Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK2005

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
08/01936
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2008:BC2755
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK2005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Melkquotum. IJkmoment referentiehoeveelheid Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting (BOSO). Nederland heeft ervoor gekozen om in het kader van de superheffing het jaar 1983 als referentiejaar te hanteren, in de betekenis die in art. 5 lid 1 van de Beschikking superheffing en daarop voortbouwende bepalingen in opvolgende regelingen wordt toegekend aan het jaar 1983 voor de vaststelling van de omvang van de heffingvrije hoeveelheid.

Wetsverwijzingen
Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 222
NJB 2010, 330
JWB 2010/22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/01936

mr. Keus

Zitting 30 oktober 2009

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. [Eiser 2]

(hierna afzonderlijk: [eiser 1] en [eiser 2], en gezamenlijk: [eiser] c.s.)

eisers tot cassatie

tegen

de Stichting Twickel

(hierna: de Stichting)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de vraag welk jaar als referentiejaar geldt bij de vaststelling van een extra melkquotum op grond van de Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting (hierna: BOSO)(1).

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 [Eiser] c.s. exploiteren een agrarisch bedrijf, waarin onder andere melkrundvee wordt gehouden. In 1984 is aan [eiser 1] op grond van de Beschikking superheffing een heffingvrije hoeveelheid melk van 89.819 kg (hierna: het melkquotum) toegekend.

1.2 Vóór 1983 had [eiser 1] de beschikking over de volgende gronden:

- 6.50.00 ha land in eigendom aan de [a-straat 1] te [plaats], waarvan 5.20.00 ha landbouwgrond;

- 1.58.40 ha landbouwgrond in pacht van de Stichting;

- 1.52.00 ha in pacht van de Staat.

1.3 In het voorjaar van 1983 heeft [eiser 1] het bedrijf van [betrokkene 1] aan de [b-straat 1] te [plaats] gekocht. Levering vond plaats op 1 november 1983. Daardoor verkreeg [eiser 1] de volgende gronden:

- 0.10.87 ha grond met daarop het woonhuis en de bedrijfsgebouwen in eigendom;

- 3.72.03 ha landbouwgrond in eigendom.

Daarnaast verkreeg hij krachtens een op 25 april 1983 ondertekende overeenkomst met ingang van 1 november 1983:

- 5.74.20 ha landbouwgrond in pacht van de Stichting (voorheen verpacht aan [betrokkene 1]).

Tenslotte verkreeg [eiser 1] in het najaar van 1983:

- 1.25.50 ha landbouwgrond in pacht van de Staat.

1.4 Alle hiervóór onder 1.2 en 1.3 genoemde landbouwgrond, eigendom zowel als pacht, hebben [eiser] c.s. steeds gebruikt als grasland of bouwland voor de ruwvoerwinning ten nutte van hun (rundvee-)bedrijf.

1.5 In 1986 heeft [eiser 2] een aanvraag ingediend voor een andere hoeveelheid heffingvrije melk in het kader van de BOSO. [Eiser 2] heeft bij zijn aanvraag aangegeven dat hij het bedrijf van zijn vader zou overnemen door maatschapsvorming, dat er verplichtingen tot investeringen in standplaatsen voor melk- en kalfkoeien waren aangegaan en dat het aantal standplaatsen was uitgebreid van 20 naar 43. Deze uitbreiding was het gevolg van de overname van het bedrijf van [betrokkene 1].

1.6 Bij beschikking van 20 februari 1987 heeft de Minister van Landbouw en Visserij aan [eiser 2] een hoeveelheid heffingvrije melk van 196.360 kg toegekend. Deze hoeveelheid was berekend volgens de berekeningsmethode van art. 8 lid 3 BOSO en wel als volgt:

Aantal standplaatsen na uitbreiding 43

Min: aantal standplaatsen volgens meitelling 1983 19 -

24

Aftrek van 10% 02,4 - 21,6

Extra hoeveelheid 21,6 stuks x 5.500 kg 118.800 kg

Afgeleverde hoeveelheid melk in 1983 98.324 kg + 217.124 kg

Aftrek 8,65 % 18.781 kg - 198.343 kg

Aftrek 1% 1.983 kg - 196.360 kg

De mogelijkheid om een aantal kg bij te tellen of af te trekken in verband met mutaties door grondtransacties in de heffingsperioden 1984/1985 en 1985/1986 is niet benut.

