Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BK0915

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08/01725
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BK0915
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 326 Sv. Klacht over het niet opnemen van de verklaring van verdachte in het p-v. Het middel, dat ervan uitgaat dat ttz. in hb door verdachte een verklaring is afgelegd, hetgeen in cassatie niet kan worden onderzocht omdat dit een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is, mist feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 475
NJ 2010/405 met annotatie van P.A.M. Mevis
NJB 2010, 878
NBSTRAF 2010/169
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01725

Mr. Knigge

Zitting: 13 oktober 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 26 oktober 2007 niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

2. Namens de verdachte heeft mr. Klooken, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting van het Hof nietig is, aangezien de verklaring van de verdachte niet in het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 26 oktober 2007 is opgenomen.

4. Onder verwijzing naar Hoge Raad 9 januari 2007, NJ 2007, 53 meen ik dat dit middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.

5. Het tweede middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep.

6. Het Hof heeft ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de verdachte als volgt opgemerkt.

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Verdachte was, blijkens zijn brief van 3 juni 2007 van te voren op te hoogte van de terechtzitting in eerste aanleg op 6 juni 2007. De kantonrechter heeft op die zitting vonnis gewezen. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis daartegen hoger beroep instellen. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, dient verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof acht geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maken."

7. De steller van het middel stelt dat de verdachte bij brief van 3 juni 2007 om aanhouding van de zitting van 6 juni 2007 heeft verzocht en er daarom geen rekening mee hoefde te houden dat de rechtbank al op 6 juni 2007 vonnis zou wijzen. Verdachte is voorts, aldus de steller van het middel, pas op 20 juli 2007 bekend geworden met het eindvonnis. Gezien het vorenstaande had het Hof zijn beslissing tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de verdachte nader moeten motiveren.

8. Onder verwijzing naar art. 408 lid 3 sub b Sv en Hoge Raad 6 januari 2004, NJ 2004,181 meen ik dat dit middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.

9. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG