Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BJ3723

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08/04214 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BJ3723
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv mbt conservatoir beslag (inbeslaggenomen banktegoeden). 1. Beslissing t.a.v. proportionaliteit beslag mede o.b.v. mededeling RC. 2. Overleggen SFO-stukken aan raadkamer o.g.v. art. 23.4 Sv? 3. Beslissing door enkelvoudige kamer. Ad 1. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter bij de beoordeling van een beklag over inbeslagneming ter motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven te hebben onderzocht of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de Rb. haar beslissing mede baseert op een mededeling van de RC a.b.i. art. 126e.1 Sv, welke voortvloeit uit een mededeling van de OvJ a.b.i. art. 126b Sv. Ad 2. De opvatting dat in een geval als i.c., niettegenstaande de ongegrondverklaring van het door klaagster o.g.v. art. 32 Sv ingediende bezwaarschrift, door het OM alle stukken van het SFO aan de raadkamer moeten worden overgelegd als “op de zaak betrekking hebbende stukken” a.b.i. art. 23.4 Sv en dat de raadkamer vervolgens dient te beoordelen of en zo ja, in hoeverre de kennisneming van die stukken aan de verdediging dient te worden onthouden ex art. 23.5 Sv, is onjuist. Ad 3. De enkelvoudige kamer van de Rb. is o.g.v. art. 21.5 Sv bevoegd tot de behandeling van een zaak indien deze van eenvoudige aard is. Het oordeel of de zaak van eenvoudige aard is, is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 150

Conclusie

Nr. 08/04214 B

Mr. Bleichrodt

Zitting 7 juli 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 10 april 2008 het klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv van klaagster ongegrond verklaard.

2. Mr. C. Vogtschmidt, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens klaagster beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.T.C. Leliveld en mr. J.S. Spijkerman, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.(1)

3. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In de onderhavige zaak gaat het om conservatoire beslagen onder derden ex art. 94a Sv die op 13 november 2007 ten laste van klaagster dan wel [betrokkene 1] of [B] B.V. zijn gelegd op de saldi van diverse bankrekeningen. De beslagen zijn gelegd in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) dat onder meer ten aanzien van klaagster is ingesteld, waarbij een onderzoek naar de geldstromen tussen de verdachten (o.a. klaagster) is ingesteld. Het aanvangsproces-verbaal houdt onder meer in dat klaagster en (onder meer) [B] B.V. eind jaren negentig en begin jaren 2000 grote bedragen hebben ontvangen uit een viertal Bouwfondsprojecten zonder dat uit enige vastgelegde administratie gebleken is van daadwerkelijke verrichte werkzaamheden.(2)

Op 27 november 2007 heeft klaagster de officier van justitie verzocht om toezending van stukken terzake het ingestelde SFO ter beoordeling van de ten laste van klaagster gelegde beslagen. De officier van justitie heeft bij brief van 28 november 2007 te kennen gegeven niet bereid te zijn de gevraagde stukken aan de verdediging te doen toekomen, omdat het belang van het onderzoek zich daartegen verzette, waarop de verdediging een bezwaarschrift heeft ingediend als bedoeld in art. 32 Sv. De Rechtbank heeft op 3 januari 2008 dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft klaagster een klaagschrift als bedoeld in art 552a Sv ingediend tegen de conservatoire beslagen. Om dit klaagschrift gaat het in de onderhavige zaak. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 17 januari 2008 is de zaak aangehouden opdat de verdediging en het openbaar ministerie de mogelijkheid zouden onderzoeken tot opheffing van het beslag tegen zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie (art. 118a Sv).(3) Na het mislukken van de onderhandelingen met betrekking tot de opheffing tegen zekerheidstelling, is de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van 13 maart 2008 voortgezet, waarna de Rechtbank bij beschikking van 10 april 2008 op het klaagschrift heeft beslist.

4.1 In het eerste middel wordt aangevoerd dat de Rechtbank bij de beoordeling van het beklag ten onrechte een te enge maatstaf heeft gehanteerd. De Rechtbank heeft, aldus het middel, immers overwogen dat de beslagen rechtmatig zijn gelegd op de enkele grond dat klaagster wordt verdacht van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, terwijl naast het feit dat er sprake dient te zijn van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, de voordeelsontneming redelijkerwijs te verwachten moet zijn en het beslag tot bewaring van verhaal redelijkerwijs noodzakelijk is. Derhalve is de beschikking van de Rechtbank niet naar behoren met redenen omkleed.

