Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2010:BI9729

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
08/03403
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BI9729
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6, lid 2 en lid 4, AKW, art. 11 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Uitsluiting van de verzekering voor vreemdelingen zonder toereikende verblijfstitel vormt geen discriminatie naar nationaliteit. Dat de uitzondering hierop in art. 11 KB 746 beperkt is tot personen die arbeid verrichten in overeenstemming met de WAV, is evenmin discrimnerend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 405
BNB 2010/133 met annotatie van P. Kavelaars
V-N 2010/11.19
FutD 2009-1347
USZ 2010/83
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03403

Derde kamer B

Algemene Kinderbijslagwet 2005

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. C.W.M. VAN BALLEGOOIJEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Conclusie van 8 juni 2009 inzake:

X

tegen

De Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

1 Feiten en loop van het geding

1.1 X (hierna: belanghebbende) heeft de Russische nationaliteit en is geboren in de voormalige Sovjet-Unie. In augustus 2001 is hij met zijn partner C, die eveneens de Russische nationaliteit heeft en geboren is in de voormalige Sovjet-Unie, naar Nederland gekomen, alwaar in 2001 hun dochter B is geboren. Vanaf 2001 hebben zij onafgebroken verblijf gehouden in Nederland. Op 19 december 2005 zijn belanghebbende en C in Nederland in het huwelijk getreden. Belanghebbende, zijn echtgenote en hun dochter staan in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven.

1.2 Belanghebbende is in afwachting van een beslissing op zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning. Een eerdere asielaanvraag is afgewezen. Blijkens de verblijfsaantekening in zijn paspoort heeft hij zich op 7 juni 2005 aangemeld voor verblijf op grond van artikel 12 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Zijn echtgenote beschikt over eenzelfde aantekening in haar paspoort.

1.3 Per 1 januari 2005 heeft belanghebbende zich gevestigd als ondernemer. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het maken van reclameborden, wandschilderingen en interieurinrichting. Hij staat als zodanig ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor de Regio Zwolle en beschikt over een BTW- en sofinummer. De echtgenote heeft zich per 1 januari 2006 eveneens ingeschreven als ondernemer. Haar bedrijfsactiviteiten bestaan uit het geven van pianolessen en het begeleiden van optredens. Aan belanghebbende zijn inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen in rekening gebracht.

1.4 Belanghebbende en zijn echtgenote zijn sinds december 2001 lid van een christelijk kerkgenootschap. Hun dochter gaat per 5 september 2005 in Nederland naar school.

1.5 Met een op 11 augustus 2005 gedagtekend formulier heeft belanghebbende kinderbijslag aangevraagd voor zijn dochter. De aanvraag is bij beschikking door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) afgewezen om reden dat belanghebbende niet verzekerd is ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW). Het hiertegen gerichte bezwaar is eveneens door de SVB afgewezen, waarop belanghebbende beroep heeft ingesteld bij rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank). Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB).

2 Het geschil

Rechtbank(1)

2.1 De Rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven (lees belanghebbende voor eiser en SVB voor verweerder):

Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder de aanvraag van eiser om kinderbijslag van zijn dochter terecht heeft afgewezen.

2.2 De Rechtbank heeft over de toepassing van het nationale recht overwogen:

De rechtbank stelt vast dat eiser thans niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vw 2000. Dit betekent dat eiser niet verzekerd is op grond van artikel 6, tweede lid, van de AKW.

Nu eiser evenmin rechtmatig verblijf heeft gehouden in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of l, van de Vw 2000 en eiser niet heeft aangetoond dat hij in overeenstemming met de WAV(2) arbeid in dienstbetrekking heeft verricht uit hoofde waarvan hij aan loonbelasting is onderworpen, kan eiser ook niet worden aangemerkt als verzekerde op grond van artikel 10 of 11 van KB 746. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser zich weliswaar in Nederland heeft gevestigd als zelfstandig ondernemer maar dat hiermee niet is aangetoond dat eiser loonbelasting betaalt, hetgeen als voorwaarde geldt om voor verzekering ingevolge KB 746 in aanmerking te komen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de afwijzing door verweerder van de aanvraag van kinderbijslag voor de dochter van eiser in overeenstemming is met het nationale recht.

De Rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep dat belanghebbende kennelijk doet op artikel 14 van het Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2001 (RSV 2001/216)(3) en vervolgens overwogen dat de weigering van kinderbijslag aan belanghebbende die niet verzekerd is ingevolge de AKW, niet in strijd is met deze bepaling. Tot slot gaat de Rechtbank in op het beroep van belanghebbende op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (hierna: IVRK). De Rechtbank overwoog:

In de uitspraak van 24 januari 2006 (USZ 2006/85) heeft de Raad(4) bepaald dat artikel 2, eerste lid, van het IVRK een eenieder verbindende verdragsbepaling is in de zin van artikel 94 van de Gw. Het gaat hier om een onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht op non-discriminatie, op één lijn te stellen met de in artikel 14 van het EVRM en 26 van het IVBPR neergelegde non-discriminatiebepalingen, welke bepalingen rechtstreekse werking hebben. In aansluiting hierop heeft de Raad overwogen dat het in artikel 2, eerste lid, van het IVRK gewaarborgde recht zich, gezien de bewoordingen ervan, uitstrekt tot alle in het verdrag beschreven materiële rechten van het kind, waaronder het recht op sociale zekerheid, dat onder meer gerealiseerd kan worden via de ouders.

Met inachtneming van deze uitspraak merkt de rechtbank artikel 26 van het IVRK, waarin het recht op sociale zekerheid is neergelegd, aan als de bepaling die specifiek betrekking heeft op de hier te beoordelen situatie. Nederland heeft bij de ratificatie van het IVRK het voorbehoud gemaakt dat deze bepaling niet verplicht tot een zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheid. Het voorgaande brengt met zich mee dat de weigering van kinderbijslag aan eiser evenmin in strijd kan worden geacht met het IVRK.

(...)

2.3 Bij haar uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

CRvB(5)

2.4 Het geschil is door de CRvB in zijn uitspraak niet (nader) omschreven. In zijn overwegingen ligt besloten dat de CRvB van een geschilomschrijving is uitgegaan die gelijk luidt aan die van de Rechtbank.

2.5 De CRvB heeft overwogen:

De Raad stelt voorop dat uit artikel 11 van de AKW volgt dat het recht op kinderbijslag toekomt aan de (verzekerde) ouder en niet aan het kind zelf. (...) De Raad merkt (...) op dat appellant weliswaar rechtmatig in Nederland verblijft op grond van artikel 12 Vw 2000, maar dat hij onweersproken niet in het bezit is of is geweest van een verblijfstitel zoals genoemd in artikel 6, tweede lid van de AKW.

Op grond van artikel 6, vierde lid, van de AKW is bij artikel 11 van KB 746 uitbreiding gegeven aan de kring van verzekerden, in die zin dat ook verzekerd is voor de volksverzekeringen de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder f tot en met k, van de Vw 2000 indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) arbeid verricht in dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geen arbeid in de zin van artikel 11 van KB 746 verricht of heeft verricht en derhalve ook op grond van die bepaling niet als verzekerde voor de AKW is aan te merken. Evenals de Svb ter zitting heeft toegelicht, ziet de Raad geen ruimte in de bepalingen bij of krachtens de AKW om appellant - in de hoedanigheid van zelfstandig ondernemer of anderszins - onder de verzekering van de AKW te brengen.

(...)

De Raad stelt vast dat de uitsluiting van de verzekering voortvloeit uit het bepaalde bij de Koppelingswet. Zoals de Raad reeds meermalen heeft geoordeeld (zie onder andere de uitspraak van 26 juni 2001, LJN AB2324) is voor het in deze wet neergelegde onderscheid naar nationaliteit - bij een verzoek om toelating op of na 1 juli 1998 - een afdoende rechtvaardiging aanwezig ook waar het gaat om de uitsluiting van de verzekering voor de AKW. Het beroep van belanghebbende op de diverse non-discriminatiebepalingen kan dan ook niet slagen.