1.7 De toegekende hoeveelheid heffingvrije melk is in de maatschap [A] ingebracht.

1.8 De pachtovereenkomst tussen [eiser] c.s. en de Stichting is in overleg tussen partijen per 5 januari 1993 beëindigd in verband met de uitgifte in erfpacht van de verpachte gronden. Bij notariële akte van diezelfde datum heeft de Stichting aan [eiser] c.s. een recht van erfpacht verleend op de voorheen gepachte grond (en een ander stuk grond) voor een periode van 40 jaren.

1.9 Tussen partijen is verschil van mening ontstaan over de gerechtigdheid tot het op naam van [eiser] c.s. staande melkquotum.

2. Procesverloop

2.1 Bij exploot van 31 januari 2006 hebben [eiser] c.s. de Stichting gedagvaard voor de rechtbank Almelo. Zij vorderen - na wijziging van eis bij memorie van grieven - een verklaring voor recht dat de door de Stichting gepretendeerde aanspraken op het ten name van [eiser] c.s. geregistreerde melkquotum

a. geen betrekking kunnen hebben op dat deel van het ten name van [eiser] c.s. geregistreerde melkquotum dat valt te herleiden tot de in art. 8 lid 3 BOSO bedoelde vermeerdering volgens de formule "het aantal onderbezette standplaatsen minus 10%, vermenigvuldigd met 5500 kilogram"(3), althans dat die aanspraken uitsluitend samenhangen met en betrekking hebben op de oppervlakte landbouwgrond die [eiser] c.s. van de Stichting in het gehele jaar 1983 in gebruik hebben gehad, althans dat het hof ter zake van de aanspraken van de Stichting voor recht verklaart hetgeen het in goede justitie geraden acht;

b. voor wat betreft dat deel van het ten name van [eiser] c.s. geregistreerde melkquotum dat in art. 8 lid 3 BOSO wordt aangeduid als "de heffingvrije hoeveelheid als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de Beschikking superheffing (Stcrt. 1984, 79)"(4) uitsluitend samenhangen met en betrekking hebben op de oppervlakte landbouwgrond die [eiser] c.s. van de Stichting in het gehele jaar 1983 in gebruik hebben gehad, althans dat het hof ter zake van de aanspraken van de Stichting voor recht verklaart hetgeen het in goede justitie geraden acht.

2.2 [Eiser] c.s. hebben, naast hetgeen onder de feiten is weergegeven, onder meer het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd. De aanspraken van de Stichting kunnen zich niet verder uitstrekken dan tot een deel van het oorspronkelijke, op basis van de in 1983 aan de melkfabriek geleverde hoeveelheid melk vastgestelde quotum van 89.819 kg. Waar [eiser 1] eerst per 1 november 1983 5.74.20 ha van de Stichting in pacht heeft verkregen - derhalve ná het weideseizoen en op een moment waarop de betrokken grond niet meer voor het oorspronkelijke quotum bepalend kan zijn geweest - is voor de relatieve aanspraak van de Stichting slechts bepalend de 1.58.40 ha grond die [eiser] tot 1 november 1983 van de Stichting pachtte. Volgens [eiser] c.s. kan de Stichting geen enkele aanspraak maken op het extra melkquotum dat aan [eiser 2] is toegekend op basis van investeringsverplichtingen ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen voor melkkoeien zoals in art. 7 BOSO bedoeld. Vóór die uitbreiding bedroeg het aantal standplaatsen voor melkkoeien 20(5) en daarna 43. Het op basis van de BOSO toegekende extra quotum heeft - nog steeds volgens [eiser] c.s. - geen relatie met de grond gehad. Het gaat blijkens art. 7 BOSO immers om de vraag of er tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 investeringsverplichtingen ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen zijn aangegaan en om de verhouding tussen het aantal standplaatsen na de uitbreiding en het aantal standplaatsen volgens de landbouwtelling 1983. Aldus hebben de destijds van de Stichting gepachte gronden, zowel voor 1 november 1983 als daarna, niet aan de totstandkoming van het BOSO-quotum bijgedragen.