4.2 De Rechtbank heeft de ongegrondverklaring van het klaagschrift als volgt gemotiveerd:

"4 Oordeel van de rechtbank

4.1 Bij de beoordeling van het klaagschrift dient allereerst te worden getoetst of het beslag rechtmatig is. In een geval als het onderhavige waarin het beslag op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering is gelegd, dient voorts te worden beoordeeld of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

4.2 Op vordering van de officier van justitie heeft de rechter-commissaris machtiging verleend voor het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek met betrekking tot klagers. Gelet op het feit dat een strafrechtelijk financieel onderzoek slechts kan worden ingesteld in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, brengt het verlenen van de machtiging voor dat onderzoek door de rechter-commissaris naar het oordeel van rechtbank mee dat ten tijde van de beslaglegging sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van verdachten aan een of meer misdrijven, te weten misdrijven genoemd in de artikelen 326, 420 bis en 140 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Het beslag is derhalve rechtmatig gelegd.

4.3 Nu het beslag rechtmatig is, dient vervolgens te worden beoordeeld of het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag verzet. Daarvan is sprake indien zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

4.4 De rechtbank overweegt met betrekking tot het belang van strafvordering het volgde. Op 28 januari 2008 heeft de officier van justitie de rechter-commissaris op grond van artikel 126 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering geïnformeerd over de voortgang van het strafrechtelijk financieel onderzoek met betrekking tot klagers. Naar aanleiding van die toelichting heeft de rechter-commissaris de rechtbank bericht dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door de klagers gezamenlijk wordt geschat op een bedrag van bijna € 11.300.000 en dat dit bedrag voldoende door de officier van justitie is onderbouwd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of een ontnemingsmaatregel zal opleggen. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve tegen de opheffing van het beslag en de teruggave daarvan aan klagers.

4.5 Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechterbank voorts van oordeel dat de gelegde beslagen niet disproportioneel zijn, nu de thans gelegde beslagen het bedrag van de geschatte vorderingen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op klagers van bijna € 11.300.000,- niet te boven gaan.

(...)

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de klaagschriften ongegrond."

4.3 In het kader van zijn beoordeling van een klaagschrift tegen een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a, tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken of:

a) er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.(4)

4.4 Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Uit de hiervoor onder 4.2 aangehaalde motivering van de Rechtbank volgt dat zij er blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of in casu sprake is van de situatie bedoeld in art. 94a, tweede lid, Sv die de gelegde beslagen rechtvaardigt. Zij heeft verder niet alleen overwogen dat jegens klaagster de verdenking is gerezen van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Tevens heeft zij geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster een geldboete of een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aldus heeft de Rechtbank de juiste en, anders dan de steller van het middel betoogt, niet een te enge maatstaf aangelegd. Ik meen overigens dat het oordeel van de Rechtbank, inhoudende dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, niet onbegrijpelijk is.

Het middel dat, zoals gezegd, klaagt over de toepassing van een te beperkte toetsingsmaatstaf kan bij gebrek aan feitelijke grondslag dus niet tot cassatie leiden. In de toelichting op het middel wordt ook nog gesteld dat de Rechtbank het beslag had moeten toetsen aan de vormvoorschriften van art. 94c Sv. In aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat zodanige voorschriften zouden zijn overtreden was de Rechtbank echter niet gehouden in haar beschikking van een onderzoek ter zake te doen blijken. Ook in cassatie wordt trouwens niet gesteld op welk voorschrift de stellers van het middel het oog hebben.

4.5 Het middel faalt.

5.1 Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank heeft nagelaten zelfstandig te toetsen of het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel door de officier van justitie voldoende is onderbouwd. Zij heeft zich, in strijd met de wet, beroepen op het oordeel van de Rechter-Commissaris ter zake en aldus haar beschikking niet naar behoren gemotiveerd.

Het derde middel borduurt voort op dit thema en klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd kennis te nemen van de, aan de onderbouwing van het geschatte voordeel ten grondslag liggende, stukken van het SFO. De Rechtbank had zich die stukken moeten laten overleggen en na daarvan kennis genomen te hebben, vervolgens een belangenafweging als bedoeld in art. 23 lid 5 Sv moeten maken of de stukken, in het kader van het belang van het onderzoek, aan de verdediging moesten worden onthouden.

Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.2 Vooropgesteld moet worden dat ook een beklagprocedure als de onderhavige een summier karakter heeft. Dat heeft consequenties voor de motivering van de beschikking. Als, zoals hier, de Rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast zal in cassatie in beginsel alleen kunnen worden beoordeeld of dat oordeel onbegrijpelijk is. Als er specifieke en relevante verweren zijn gevoerd zal daarop echter wel moeten worden gereageerd.