Ten aanzien van het beroep op het IVRK merkt de Raad op dat, gezien het voorbehoud dat de Staat heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK, een beroep op dat verdrag er niet toe kan leiden dat aan het kind een zelfstandig recht op kinderbijslag dient toe te komen. Voor zover appellant zich tevens heeft willen beroepen op het bepaalde in artikel 27 van het IVRK, verwijst de Raad naar eerdere jurisprudentie, waarin is bepaald dat aan dat artikel geen rechtstreekse werking toekomt.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen. Met betrekking tot appellants grief, dat op zijn inkomen wel premies voor de volksverzekeringen worden ingehouden, terwijl hij ingevolge de wetsduiding niet als verzekerde voor de volksverzekeringen wordt aangemerkt, merkt de Raad op dat hem daartoe ten aanzien van de vraag of die premie-inhouding terecht is geschied geen rechtsmacht toekomt, maar dat appellant zich voor een oordeel dienaangaande kan wenden tot de daartoe bevoegde instantie.

(...)

2.6 De CRvB heeft bij zijn uitspraak de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Cassatie

2.7 Belanghebbende heeft op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de CRvB. De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

2.8 Het beroepschrift in cassatie bevat de volgende - zakelijk weergegeven - klachten en stellingen:

1. De CRvB gaat eraan voorbij dat in Nederland aan een kind automatisch een burgerservicenummer wordt toegekend. Het kind is daarmee ook automatisch verzekerd voor de AKW.

2. Zijn dochter kan geen enkel recht doen gelden in Rusland (de voormalige Sovjet-Unie) waar haar ouders vandaan komen; ze beschikt niet over een Russische geboorteakte of verblijfsvergunning.

3. De CRvB heeft ten onrechte overwogen dat er wat mis zou zijn met de belastingen en premies die hij als ondernemer in Nederland betaald.

4. Er wordt niet opgekomen voor de rechten van het kind.

Meer in het algemeen klaagt belanghebbende, naar ik begrijp en gezien de stukken van het geding waaronder de aangevallen uitspraak van de CRvB, over schending van diverse bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), artikel 14 van het EVRM en artikel 2, 3, 26 en 27 van het IVRK.

De derde klacht ziet kennelijk op het oordeel van de CRvB dat voor wat betreft de vraag of terecht premies zijn ingehouden op de inkomsten, hem geen rechtsmacht toekomt. Ik meen dat belanghebbende met deze grief - gelet ook op hetgeen in eerdere instanties door hem is aangevoerd - heeft bedoeld te stellen dat hij, als ondernemer, inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betaalt en zodoende in een gelijke positie verkeert als iemand die in dienstbetrekking werkzaam is en uit dien hoofde aan de loonbelasting is onderworpen, maar anders dan de laatste niet als verzekerde wordt aangemerkt. Ik versta deze grief om die reden als een beroep op het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel als bedoeld in de artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR.

2.9 Artikel 31, lid 1, van de AKW luidt:

Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6.

Het onderhavige geschil ziet op de vraag of belanghebbende tot de kring der verzekerden ingevolge de AKW moet worden gerekend, welke vraag door de Rechtbank en de CRvB ontkennend is beantwoord. De kring der verzekerden is geregeld in artikel 6 van de AKW. De Hoge Raad kan derhalve inhoudelijk ingaan op belanghebbendes cassatieberoep.

3 Ingezetenen als verzekerden ingevolge de AKW

3.1 Het recht op kinderbijslag komt toe aan degene die ingevolge de AKW als verzekerde kan worden aangemerkt. Dit volgt uit artikel 11, lid 1, van de AKW (de voor het onderhavige jaar geldende tekst) dat luidt:

Recht op kinderbijslag voor een of meer kinderen over een kalenderkwartaal ingevolge deze wet heeft slechts degene, die op de eerste dag van dat kalenderkwartaal verzekerd is.

3.2 De kring der verzekerden is geregeld in Hoofdstuk II van de AKW. Het tot Hoofdstuk II behorende artikel 6, lid 1, van de AKW bepaalt dat overeenkomstig de bepalingen van de AKW verzekerd is, degene die:

1. (...)

