overtreding een einde te maken nog niet gegeven.(18)

28. Uit een en ander volgt dat het Hof terecht is nagegaan of de verdachte zeggenschap had over het verboden gedrag althans zodanige zeggenschap had dat hij aan de verboden toestand een einde kon maken, maar dat het oordeel van het Hof dat de verdachte inderdaad over die zeggenschap beschikte voor wat betreft de onder B bewezenverklaarde door [A] en [B] ontplooide activiteiten ontoereikend is gemotiveerd.

29. Voor wat betreft het onder C bewezenverklaarde ligt dat laatste mijns inziens anders. Ten aanzien van de verboden lozing van afvalwater verklaart verdachtes vertegenwoordiger dat het water niet goed schoon was, dat de waterzuiveringsinstallatie niet aangezet had moeten worden en dat hij de zekering eruit had moeten halen. Verdachtes vertegenwoordiger, haar directeur, kon het lozen dus voorkomen, in elk geval beëindigen. Daarin ligt verdachtes zeggenschap over (het beëindigen van) de verboden lozing besloten.

30. Ik kom nu op het onder A bewezenverklaarde. Het in deze zaak bewezenverklaarde betreft overtreding van art. 1 lid 3 Wvo. Deze bepaling richt zich tot een ieder die niet over een vergunning beschikt voor het brengen zonder werk van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewateren. Onder deze bepaling wordt blijkens art. 3a van het hiervoor genoemde Besluit bijvoorbeeld begrepen het brengen in enig oppervlaktewater van toiletwater afkomstig van pleziervaartuigen als bedoeld in de Wet pleziervaartuigen. Tot drijvers van een inrichting lijkt deze bepaling allesbehalve beperkt. Een drijver van een inrichting zal doorgaans immers over een "werk" beschikken terwijl de bepaling zich juist richt tegen verontreiniging van oppervlaktewateren zonder "werk". Niettemin zal het ook hier aankomen op zeggenschap van de verdachte over de verboden gedraging, althans over het beëindigen daarvan. Zou deze eis niet worden gesteld dan mist het verbod immers redelijke zin. Ik verwijs naar het hiervoor aangehaalde HR 21 november 1995, NJ 1996, 452 waarin zeggenschap over de laadbakken werd geëist voor daderschap van het verboden buiten een inrichting hebben van laadbakken.

31. Noch uit de - niet op het onder A bewezenverklaarde toegespitste - bewijsoverweging van het Hof, noch uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen valt verdachtes zeggenschap ten aanzien van het te hoog opstapelen van kolen, volgens de vertegenwoordiger van de verdachte de oorzaak van het in het water schuiven van de partij kolen, af te leiden. De kolen werden kennelijk (bewijsm. 3) overgeslagen door [B], die van verdachte (bewijsoverweging van het Hof) een deel van verdachtes terrein huurde. Die omstandigheid staat in beginsel aan zeggenschap van de verdachte over hetgeen op het door [B] gehuurde gedeelte van verdachtes terrein gebeurde in de weg (vgl. HR 21 november 1995, NJ 1996, 452). Omstandigheden die dit anders maken bevatten de bewijsmiddelen mijns inziens niet.

32. Het middel slaagt voor wat betreft het onder A en B bewezenverklaarde.

33. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd. Dat is - voor wat betreft de termijn van afdoening in cassatie - anders wanneer de Hoge Raad het tweede middel niet gegrond acht. Dan zal voor wat betreft het onder A en B bewezenverklaarde de opgelegde geldboete dienen te worden verminderd naar de gebruikelijke maatstaf.

34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover dit betreft het onder A en B bewezenverklaarde en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.6.2. onder c.

2 Dit tweede lid is bij Wet van 20 juni 2002, Stb. 2002, 347, ingevoegd en per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216).

3 Met ingang van 1 juli 2005 (Stb. 2005, 320) luidt lid 1: "Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om verlening van een vergunning krachtens artikel 1, eerste of vierde lid, of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing." (Stb. 2005, 282)

4 Vgl. Kamerstukken II, 2001-2002, 26 883, nr. 47, p. 2, Kamerstukken II 1989-1990, 21 087, nr. 6, p. 68, 82. Voorts C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen, Deventer: Kluwer, p. 39, 40.

5 Het navolgende ontleen ik ten dele mede aan mijn conclusie bij HR 9 maart 2004, LJN AN9919 (Schiphol).

6 Zie voor het uitstrekken van het verbod tot anderen dan de drijver van de inrichting C.L. Knijff, M en R 1999, p. 284.

7 Art. 1.1 lid 1 Wm bevat een algemene beschrijving van het begrip "inrichting", lid 4 van die bepaling regelt wat als één inrichting moet worden beschouwd.