5.3 Het tweede middel richt zich tegen overweging 4.4 van de Rechtbank (hiervoor geciteerd onder 4.2) waarin is vermeld dat de officier van justitie de Rechter-Commissaris op grond van artikel 126 lid 5 Sv heeft bericht over de voortgang van het strafrechtelijk financieel onderzoek met betrekking tot klaagster en dat de Rechter-Commissaris daarop de rechtbank heeft bericht dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door de klagers gezamenlijk (dat zijn dus [betrokkene 1] en zijn twee B.V.'s) wordt geschat op een bedrag van bijna €11.300.000 en dat dit bedrag voldoende door de Officier van Justitie is onderbouwd. De raadsman in feitelijke aanleg vond dat een te hoog bedrag en ging, als ik het goed begrijp uit van een geschat bedrag van ruim € 3.000.000,-(5) De Rechtbank heeft in haar beschikking vastgesteld dat op de beslagen bankrekeningen (van de beide B.V.'s en van [betrokkene 1]) in totaal een bedrag stond van, als ik het goed zie, ruim € 2.900.000,-(6).

5.4 In deze beklagprocedure is een discussie over de schatting van het wederrechtelijk voordeel, welke schatting overigens niet anders dan voorlopig van aard kan zijn, in beginsel niet op haar plaats; daarvoor is de ontnemingsprocedure zelf bestemd. Met betrekking tot die schatting zal veelal ook in een pril stadium van het strafrechtelijke onderzoek nog niet een voldoende verantwoorde uitspraak kunnen worden gedaan; dat geldt ongetwijfeld ook in deze zaak waarin zo kort na het begin van het SFO en het leggen van de conservatoire beslagen een klaagschrift is ingediend.

5.5 Anderzijds moet worden toegegeven dat de - noodzakelijkerwijze voorlopige - schatting van het verkregen voordeel bij de beoordeling van het beslag niet altijd zonder belang is. Zij kan een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of gelet op de omstandigheden van het geval het beslag als disproportioneel moet worden beschouwd. In zijn arrest van 15 januari 2008, NJ 2008, 63 overwoog de Hoge Raad, na eerst de hiervoor onder 4.3 weergegeven maatstaf te hebben vermeld:

"Anders dan het middel betoogt, vergt die maatstaf niet een onderzoek naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van de eventueel op te leggen geldboete of van het te ontnemen bedrag. Omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht. Zodanige omstandigheden zijn hier evenwel gesteld noch gebleken."

Tegen deze achtergrond moet de aangevallen overweging van de Rechtbank naar het mij voorkomt, worden gelezen.

Duidelijk is mijns inziens dat hier sprake is van een uitzondering op de regel en dat gedacht moet worden aan bijzondere gevallen. Zijn er bijvoorbeeld aanwijzingen of is er gemotiveerd aangevoerd dat, ook al kan het verkregen voordeel nog niet min of meer nauwkeurig worden geschat, te verwachten is dat dit duidelijk niet in verhouding zal staan tot de (aanzienlijke) waarde van het inbeslaggenomene, dan zal de rechter een nader onderzoek moeten instellen. Van bijzondere omstandigheden die tot een onderzoek als hiervoor bedoeld nopen kan echter, gelet op wat hiervoor onder 5.3 is opgemerkt over de omvang van het beslag, op wat de stukken, in het bijzonder het aanvangsproces-verbaal, inhouden over het vermoedelijk behaalde voordeel en wat ter zake is aangevoerd, mijns inziens niet worden gesproken.

5.6 Gelet op het voorgaande is wat in het tweede middel is aangevoerd over het feit dat de Rechtbank is afgegaan op het oordeel van de Rechter-Commissaris over de (bijgestelde) schatting van het voordeel op ruim € 11 miljoen en dat deze is gebruikt "als grondslag voor de toetsing van de hoogte van het geschatte wederrechtelijk voordeel", in plaats van dat de Rechtbank dat zelf heeft onderzocht, mijns inziens in wezen zonder belang. Het geschatte voordeel zou pas relevant worden als was aangevoerd of anderszins aanwijzingen aanwezig waren dat dit mogelijk (aanzienlijk) lager lag dan de waarde van het beslag. De Rechtbank, die ook over het aanvangsproces-verbaal beschikte, heeft kennelijk voor alle zekerheid op het punt van de gestelde disproportionaliteit informatie van de Rechter-Commissaris meegewogen. Ik zie niet in waarom de Rechtbank een bericht van de Rechter-Commissaris als het onderhavige niet zou mogen betrekken bij haar oordeel dat van een disproportionaliteit in ieder geval geen sprake is. Als de Officier van Justitie dat zelf bij de behandeling in raadkamer naar voren had gebracht, had zij dat ook mogen doen als een en ander haar voorshands aannemelijk voorkwam.