2.3 De Stichting heeft verweer gevoerd. Het verweer komt erop neer dat voor de bepaling van de aanspraken van de Stichting op het melkquotum gewicht toekomt aan alle oorspronkelijk gepachte grond waarvoor in 1993 het recht van erfpacht is gevestigd, zijnde in totaal 7.26.60 ha(6), en dat zowel van het oorspronkelijke melkquotum van [eiser 1] als van het extra quotum op basis van de BOSO, ten tijde van het vonnis van de rechtbank in totaal een heffingvrije hoeveelheid van 176.340 kg, moet worden uitgegaan. Op haar beurt heeft de Stichting in reconventie gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat met een gedeelte van 7.26.60 ha van de in erfpacht uitgegeven gronden, met welk gedeelte is bedoeld de grond die voorheen in pacht was blijkens de pachtwijzigingsovereenkomst van 11 januari 1993, overgelegd als productie 3 bij dagvaarding, een relatief gedeelte van het melkquotum ter grootte van 176.340 kg samenhangt.

2.4 Bij vonnis van 10 januari 2007 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] c.s. in conventie afgewezen. De rechtbank heeft - onder meer - geoordeeld dat de van de Stichting gepachte grond, voor zover die grond in de periode tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 ter beschikking van [eiser] c.s. stond of kwam te staan, aan de opbouw van het melkquotum heeft bijgedragen, waardoor het quotum met die grond is gaan samenhangen (rov. 6.6). In reconventie heeft de rechtbank de door de Stichting gevorderde verklaring voor recht uitgesproken.

2.5 [Eiser] c.s. hebben hoger beroep bij het hof Arnhem doen instellen. Bij arrest van 22 januari 2008 heeft het hof het vonnis van 10 januari 2007 vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het hof in conventie voor recht verklaard dat de door de Stichting gepretendeerde aanspraken op het ten name van [eiser] c.s. geregistreerde melkquotum wat betreft dat deel van dit melkquotum dat in art. 8 lid 3 BOSO wordt aangeduid als "de heffingvrije hoeveelheid als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de Beschikking superheffing (Stcrt. 1984, 79)" uitsluitend samenhangen met en betrekking hebben op de oppervlakte landbouwgrond die [eiser] c.s. het gehele jaar 1983 van de Stichting in gebruik hebben gehad. Het hof heeft de vordering van [eiser] c.s. voor het overige afgewezen. In reconventie heeft het hof voor recht verklaard dat met een gedeelte ter grootte van 7.26.60 ha van de door de Stichting in erfpacht aan [eiser] c.s. uitgegeven gronden, met welk gedeelte is bedoeld de grond die voorheen in pacht was blijkens de pachtwijzigingsovereenkomst van 11 januari 1993, een relatief gedeelte van het melkquotum ter grootte van 176.340 kg samenhangt, met dien verstande dat het reguliere melkquotum niet samenhangt met het gedeelte van 5.74.20 ha pachtgrond dat bij pachtovereenkomst van 25 april 1983 met ingang van 1 november 1983 in gebruik is gegeven. Het hof heeft hiertoe - onder meer - het volgende overwogen:

"4.12 Voor het antwoord op de vraag met welke in erfpacht gegeven grond referentiehoeveelheden samenhangen is doorslaggevend of de melkproductie waarop de toekenning van de referentiehoeveelheden is gebaseerd heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de verpachte (en nu in erfpacht uitgegeven) grond in het jaar dat als uitgangspunt voor die toekenning geldt. Anders dan [eiser] c.s. betoogt is het referentiejaar voor de BOSO-referentiehoeveelheid niet 1983. Als ijkmoment geldt 1 april 1986, zoals blijkt uit artikel 7 lid 2 van de beschikking in combinatie met het gegeven dat de referentiehoeveelheid wordt toegekend op basis van het aantal standplaatsen. De op de BOSO gebaseerde referentiehoeveelheid is dus ook gaan samenhangen met de grond die eerst in november 1983 van Twickel is gepacht."

