Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BJ3722

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
05-01-2010
Zaaknummer
08/04213 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BJ3722
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv mbt conservatoir beslag (inbeslaggenomen banktegoeden). 1. Beslissing t.a.v. proportionaliteit beslag mede o.b.v. mededeling RC. 2. Overleggen SFO-stukken aan raadkamer o.g.v. art. 23.4 Sv? 3. Beslissing door enkelvoudige kamer. Ad 1. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter bij de beoordeling van een beklag over inbeslagneming ter motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven te hebben onderzocht of er een redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat de Rb. haar beslissing mede baseert op een mededeling van de RC a.b.i. art. 126e.1 Sv, welke voortvloeit uit een mededeling van de OvJ a.b.i. art. 126b Sv. Ad 2. De opvatting dat in een geval als i.c., niettegenstaande de ongegrondverklaring van het door klaagster o.g.v. art. 32 Sv ingediende bezwaarschrift, door het OM alle stukken van het SFO aan de raadkamer moeten worden overgelegd als “op de zaak betrekking hebbende stukken” a.b.i. art. 23.4 Sv en dat de raadkamer vervolgens dient te beoordelen of en zo ja, in hoeverre de kennisneming van die stukken aan de verdediging dient te worden onthouden ex art. 23.5 Sv, is onjuist. Ad 3. De enkelvoudige kamer van de Rb. is o.g.v. art. 21.5 Sv bevoegd tot de behandeling van een zaak indien deze van eenvoudige aard is. Het oordeel of de zaak van eenvoudige aard is, is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 50
RvdW 2010, 139
NJ 2010, 48
JOW 2010, 36
NJB 2010, 182
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/04213 B

Mr. Bleichrodt

Zitting 7 juli 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 10 april 2008 het klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv van klaagster ongegrond verklaard.

2.1 Mr. C. Vogtschmidt, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens klaagster beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.T.C. Leliveld en mr. J.S. Spijkerman, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.(1)

2.2. Alvorens ik toekom aan de bespreking van de middelen dient te worden bezien of klaagster in het cassatieberoep kan worden ontvangen.

Op 13 november 2008 is bij de griffie van de Hoge Raad een faxbericht ingekomen van mr. J.T.C. Leliveld, advocaat te 's-Gravenhage, met betrekking tot deze zaak (met vermelding van het juiste griffienummer). Dat faxbericht houdt in dat de cassatieschriftuur is bijgevoegd. Er is echter een verkeerde schriftuur bijgevoegd, te weten de schriftuur in de zaak van medeklager [A] B.V. Op 18 november 2008 (buiten de gestelde termijn van art. 437 lid 2 Sv) is alsnog het origineel van de juiste schriftuur ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, dus het stuk met vermelding van de naam van klaagster en bovenstaand griffienummer.

2.3 De namens medeklager [A] B.V. (tijdig) ingekomen schriftuur is ook ingediend door mr. J.T.C. Leliveld en na vergelijking van beide schrifturen blijkt dat de cassatiemiddelen in de zaak van [A] B.V. woordelijk gelijk zijn aan die in de zaak tegen [klaagster] In principe had de raadsman in deze samenhangende zaken, waarin de Rechtbank ook bij één beschikking heeft beslist, kunnen volstaan met één gezamenlijke schriftuur,(2) maar dat is niet gebeurd.

Echter, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de middelen in de tijdig, op 13 november 2008, ingekomen, maar van een verkeerde naam en griffienummer voorziene, schriftuur onmiskenbaar (ook) betrekking hebben op de onderhavige zaak, meen ik dat kan worden aangenomen dat die schriftuur in de onderhavige zaak is ingediend, zodat klaagster in haar beroep ontvankelijk is.

3. Voor wat betreft de bespreking van de middelen verwijs ik naar de conclusie in de zaak [A] B.V., die ik in kopie aan deze conclusie hecht. Op grond van een en ander meen ik dat de middelen falen.

4. Nu er ook geen grond bestaat tot ambtshalve vernietiging van de bestreden beschikking, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaaknummers 08/04214B ([A] B.V.) en 08/04212B ([betrokkene 1]), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Zie HR 23 mei 1989, NJ 1989, 760, m.nt. Th.W. Veen; Zie ook HR 15 juni 2004, LJN AO9626, waaruit volgt dat een enkele verwijzing naar een in een zaak tegen een medeverdachte ingediende schriftuur niet voldoende is.