5.7 Dan het derde middel, dat net als het tweede als thema heeft dat de Rechtbank zich niet zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de onderbouwing van de nadere, maar nog steeds voorlopige, schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en in dat verband stelt dat de rechtbank zich het dossier van het SFO had moeten laten voorleggen. Ik verwijs in dit verband in de eerste plaats naar wat ik hiervoor bij de bespreking van het tweede middel heb opgemerkt.

5.8 Bij de bespreking van dit middel zij vooropgesteld dat de verdediging ingevolge art. 30 Sv in beginsel bevoegd is tot kennisneming van de stukken van het voorbereidend onderzoek. Voor de raadkamerprocedure geldt art 23 lid 4 Sv. Die bepaling, die een recht op inzage verschaft van "de op de zaak betrekking hebbende stukken", impliceert echter niet dat altijd het gehele strafdossier - hier het dossier met betrekking tot het SFO - door het openbaar ministerie aan de stukken ten behoeve van de raadkamerbehandeling moet worden toegevoegd. Zeker is dat niet het geval wanneer, zoals in deze zaak, bij een onherroepelijke beslissing van de Rechtbank (van 3 januari 2008) is bepaald dat in het belang van het onderzoek aan betrokkene de kennisneming van de stukken van het SFO vooralsnog moet worden onthouden. Toepassing van het vierde lid van art. 23 Sv mag er niet toe leiden dat klaagster stukken kan inzien waarvan haar de kennisneming op de voet van het bepaalde in art. 30 lid 2 Sv is onthouden.(7)

Behoudens andersluidende beslissing van de Rechtbank die in raadkamer over de zaak moet oordelen, is het aan het openbaar ministerie het dossier samen te stellen op grond waarvan dient te worden beslist. Ten aanzien van die stukken heeft de verdediging inzagerecht.(8)

Anders dan het middel stelt was de Rechtbank ingevolge art. 23 lid 4 Sv niet gehouden zich de stukken van het SFO te doen voorleggen. Dat zou er naar verwachting overigens toe hebben geleid dat de Rechtbank wel, doch de verdediging niet van die stukken had kunnen kennisnemen, omdat gelet op genoemde beschikking van 3 januari 2008 toepassing van art. 24, vijfde lid, Sv voor alle stukken van het SFO geïndiceerd zou zijn geweest. De beklagrechter is naar mijn mening immers niet bevoegd een beschikking van de Rechtbank als bedoeld in art. 32 Sv te doorkruisen door alsnog van bepaalde stukken de kennisneming wel toe te staan.

Bij het voorgaande komt nog dat blijkens het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 13 maart 2008 niet door de raadsman is geklaagd dat de verdediging niet heeft kunnen kennisnemen van de voor de zaak van belang zijnde stukken. Aangevoerd is wel dat informatie die de verdediging niet kent niet bij de besluitvorming betrokken mag worden en dat de verdediging moet kunnen beschikken over dezelfde stukken als de Rechtbank. Dat laatste is hier juist omdat de SFO-stukken niet zijn toegevoegd, het geval geweest.

5.9 Het beroep in het middel op HR 18 juni 2002, NJ 2003, 621 en HR 8 juli 2003, NJ 2003, 636, gaat niet op omdat de gevallen niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. In HR NJ 2003, 621, besliste de Hoge Raad dat nu klager niet had kunnen kennisnemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken waaruit van de gestelde verdenking zou kunnen blijken, terwijl de rechtbank bij een beschikking, gegeven na de behandeling van het klaagschrift tegen de inbeslagneming maar vóórdat de bestreden beschikking was gegeven, had beslist dat kennisneming van die stukken aan klager niet had mogen worden onthouden, de rechtbank, alvorens op het klaagschrift te beslissen, een nadere behandeling in raadkamer had dienen te bepalen om de verdediging in de gelegenheid te stellen zich daar, na kennisneming van bedoelde stukken, zich daarover uit te laten. In die zaak was dus nog voordat de bestreden beschikking was gegeven, door de Rechtbank beslist dat klager wel had mogen kennisnemen van de desbetreffende stukken, waarvan hem kennisneming was onthouden. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. In HR NJ 2003, 636 is uitgemaakt dat het niet kunnen kennis nemen door de verdediging van een stuk dat pas na de raadkamerbehandeling aan het dossier is toegevoegd, welk stuk naar zijn inhoud (mede) de basis kan vormen van de te nemen beslissing, tot nietigheid van het onderzoek en van de bestreden beschikking leidt. Van een zodanig nagekomen stuk is hier ook geen sprake.