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Een persoon kan volgens deze bepaling verzekerd zijn vanwege zijn ingezetenschap in Nederland en vanwege het verrichten van arbeid in dienstbetrekking in Nederland.

3.3 Het begrip 'ingezetene' als hiervoor bedoeld is in artikel 2 uitgelegd:

2. Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.

Artikel 3, lid 1, van de AKW bepaalt vervolgens:(6)

1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

3.4 Wil er sprake zijn van een woonplaats in Nederland in vorenbedoelde zin, moet er - beoordeeld naar de omstandigheden - sprake zijn van een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland.(7) Dat is het geval wanneer het (duurzame) middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen.(8) In dat kader is in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland.(9) Eén van de bindingen kan zo sterk zijn dat reeds daarom tot ingezetenschap moet worden geconcludeerd. Indien geen van de bindingen op zichzelf beschouwd sterk genoeg is om tot ingezetenschap te leiden, kan op grond van een complex van factoren tot ingezetenschap worden geconcludeerd. Een nog bestaande binding met een ander land dan Nederland kan echter een contra-indicatie inhouden, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een vooropgezet tijdelijk verblijf of de aanwezigheid van (gemeubileerde) woonruimte in het land van herkomst. Bij dit alles kan worden aangetekend dat een persoonlijke band van duurzame aard bij vestiging in Nederland geleidelijk zal worden opgebouwd.

3.4.1 Voor de beoordeling of sprake is van een sociale binding met Nederland komen uit de rechtspraak de volgende omstandigheden als relevante factoren naar voren:(10) de aanwezigheid van het gehele gezin in Nederland, het volgen van een inburgeringscursus, (het ontplooien van initiatieven tot) beheersing van de Nederlandse taal, het volgen van een beroepsopleiding hier te lande en het lidmaatschap van een vereniging en/of een kerkgenootschap in Nederland.

3.4.2 De wijze waarop een betrokkene in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin voorziet, is een relevante factor van economische binding. Indien in loondienst wordt gewerkt of als ondernemer activiteiten worden ontplooid, zal dat een indicatie zijn voor een sterke economische binding met Nederland. Is de betrokkene aangewezen op een uitkering van overheidswege of financieel afhankelijk van een ander, zal minder snel sprake zijn van een economische binding.

3.4.3 De juridische binding van een betrokkene zal veelal afhankelijk zijn van de verblijfstatus en -titel van de betrokkene. De juridische band van een betrokkene met Nederland zal logischerwijs sterker zijn ingeval van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dan ingeval van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

4 Niet-verzekerde vreemdelingen

4.1 Ingevolge artikel 6, lid 2, van de AKW is evenwel niet verzekerd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000. De bepaling luidt:

2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.2 Artikel 6, lid 2, van de AKW is ingevoerd bij wet van 26 maart 1998 (hierna: de Koppelingswet).(11) Aan de Koppelingswet ligt het koppelingsbeginsel ten grondslag dat erop neer komt dat: (12)

niet-toegelaten vreemdelingen die hier niettemin bestendig verblijven - in de wandeling worden deze vreemdelingen wel als "illegalen" aangeduid - en vreemdelingen "in procedure" in het algemeen verstoken moeten blijven van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen.

Voorkomen dient te worden dat illegalen en (nog) niet toegelaten vreemdelingen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verwerven, aldus de wetgever, hetgeen als volgt wordt toegelicht:(13)

(...) Hier doelen wij vooral op het verschijnsel dat met name de vreemdeling "in procedure" gaandeweg in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen - of de schijn van een dergelijke positie - dat hij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt, bijvoorbeeld doordat hij arbeidscontracten heeft kunnen sluiten, verplichtingen met derden is aangegaan enz. lets vergelijkbaars doet zich ook voor ten aanzien van hen die zich desbewust buiten de toelatingsprocedure hebben gehouden en zich via vergunningsbewijzen toch een toegang hebben weten te verschaffen tot de normale samenleving. In wezen heeft de toelatingsprocedure - indien het beginsel van het geïntegreerd vreemdelingenbeleid ook in dit opzicht niet wordt doorgetrokken - geen enkele zin en betekenis meer. De vreemdeling heeft dan een mechanisme in de hand om zichzelf een oneigenlijk verblijfsrecht te verschaffen ongeacht de vraag of de Nederlandse overheid inderdaad in vreemdelingenrechtelijke zin wel wil instemmen met het feit van het bestendig verblijf van de vreemdeling hier te lande. Ten aanzien van een "procederende vreemdeling" is zulk een wettelijk tegendeel denkbaar. Ten aanzien van de "illegalen" kan dat nauwelijks het geval zijn.