2.6 [Eiser] c.s. hebben tijdig(7) cassatieberoep doen instellen. Tegen de Stichting - die in cassatie niet is verschenen - is verstek verleend. [Eiser] c.s. hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel bevat één klacht, die zich richt tegen (een deel van) rov. 4.12.

3.2 Het hof heeft - aldus de klacht - in rov. 4.12 terecht vooropgesteld dat bij de beantwoording van de vraag in welke mate het BOSO-quotum en de door [eiser] c.s. van de Stichting gepachte (en inmiddels in erfpacht verkregen) gronden samenhangen, doorslaggevend is of de melkproductie waarop de toekenning van de referentiehoeveelheden is gebaseerd, heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de verpachte (en nu in erfpacht uitgegeven) grond in het jaar dat als uitgangspunt voor die toekenning geldt. Onjuist, althans onbegrijpelijk, is volgens de klacht echter het vervolgoordeel van het hof dat niet het jaar 1983, maar 1 april 1986 het "ijkmoment" is.

3.3 De klacht moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het volgende. Per 1 april 1984 is de zogenaamde superheffing in het leven geroepen, zulks in verband met de structurele overschotten aan zuivelproducten die zich begin jaren tachtig van de vorige eeuw binnen Europa hadden gevormd. De superheffing is verschuldigd over de hoeveelheid melk of melkproducten die een melkveehouder gedurende een jaar in het verkeer heeft gebracht, boven op de hoeveelheid die hem voor die periode was toegestaan(8).

3.4 De superheffing vindt haar oorsprong in Verordening (EEG) nr. 856/84(9) en Verordening (EEG) nr. 857/84(10). Op basis daarvan is op 1 april 1984 de Beschikking superheffing (Stcrt. 1984, 79) in werking getreden. Deze beschikking is opgevolgd door de Beschikking superheffing 1985(11) en vervolgens de Beschikking superheffing 1988(12). Met ingang van 1 april 1993 zijn beide oorspronkelijke verordeningen vervangen. In verband hiermee trad op dezelfde datum de Regeling superheffing 1993(13) in werking. Met ingang van 1 april 2004 werd een nieuw Europees regime van kracht, in verband waarmee de regeling van 1993 plaatsmaakte voor de Regeling superheffing en melkpremie 2004(14), nadien als de Regeling superheffing aangeduid(15). Deze regeling werd per 1 april 2008 door de Regeling superheffing 2008(16) vervangen. Laatstgenoemde regeling bevat de geldende voorschriften inzake onder meer de overdracht van melkquota(17).

3.5 De Beschikking superheffing en de Beschikking superheffing 1985 gaven regels voor de bepaling van aan melkveehouders toe te wijzen referentiehoeveelheden, ook wel melkquota genoemd. Naast die beschikkingen heeft de Minister van (toen nog) Landbouw en Visserij andere beschikkingen uitgevaardigd die regels gaven voor deze toewijzing in bijzondere situaties: de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties(18), de Beschikking aanvulling superheffing(19) en de BOSO(20).

3.6 Art. 2 lid 1 BOSO bepaalt de voorwaarden waaronder aanspraak kan worden gemaakt op een bijzondere heffingvrije hoeveelheid (quotum) op grond van deze regeling:

"1. In het geval van een bedrijfsopvolgingssituatie, gepaard gaande met een onderbezetting van het aantal standplaatsen in 1983, kan een bedrijfsopvolger onder de bepalingen en beperkingen voorzien in deze beschikking aanspraak maken op een andere heffingvrije hoeveelheid, dan bedoeld in artikel 5 van de Beschikking superheffing 1985."

