Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK2150

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
08/03363
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK2150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich het in de strafzaak van de klager gewezen arrest van het Hof waarbij de teruggave van inbeslaggenomen kledingstukken aan de klager is gelast. Nu het tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep door de Hoge Raad is verworpen en daardoor ’s Hofs last tot teruggave onherroepelijk is geworden, betekent dit dat de klager geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen de beschikking van de Rechtbank. De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 198
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03363

Mr. Vegter

Zitting: 27 oktober 2009

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank te Roermond heeft het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van in beslag genomen kledingstukken ongegrond verklaard.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Alvorens het middel te bespreken merk ik ambtshalve het volgende op. Bij de behandeling in raadkamer op 15 juli 2008 heeft de Officier van Justitie aangevoerd dat niet de Rechtbank doch het Hof bevoegd was om kennis te nemen van het klaagschrift, omdat de hoofdzaak reeds op 4 juni 2008 was afgedaan door de Rechtbank. De Rechtbank overweegt dienaangaande in haar beslissing het volgende:

"Uit de stukken komt naar voren dat:

- er proces-verbaal is opgemaakt ten aanzien van klager met betrekking tot een verdenking van poging tot verkrachting en poging doodslag. In het kader van dit onderzoek zijn op 6 februari 2008 de litigieuze kledingstukken in beslag genomen;

- op 13 mei 2008 heeft de toenmalige raadsman van klager, mr. R.A.E. Bunge, een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ingediend, inhoudende het verzoek om voormeld beslag op te heffen met last tot teruggave aan klager. Dit verzoek is bij de griffie van deze rechtbank binnengekomen op 14 mei 2008;

- op 4 juni 2008 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank uitspraak gedaan in de onderhavige hoofdzaak. De rechtbank heeft met betrekking tot de inbeslaggenomen kledingstukken, de bewaring gelast tot het moment dat er geen strafvorderlijk belang meer is om het beslag te handhaven.

- Op 10 juni 2008 heeft de raadsman hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van deze rechtbank d.d. 4 juni 2008.

Met betrekking tot bevoegdheid van de rechtbank overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat nu het klaagschrift is ingediend voor de inhoudelijke behandeling en het nodige is verricht om de datum van de behandeling van het klaagschrift te bepalen, de behandeling - conform artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering laatste volzin - aan is gevangen. De omstandigheid dat in de strafzaak waarin beslag is gelegd inmiddels hoger beroep is ingesteld, doet er niet aan af dat de rechtbank bevoegd is om op het klaagschrift te beslissen. (HR 28 mei 2006, D&D26 1996, afl. 8)"

4. Uit de door de Rechtbank genoemde uitspraak van de Hoge Raad(1) volgt mijns inziens echter dat voor de bevoegdheid van belang is of de behandeling van het klaagschrift door de Rechtbank reeds is aangevangen voordat hoger beroep is ingesteld. Het hoger beroep is op 10 juni 2008 ingesteld. De oproeping om te verschijnen in raadkamer voor de behandeling van het klaagschrift is op 11 juni 2008 door de Officier van Justitie ondertekend. Dat is derhalve (net) na de instelling van het hoger beroep. Het komt mij voor dat dus het Hof bevoegd was om het klaagschrift te behandelen. (Vgl. HR 16 januari 1990, NJ 1990, 455; daar hanteerde de HR de behandeling in raadkamer als begin van aanvang van de behandeling, omdat van enige eerdere behandeling door de Rechtbank niet bleek). Het klaagschrift had derhalve ter afdoening naar het Hof gezonden moeten worden.

5. Voor het geval de Hoge Raad hier anders over denkt bespreek ik hieronder nog het middel.

6. Het middel klaagt dat de Rechtbank het beklag ten onrechte ongegrond heeft verklaard, althans dat de Rechtbank die beslissing genomen heeft op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.

7. De Rechtbank heeft ten aanzien van de gegrondheid van het beklag het volgende overwogen:

"De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het openstaande hoger beroep, het voor haar op dit moment niet te voorzien is of de inbeslaggenomen kledingstukken bij de behandeling bij het Hof 's-Hertogenbosch in het kader van de waarheidvinding van strafvorderlijk belang zijn. Het is naar het oordeel van de rechtbank derhalve op dit moment niet zonder meer vast te stellen dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het handhaven van het beslag. Gelet op vorenoverwogene dient het beslag vooralsnog te worden gehandhaafd."

8. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet zonder meer is vast te stellen dat er geen strafvorderlijk belang meer is. De steller van het middel meent dat de Rechtbank hiermee van een onjuiste maatstaf is uitgegaan.

9. Het belang van de strafvordering valt samen met de gronden voor inbeslagneming genoemd in art. 94 Sv. Het gaat om de veiligstelling van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat (Vgl. HR 27 april 1971, NJ 1972, 341). Daarbij hoeft de rechter in raadkamer slechts een geringe mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van een van deze gronden aanwezig te achten. Dat hangt weer samen met het summiere karakter van het onderzoek, waarbij van de rechter niet gevergd kan worden ten gronde te treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure (Vgl. HR 25 september 2007, LJN BA2279).

10. In dat licht is er al sprake van strafvorderlijk belang indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Dat is echter iets anders dan vaststellen dat het niet te voorzien is of de voorwerpen een rol spelen in de waarheidvinding bij het Hof.

11. Met de overweging "Het is niet zonder meer vast te stellen dat er geen strafvorderlijk belang meer is" oordeelt de Rechter in raadkamer immers niet dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave. In wezen onthoudt de Rechter in raadkamer zich in casu van een oordeel omtrent de aan- of afwezigheid van strafvorderlijk belang.

12. Wellicht heeft de Rechter in raadkamer zich te veel laten leiden door hetgeen de Officier van Justitie bij de behandeling van het klaagschrift subsidiair verklaarde (voor de Officier van Justitie was evenmin te voorzien of er nog strafvorderlijk belang was om het beslag te handhaven) en bedoelde de Rechter in raadkamer om tot uitdrukking te brengen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat het Hof de kleding nog bij de waarheidvinding van belang zou achten, maar dat staat er niet.

13. Wat dat betreft had de Rechter in raadkamer beter kunnen aansluiten bij de Rechter in de strafzaak, die immers in het strafvonnis van 4 juni 2008 tegen klager oordeelde dat "Gelet op de mededeling van de officier van justitie dat de inbeslaggenomen kleding bewijsstuk is, is de rechtbank van oordeel dat er met betrekking tot deze goederen sprake is van een strafvorderlijk belang, dat voortduurt totdat de zaak onherroepelijk is. Het beslag blijft dan ook gehandhaafd.".

14. Met die overweging wordt wèl tot uitdrukking gebracht dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de kleding van belang kan zijn voor de waarheidvinding.

15. De Rechter in raadkamer heeft derhalve de verkeerde maatstaf toegepast. Het middel slaagt.

16. Andere gronden dan die hierboven genoemd waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt primair tot vernietiging van de bestreden beschikking, tot onbevoegdverklaring van de Rechtbank tot kennisneming van het klaagschrift en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan;

en subsidiair tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ten einde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 28 mei 1996 (in de beschikking staat per abuis 2006), LJN: ZD0472, JOW 1996, 179.