4.3 Artikel 1, aanhef en onder c, van de AKW bepaalt wat voor de toepassing van de AKW onder 'vreemdeling' wordt verstaan: c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000.

In artikel 1, aanhef en onder m, van de Vw 2000 wordt voor die wet en de daarop berustende bepalingen onder 'vreemdeling' verstaan:

m. vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld;

4.4 In artikel 8 van de Vw 2000 is omschreven onder welke voorwaarden de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft. Meestal bezit een vreemdeling die hier rechtmatig verblijft een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd of is hij toegelaten als EG-onderdaan (artikel 8, onderdelen a tot en met e). Een verblijfsrecht kan ook worden ontleend aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (artikel 8, onderdeel l). Voor belanghebbende is echter artikel 8, onderdeel i, relevant. Hij verblijft rechtmatig in Nederland:

i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;

4.5 Artikel 12 van de Vw 2000 luidt:

1. Het is aan de vreemdeling die bij binnenkomst heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan een persoon bij grensoverschrijding is onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, zolang hij:

a. (...);

b. beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van zijn verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is;

c. geen arbeid voor een werkgever verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen;

d. (...).

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste op zes maanden bepaald. Voor bij algemene maatregel van bestuur te onderscheiden categorieën van vreemdelingen kunnen verschillende termijnen worden vastgesteld.

Belanghebbende beschikte ten tijde van het doen van aanvraag van kinderbijslag over een verblijfsaantekening op grond van artikel 12 van de Vw 2000.

4.6 Bij de uitvoering van de AKW past de SVB beleidregels toe die jaarlijks worden vastgesteld c.q. bijgesteld. Op het moment dat belanghebbende de aanvraag voor kinderbijslag deed, was het Besluit Beleidsregels SVB 2005 van kracht(14) (hierna: de SVB Beleidsregels). In paragraaf 2.2.2 van de SVB Beleidsregels wordt ingegaan op de juridische binding van vreemdelingen met Nederland:

De juridische binding ziet op de verblijfsrechtelijk status in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. De binding wordt sterker naarmate de zekerheid op voortgezet verblijf in Nederland die een vreemdeling aan zijn verblijfstitel kan ontlenen, groter is. Voor het bestaan van een juridische binding is daarom van belang of betrokkene beschikt over een verblijfstitel voor bepaalde (artikelen 14 en 28 Vw 2000) of voor onbepaalde tijd (artikelen 20 en 33 Vw 2000).

Indien de betrokkene in het bezit is van een vergunning voor onbepaalde tijd zal in het algemeen ingezetenschap worden aangenomen. Als iemand een vergunning voor bepaalde tijd heeft, dan kan dit, bezien in het licht van de overige van belang zijnde omstandigheden, bijdragen tot de conclusie dat hij in Nederland woont. Als iemand niet beschikt over een vergunning tot verblijf bestaat in beginsel geen zekerheid op voortgezet verblijf in Nederland en is derhalve van juridische binding geen sprake. In een dergelijke situatie kan een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaar in Nederland echter een positieve aanwijzing vormen voor het aannemen van ingezetenschap. (...)

