Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK2971

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/00907 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK2971
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Cassatie ingesteld middels faxbericht raadsman. Ontvankelijkheid. Het faxbericht van advocaat kan niet worden aangemerkt als een schriftelijke bijzondere volmacht die op de voet van art. 450.1.b Sv door de klaagster zelf aan een griffiemedewerker is verleend. Een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om beroep in te stellen moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door verdachte respectievelijk klager bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van beroep in cassatie (vgl. HR LJN BJ7810). In aanmerking genomen dat het faxbericht van de advocaat niet inhoudt dat hij bepaaldelijk door klaagster is gemachtigd om het rechtsmiddel van cassatie in te stellen, is niet voldaan aan deze voorwaarde. O.g.v. het voorgaande kan klaagster niet in het cassatieberoep worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 103 met annotatie van M.J. Borgers
RvdW 2010, 267
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/00907 B

Mr. Machielse

Zitting 3 november 2009

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank te Zwolle-Lelystad heeft op 21 november 2007 het klaagschrift, strekkende tot teruggave aan klaagster van een bedrag van in totaal € 15.650,00, ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 4 december 2007 heeft mr S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam, namens klaagster aan de griffier een machtiging tot het instellen van cassatie verleend. Mr. S.V. Ramdihal heeft tevens een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. De Hoge Raad zal aan de behandeling van het middel niet kunnen toekomen. De cassatieakte meldt immers dat het rechtsmiddel is ingesteld door de Bureelambtenaar ter griffie van de Rechtbank Zwolle-Lelystad die blijkens de aan de akte gehechte brief van 4 december 2007 door de advocaat van klaagster gemachtigd is. Nu het vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat indien de advocaat niet persoonlijk ter griffie is verschenen - en er evenmin sprake is van een door de verdachte of klager zelf ingesteld cassatieberoep (art. 449 lid 1 Sv) of door iemand die door de verdachte of klager daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd (art. 450 lid 1, onder b, Sv) - de persoon die het rechtsmiddel aanwendt niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep, kan klaagster niet in het beroep worden ontvangen.(1)

3.2. Gelet op de overwegingen die de Hoge Raad in het arrest van 30 januari 2001 (NJ 2001, 293) heeft gemaakt ten aanzien van een heroverweging van deze vaste rechtspraak en de Memorie van Toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep, waarbij onder meer art. 450 Sv is gewijzigd,(2) kan niet worden uitgesloten dat klaagster in haar cassatieberoep ontvankelijk zal worden verklaard. Daarom zal ik het middel toch bespreken.

3.3. De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en daartoe overwogen:

"De rechtbank is van oordeel dat klaagster met de door haar gestelde feiten en omstandigheden en de door haar overlegde stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de respectieve geldbedragen aan klaagster toebehoren dan wel aan haar door anderen dan [betrokkene 1] in bewaring zijn gegeven. Het klaagschrift zal ongegrond worden verklaard."

In deze overweging ligt mijns inziens besloten dat de Rechtbank van oordeel is dat zich hier niet het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klaagster als derde/niet-beslagene als eigenares van het geld moet worden aangemerkt.(3)

3.4. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd waarom klaagster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de geldbedragen aan haar toebehoren dan wel aan haar door anderen dan [betrokkene 1] in bewaring zijn gegeven en herhaalt in wezen de bezwaren tegen de voortduring van het beslag die aan de Rechtbank zijn voorgehouden.

3.5. Klaagster heeft de Rechtbank verzocht de teruggave te gelasten van de onder haar partner inbeslaggenomen geldbedragen, ter hoogte van € 9.500,00 vindplaats kast [a-straat 1] te [plaats], € 2000,00 vindplaats kledingkast [a-straat 1] te [plaats] en € 4150,00 vindplaats kluis van klaagster bij de Rabobank [plaats]. Klaagster heeft middels bescheiden willen aantonen dat het geld aan haar of aan haar vader toebehoort.

Klaagster heeft gesteld dat de € 9.500,00 is verkregen bij de verkoop van haar auto, waarvoor zij bij de aanschaf een lening was aangegaan, de € 2.000,00 aan haar vader toebehoort en € 4.150,00 haar spaargeld is. Ter onderbouwing van het aan haar toebehoren van het geldbedrag van € 9.500,00 heeft klaagster een tweetal stukken van de Direktbank uit 2001 en 2002 overgelegd, waaruit enkel blijkt dat klaagster én haar partner samen een lening bij de bank zijn aangegaan voor een bedrag van € 22.689,01. Uit deze stukken blijkt niet waarvoor de lening is aangegaan en evenmin of de lening nog voortduurt. Een overdrachtsbewijs van de auto kan klaagster, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2007, niet overleggen. Tegen deze achtergrond behoefde het oordeel van de Rechtbank geen verdere motivering.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat door de vader van klaagster ter terechtzitting van 7 november 2007 in persoon een verklaring is afgelegd ten aanzien van de door hem aan zijn dochter in bewaring gegeven € 2.000,00. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2007 blijkt evenwel niet dat de vader ter terechtzitting een verklaring heeft afgelegd. Een schriftelijke verklaring van de vader ontbreekt eveneens. De enkele stelling van klaagster dat haar vader haar dit bedrag in bewaring heeft gegeven noopte de Rechtbank ook op dit punt niet tot verdere motivering.

Ten aanzien van het spaargeld heeft klaagster een rekeningafschrift uit 2003 overgelegd waarop onder meer een bijschrijving van € 2.466,03 staat vermeld met de omschrijving spaarregeling [A]. In een overgelegd overzicht van [A] Spaarfonds van september 2005 valt te lezen dat klaagster een bedrag van € 1584,02 vrij kan opnemen. Uit geen van beide stukken blijkt dat zij deze bedragen opgenomen heeft en bovendien heeft klaagster ter zitting zelf verklaard niet over een opnamebewijs te beschikken van laatst genoemd bedrag. Nu enkel deze twee stukken zijn overgelegd, waaruit niet blijkt dat het spaargeld in contanten van de rekeningen is gehaald, is het oordeel van de Rechtbank ook op dit punt voldoende gemotiveerd.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in haar cassatieberoep dan wel tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 30 januari 2001, NJ 2001, 293, m.nt. JdH; HR 27 maart 2007, LJN AZ7748.

2 Artikel 450 Sv is met ingang van 1 maart 2007 gewijzigd. Met betrekking tot deze wijziging bevat de Memorie van Toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Kamerstukken II, 2005/2006, 30320, nr. 3. p. 28) de hierna volgende passage waarbij wordt verwezen naar het in voetnoot 1 genoemde arrest: "Deze wijze van instellen van hoger beroep - door het verzenden van een schriftelijke bijzondere volmacht aan de griffie - kan ook door voor de verdachten als gevolmachtigd optredende advocaten worden benut."

3 Vgl. HR 5 juli 2005, LJN AT2970, rov. 3.5.