3.7 Art. 6 BOSO omvat de - in art. 2 bedoelde - bepalingen en beperkingen waaronder de - in art. 2 bedoelde - aanspraak wordt erkend, terwijl art. 7 bepalingen en beperkingen omvat waaronder die aanspraak kan worden erkend:

"Artikel 6

1. Een aanspraak wordt erkend indien

a. het totaal aantal melk- of kalfkoeien op het overgenomen of over te nemen bedrijf volgens de landbouwtelling 1983 minder dan 90% bedroeg van het hoogste aantal melk- of kalfkoeien in enig jaar volgens de landbouwtelling van de jaren 1975 tot en met 1982; en

b. volgens de landbouwtelling van de jaren 1975 tot en met 1982 het aantal melk- of kalfkoeien op het overgenomen of over te nemen bedrijf in enig jaar tenminste 30 bedroeg; en

c. is aangetoond dat op het overgenomen of over te nemen bedrijf tussen 1 januari 1978 en 1 april 1984 bedrijfsmatig melk of het equivalent daarvan is afgeleverd.

(...)

Artikel 7

1. Een aanspraak kan eveneens worden erkend, indien

a. in de periode tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 investeringsverplichtingen zijn aangegaan ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen met meer dan 25% voor een bedrag van tenminste f 20.000; en

b. het totaal aantal melk- of kalfkoeien volgens de landbouwtelling 1983 minder dan 90% bedroeg van het totaal aantal aanwezige standplaatsen, na de uitbreiding; en

c. het aantal standplaatsen in de situatie vóór de uitbreiding tenminste 20 bedroeg; en

d. het aantal standplaatsen na de uitbreiding tenminste 30 bedraagt; en

e. is aangetoond dat op het overgenomen of over te nemen bedrijf tussen 1 januari 1978 en 1 april 1984 op enig moment bedrijfsmatig melk of het equivalent daarvan is afgeleverd.

2. Ten genoegen van de minister dient te worden aangetoond, dat de betrokken standplaatsen vóór 1 april 1986 waren gerealiseerd, ingericht en bestemd voor melk- en kalfkoeien."

3.8 De toelichting op de BOSO(21) vermeldt:

"Er zijn een aantal verschillen met de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties. In deze regeling is niet vereist dat sprake is van ernstige persoonlijke omstandigheden en van een produktiedaling in 1983 van minimaal 7% respectievelijk 10%. Wèl worden als voorwaarden gesteld dat in 1983 sprake was van onderbezetting en dat minimaal 30 standplaatsen op het bedrijf aanwezig waren. Voorts kan bij de toekenning van een bijzondere heffingvrije hoeveelheid rekening worden gehouden met standplaatsen waarmee de stalcapaciteit is uitgebreid. In een aantal gevallen zal de aanvrager de keuze hebben tussen een toekenning op grond van de Beschikking Superheffing bijzondere opvolgingssituaties, hetgeen een toewijzing van een ander referentiejaar inhoudt, en een toekenning op grond van deze beschikking, hetgeen een extra toewijzing inhoudt volgens de in artikel 8, derde lid, omschreven formule.

(...) Uitgangspunt voor de berekening is de heffingvrije hoeveelheid, gebaseerd op de produktie van 1983, verminderd met het geldende kortingspercentage."

3.9 Naar mijn mening impliceert reeds de in art. 2 BOSO vervatte keuze voor een onderbezetting van het aantal standplaatsen in 1983 als uitgangspunt voor een aanspraak op extra quotum, dat 1983 bij de bepaling van dat extra quotum als referentiejaar dient. Daaraan doet niet af dat in de systematiek van de BOSO als zodanige onderbezetting niet slechts heeft te gelden dat het aantal melk- of kalfkoeien over 1983 minder dan 90% bedroeg van het hoogste aantal volgens de landbouwtelling van de jaren 1975-1982 (art. 6), maar dat als zodanige onderbezetting ook geldt (althans kán gelden) dat in 1983 een uitbreiding van het aantal standplaatsen met méér dan 25% nog niet was gerealiseerd, maar concrete investeringsverplichtingen daartoe tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 zijn aangegaan (art. 7); ook in het laatste geval ligt een onderbezetting van de (in dat geval weliswaar nog slechts "virtuele") standplaatsen aan de toekenning van een extra quotum als opwaartse correctie van de heffingvrije hoeveelheid die zich op grond van de daadwerkelijke productie over 1983 laat berekenen, ten grondslag. Evenmin doet aan de betekenis van 1983 als referentiejaar (en aan de betekenis van de over dat jaar daadwerkelijk en mede met gebruikmaking van de aan de melkveehouder ter beschikking staande gronden gerealiseerde melkproductie als "ijkpunt" voor de aan de melkveehouder toe te kennen heffingvrije hoeveelheid) af dat de betrokken standplaatsen voor een latere datum (uiterlijk 1 april 1986) dienden te zijn gerealiseerd.