5.10 Het tweede en het derde middel zijn tevergeefs voorgesteld.

6.1 Het vierde middel behelst de klacht dat de behandeling van de onderhavige beklagprocedure gelet op de complexiteit van de zaak ten onrechte heeft plaatsgevonden door een enkelvoudige kamer.

6.2 Art. 21 Sv luidt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, als volgt:

"2. De raadkamer is als volgt samengesteld:

a. bij de rechtbanken uit drie leden of, indien het vijfde lid, eerste volzin van toepassing is, uit één lid;

(...)

5. Behandeling door een enkelvoudige kamer van de rechtbank kan geschieden indien de zaak van eenvoudige aard is. Behandeling door een enkelvoudige kamer vindt in elk geval plaats, indien de kantonrechter de zaak behandelt en beslist. Behandeling door een meervoudige kamer vindt in elk geval plaats, indien het betreft de behandeling van beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris, alsmede van de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding of gevangenneming als bedoeld in artikel 65, 66, derde lid, laatste volzin, of 66a."

6.3 In het vijfde lid van art 21 Sv worden expliciet de gevallen genoemd waarin de behandeling in elk geval door een meervoudige kamer moet plaatsvinden, naast één geval waarin een enkelvoudige behandeling is voorgeschreven. Verder kan een zaak door een enkelvoudige kamer van de Rechtbank geschieden indien de zaak van eenvoudige aard is. Uitgangspunt is dus meervoudige behandeling en ik moet toegeven dat een meervoudige behandeling hier op zichzelf meer voor de hand zou hebben gelegen. In het algemeen kan over de vraag of een bepaalde zaak van eenvoudige aard is vanzelfsprekend verschillend worden gedacht,(9) maar het oordeel daarover komt aan het gerecht toe. Op overtreding van dit voorschrift (schending van het criterium van de eenvoudige aard), als die al zou kunnen worden vastgesteld, staat in ieder geval geen nietigheid. Daar komt bij dat niet blijkt dat de verdediging tegen de behandeling door de enkelvoudige kamer bezwaar heeft gemaakt. In dat geval had de enkelvoudige kamer de zaak eventueel kunnen verwijzen naar de meervoudige kamer (art. 21, zevende lid, Sv). Onder die omstandigheden gaat het niet aan om daarover alsnog in cassatie te klagen.

Dat de andere beklagprocedure van klaagster (tegen het onthouden van stukken van het SFO) wel door de meervoudige raadkamer is behandeld doet aan het voorgaande niet af.

6.4 Het middel is tevergeefs voorgesteld.

7. Alle middelen falen. Naar het mij voorkomt, kunnen zij met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

8. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden beschikking zouden behoren te leiden heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaaknummers 08/04213B ([B] B.V.) en 08/04212B ([betrokkene 1]), waarin ik vandaag eveneens concludeer. Opmerking verdient dat zowel [B] B.V. als [klaagster] , B.V.'s van de verdachte [betrokkene 1] zijn (zie aanvangsproces-verbaal blz. 5). Dat proces-verbaal is ook als bijlage 7 gevoegd bij het klaagschrift van [B] B.V.

2 Zie blz. 4, 5 van genoemd proces-verbaal.

3 Die onderhandelingen zijn mislukt omdat de Officier van Justitie niet bereid was een bankgarantie te accepteren voor een geringer bedrag dan waarvoor beslag was gelegd.

4 Zie o.a. HR 21 september 1999, NJ 2000, 161, en HR 15 januari 2008, NJ 2008, 63.

5 Het aanvangsproces-verbaal (blz. 5) noemt een bedrag van € 3,5 miljoen. Zie ook de hoogte van de door de raadsman voorgestelde bankgarantie.

6 Of en zo ja wat in de USA inbeslaggenomen was op een rekening bij Merill Lynch was ten tijde van de beschikking van de Rechtbank nog niet bekend.

7 Zie HR 18 juni 2002, NJ 2003, 621, r.o. 4.2.

8 Zie de conclusie van AG Wortel vóór HR 20 maart 2001, LJN ZD2496.

9 De wetsgeschiedenis noemt een zaak die naar alle waarschijnlijkheid voor de politierechter zal worden aangebracht, zie Kamerstukken II 1992/93, 22584, nr. 7, blz. 3.