8 Vz. ABRvS 31 juli 1998, AB 1999, 45, m.nt. C.L. Knijff.

9 Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel moet ervan worden uitgegaan dat zich in casu niet het geval voordoet van art. 8.20 lid 2 Wm. Dat betekent dat de in art, 8.20 lid 1 Wm beschreven zorgplicht voor de verdachte als vergunninghouder en drijver van een inrichting, een overslagbedrijf, onverkort voor de verdachte blijft bestaan en er geen reden is art. 18.18 Wm aldus op te vatten dat deze bepaling zich niet richt tot een vergunninghouder tevens drijver van de vergunde inrichting, voor zover deze een deel van de vergunde werkzaamheden overlaat aan op haar terrein uit hoofde van een huurovereenkomst onder de paraplu van haar vergunning werkende bedrijven. Vgl. HR 9 maart 2004, LJN AN9919, JM 2004, 85 m. nt. Koopmans.

10 Noot FM bij ABRvS 28 december 1999, AB 2000, 107 en C.L. Knijff, "Wie drijft de inrichting?", M en R 1999, p. 284-290.De laatste wijst er op dat de Afdeling Bestuursrechtspraak ook wel andere criteria gebruikt, die echter haars inziens zijn terug te brengen op het begrip zeggenschap, mits dat niet alleen feitelijk maar ook juridisch wordt ingevuld. De wetsgeschiedenis, in het bijzonder Kamerstukken II, 1988-1989, 21 087, nr. 3, p. 82, geeft op de keper beschouwd geen nadere invulling aan het begrip "drijven van een inrichting" in de zin van art. 8.20 lid 1 Wm. In ABRvS 12 augustus 2009, nr. 200807416/1/H1 wordt nog eens overwogen dat als vereiste voor het opleggen van een last onder dwangsom geldt dat de overtreder het in zijn macht heeft om aan de situatie een einde te maken (rov. 2.4.1).

11 Knijff, a.w., p. 286-287. Zie voor het belang van zeggenschap voor het drijven van een inrichting ook ABRvS 22 augustus 2001, AB 2002, 88, m.nt. Mw.V.M.Y van 't Lam.

12 Zie ook Vz. ABRvS 23 juni 2000, LJN AH8221, KG 2000, 183, waar een projectontwikkelaar onvoldoende macht werd toegedicht om het feitelijk en rechtens in haar macht te hebben aan de verboden toestand een einde te maken, alsmede ABRvS 30 januari 2008, 200702980/1.

13 Zie voor een overzicht van aansprakelijkheid en daderschap in het bestuursrecht H.E. Bröring en F.R. Vermeer, De functionele dader in het bestuurlijk sanctierecht, JB Plus 2003, p. 124-139.

14 O.a. HR 8 december 1998, LJN ZD1320; HR 13 november 2001, NJ 2002, 219.

15 Zie voor een overzicht van de verschillende opvattingen in de literatuur over de toepassing van daderschapcriteria H.D. Wolswijk, Functioneel daderschap en IJzerdraadcriteria, DD 2001, p. 1088-1114. Zie voor een bespreking van bedoeld arrest ook E. Gritter, Duidelijkheid omtrent corporatief daderschap, TOS 2004, p. 31 e.v, M. Kessler, Het daderschap van de rechtspersoon, in Rubriek economisch strafrecht, TOS 2004, p. 106 e.v., E. Gritter, De strafbaarheid van de rechtspersoon, in Plegen en deelnemen, onder redactie van J.B.J. van der Leij, Deventer: Kluwer 2007, p. 46 e.v., J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2009, vierde druk, p. 165 e.v., A.J.A. van Strien, Het Zijpe-arrest, Strafblad 2006, p. 234 e.v., M. Kessler, Beschikkingsmacht centraal bij functioneel plegen, in Pet af. Liber Amicorum D.H. de Jong, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 201 e.v.

16 Voor wat betreft het bestuursrecht wijs ik op ABRvS 15 april 2009, 200805642/1/H1 waar de huurder zeggenschap werd toegedicht om de overtreding te beëindigen en ABRvS29 juli 2009, 200900107/1/H3 waar de eigenaar geacht werd het in zijn macht te hebben om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te beëindigen ook al waren de panden verhuurd.

17 Vgl. HR 30 mei 2006, LJN AV2344, waar verdachtes verantwoordelijk achten voor de gang van zaken in de coffeeshop hem niet tot medepleger maakte van de verboden verkoop van verdovende middelen. Zie ook HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 (ijzerdraad), waar de Hoge Raad in twijfel trok of verdachtes mededeling dat hij als eigenaar verantwoordelijk was voor hetgeen in strijd met de wet was geschied, maar onzeker moest worden geacht of die opgave van verdachte wel zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid betrof. In HR 13 november 2001, NJ 2002, 217 droeg verdachte, een rechtspersoon de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het milieu terwijl de werkzaamheden in opdracht van en onder leiding van de verdachte werden verricht; verdachte had een manager voor o.a. milieu aangesteld terwijl de werkzaamheden werden begeleid door de company representative en over de werkzaamheden rapport werd uitgebracht aan de verdachte. In die omstandigheden kon de verboden, bij de uitvoering van de werkzaamheden verrichte olielozing aan de verdachte worden toegerekend. Een zo prominente rol vervulde de verdachte hier niet.

18 In HR 13 november 2001, NJ 2002, 219 voorzag de verdachte in (intensief) toezicht op de uitgevoerde werkzaamheden met het oog op de bescherming van het milieu. Een dergelijk toezicht valt in het onderhavige geval niet uit de gebezigde bewijsmiddelen af te leiden.