3.10 Voor zover niet aanstonds uit art. 2 volgt dat 1983 als referentiejaar heeft te gelden, blijkt dit in ieder geval uit de toelichting, waarin is opgenomen dat voor toepassing van de BOSO-regeling als voorwaarde heeft te gelden dat in 1983 sprake was van onderbezetting. Ook de passage in de toelichting waarin is vermeld dat de aanvrager soms de keuze heeft tussen een extra quotum op grond van de BOSO of op grond van de Beschikking superheffing bijzondere opvolgingssituaties waarbij (slechts) een keuze voor laatstgenoemde regeling toewijzing van een ander referentiejaar inhoudt, impliceert dat het referentiejaar voor de BOSO 1983 is. Ten slotte volgt ook uit het slot van de hiervóór - onder 3.8 - geciteerde passage dat 1983 het referentiejaar voor de BOSO is(22).

3.11 Uit het voorgaande volgt dat de klacht gegrond is. De BOSO moet aldus worden begrepen dat 1983 geldt als referentiejaar voor de bepaling van de heffingvrije hoeveelheid, óók voor zover deze wordt gevormd door het extra quotum ingevolge de BOSO, en wel in die zin dat de over dat jaar (mede met gebruikmaking van de toen aan de melkveehouder ter beschikking staande gronden) gerealiseerde melkproductie aan die heffingvrije hoeveelheid, met inbegrip van het extra quotum ingevolge de BOSO, ten grondslag ligt(23).

3.12 De vraag die na vernietiging van het bestreden arrest resteert, is of het BOSO-quotum samenhangt met alle grond die in 1983 door [eiser] c.s. van de Stichting werd gepacht, dan wel uitsluitend met de grond die gedurende het gehele jaar 1983 door [eiser] c.s. van de Stichting werd gepacht en die aldus aan de melkproductie van dat jaar heeft bijgedragen.

3.13 De Stichting heeft met betrekking tot de grond die met ingang van 1 november 1983 door [eiser] c.s. is gepacht gesteld dat het feitelijk gebruik van die grond door [eiser] c.s. al in het voorjaar van 1983 is ingegaan(24). De Stichting - op wie de bewijslast van deze stelling rust - heeft haar aanvankelijke bewijsaanbod op dit punt bij antwoordakte van 9 oktober 2007 ingetrokken. De daaraan door het hof in rov. 4.16 verbonden gevolgtrekking dat de 5.74.20 ha (landbouw)pachtgrond pas in november 1983 door [eiser] c.s. in gebruik is genomen, is in cassatie niet bestreden.

3.14 Waar het hof voorts in rov. 4.16 - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat van grond die zo laat in het jaar ter beschikking wordt gesteld niet kan worden gezegd dat deze een bijdrage aan de realisering van de melkproductie van 1983 heeft geleverd(25), kan niet anders worden geoordeeld dan dat het extra quotum, evenmin als het reguliere quotum, met de eerst in november 1983 ter beschikking gekomen 5.74.20 ha is gaan samenhangen en dat de aanspraak van de Stichting derhalve uitsluitend samenhangt met de (1.58.40 ha) grond die gedurende het gehele jaar 1983 door [eiser] c.s. van de Stichting is gepacht.

3.15 Naar mijn mening kan de Hoge Raad na vernietiging van het bestreden arrest de zaak zelf afdoen door, naast hetgeen het hof in conventie reeds heeft toegewezen, in conventie voor recht te verklaren dat de door de Stichting gepretendeerde aanspraken op de aan [eiser 2] op grond van art. 8 lid 3 BOSO toegekende vermeerdering uitsluitend kunnen samenhangen met en betrekking kunnen hebben op de oppervlakte landbouwgrond die [eiser] c.s. gedurende het gehele jaar 1983 van de Stichting in gebruik hebben gehad, en door de vorderingen in reconventie, die strekken tot een verklaring voor recht dat zowel het reguliere als het extra quotum met alle door de Stichting aan [eiser] c.s. in pacht en later erfpacht uitgegeven gronden (7.26.60 ha) samenhangt, alsnog af te wijzen.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad overeenkomstig het hiervóór onder 3.15 gestelde.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Stcrt. 1986, 92.

2 Rov. 3 van het bestreden arrest.

3 Deze vermeerdering wordt hierna ook wel als het BOSO-quotum aangeduid.

4 Deze oorspronkelijke heffingvrije hoeveelheid wordt hierna ook wel als het reguliere quotum aangeduid.

5 Volgens de berekening van het Ministerie bedroeg het aantal standplaatsen aanvankelijk 19. Het oorspronkelijke aantal standplaatsen vormt echter geen onderdeel van het procesdebat.

6 Deze oppervlakte verschilt van de totale oppervlakte van 7.32.60 ha die zich aan de hand van de hiervóór onder 1.2 en 1.3 vermelde gegevens laat berekenen. Zie voor het verschil van 0.06.00 ha punt 9, eerste alinea, van de inleidende dagvaarding.

7 Het bestreden arrest is op 22 januari 2008 uitgesproken, terwijl de cassatiedagvaarding op 21 april 2008 is betekend.

8 Asser/Snijders 7-III* (2009), nr. 342.

9 Verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, PbEG 1984, L 90/10-12.

10 Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, PbEG 1984, L 90/13-16, nadien gewijzigd en ingetrokken bij Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten, PbEG 1992, L 405/1-5. Laatstgenoemde verordening is, na meermalen te zijn gewijzigd, ingetrokken door Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten, PbEU 2003, L 270/123-136, die op haar beurt na herhaalde wijziging is ingetrokken door Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening), PbEU 2007, L 299/1-149, nadien gewijzigd.

11 Stcrt. 1985, 118.

12 Stcrt. 1988, 64.

13 Stcrt. 1993, 60.

14 Stcrt. 2004, 60.

15 Stcrt. 2007, 168.

16 Stcrt. 2008, 61.

17 Asser/ Snijders 7-III* (2009), nr. 342; vgl. ook E.IJ. le Blanc, Het voorkeursrecht van de pachter en superheffing, in: Met grond verbonden (1991), p. 25.

18 Stcrt. 1985, 109.

19 Stcrt. 1986, 65.

20 Zie over deze regelingen E.IJ. le Blanc, a.w., p. 25.

21 Stcrt. 1986, 92.

22 Overigens heeft ook de rechtbank geoordeeld dat 1983 het relevante peiljaar is voor toekenning van melkquota op grond van de BOSO; zie rov. 6.3 van het vonnis van 10 januari 2007. Tegen dit oordeel is in hoger beroep geen grief gericht, zodat het hof in zoverre buiten de rechtsstrijd is getreden. In cassatie wordt daarover echter niet geklaagd.

23 Waar zowel [eiser] c.s. als de Stichting van dit standpunt zijn uitgegaan, zou het oordeel van het hof wellicht mede als verrassingsbeslissing kunnen worden aangemerkt. Vgl. hierover E. Tjong Tjin Tai, Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter, NJB 2000/5, p. 259-264. Of daarvan werkelijk sprake is, kan echter blijven rusten, omdat het middel geen daarop gerichte klachten bevat.

24 Zie conclusie van antwoord onder 16, alsmede de conclusie van dupliek onder 1 en 15.

25 Vgl. ook pachtkamer hof Arnhem 28 december 2004, Agrarisch recht 2006, nr. 5343.