Ingevolge het door de SVB bij de uitvoering van de artikel 6, lid 1, onder a, artikel 2, lid 1, en artikel 3 van de AKW gehanteerde beleid kan derhalve, ook bij afwezigheid van een verblijfsvergunning, tot het ingezetenschap worden geconcludeerd wanneer een verblijfsduur van drie jaar (of meer) in Nederland wordt gerealiseerd. Sterker, deze verblijfsduur van drie jaar (of meer) is hiervoor zelfs een positieve aanwijzing volgens de SVB in zijn beleidsregels. In paragraaf 2.2.5 'Koppelingswet' van de SVB Beleidsregels is echter de volgende passage opgenomen:

Beschikt een ingezetene niet over een verblijfsvergunning, dan moet worden onderscheiden tussen de situatie vóór 1 juli 1998 en de situatie vanaf deze datum. Vóór 1 juli 1998 was verzekering op grond van ingezetenschap bij het ontbreken van een verblijfsvergunning mogelijk als uit de overige omstandigheden bleek van het bestaan van een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland.

Sinds de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 kan een persoon die niet onvoorwaardelijk tot Nederland is toegelaten in de regel niet meer verzekerd zijn op grond van ingezetenschap. Op grond van de uitspraak van de CRvB van 26 juni 2001 dient toepassing van deze regel achterwege te blijven ten aanzien van personen die direct voorafgaand aan 1 juli 1998 in Nederland verzekerd waren en aan wie het verblijf in Nederland sedert 1 juli 1998 in afwachting van een beslissing op een verzoek om toelating is toegestaan. Vanaf het moment dat definitief negatief is beslist op het verzoek om toelating is deze persoon op grond van de Koppelingswet uitgesloten van verzekering (zie CRvB 24 juli 2002). (...)

In de uitspraak van de CRvB van 8 juli 2004, nr. 03/4491 AKW, wordt opgemerkt:(15)

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wil de Raad niet onbesproken laten dat het door gedaagde met inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998 verlaten zogenaamde drie-jaren beleid opnieuw in haar Beleidsregels 2004 is opgenomen. Volgens voornoemd beleid kan in een situatie waarin geen sprake is van een juridische binding omdat een persoon niet over een vergunning tot verblijf beschikt waardoor in beginsel geen zekerheid bestaat op voortgezet verblijf in Nederland, een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaren in Nederland een positieve aanwijzing vormen voor het aannemen van ingezetenschap.

5 Uitbreiding en beperking kring der verzekerden

5.1 Artikel 6, lid 3 en 4, van de AKW schept de mogelijkheid om, in afwijking van artikel 6, lid 1 en 2, van die wet, bij algemene maatregel van bestuur de kring der verzekerden uit te breiden dan wel te beperken. Artikel 6, leden 3 en 4, van de AKW luidt:

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

4. Bij een maatregel, als bedoeld in het derde lid, kan worden afgeweken van het tweede lid ten aanzien van:

a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten, dan wel hebben verricht;

b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Hieraan is invulling gegeven in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (de voor het jaar van aanvraag geldende tekst; hierna: KB 746).(16)

5.2 Het KB 746 is een herziening van het KB 164.(17) In de Nota van Toelichting (hierna: de Toelichting) gaat de besluitgever in op de aanleiding tot herziening van het KB 164:

(....). Voorts de wens tot vereenvoudiging, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, een in de pas lopen met internationale voorschriften en het opnieuw toetsen aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren. Overigens laat dit laatste onverlet het beginsel om niet-ingezetenen die hier te lande in het economisch verkeer werkzaam zijn, in de kring van verzekerden te houden.

(...)

Samenvattend kan worden gesteld, dat de herziening van KB 164 voornamelijk tot doel heeft om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen, namelijk dat wie hier woont,

verzekerd is.

Tot slot is in dit kader nog relevant (...)de Koppelingswet(...).

Daarin wordt uitwerking gegeven aan het uitgangspunt dat vreemdelingen die niet onvoorwaardelijk tot Nederland zijn toegelaten in beginsel geen toegang hebben tot de collectieve sociale voorzieningen (het

koppelingsbeginsel).

Indachtig dit koppelingsbeginsel is de verzekeringsplicht in de verschillende volksverzekeringswetten beperkt tot vreemdelingen die hier verblijven op grond van een besluit tot toelating of op grond van toelating als EG-onderdaan (...). De regering is van mening dat in een aantal situaties van deze hoofdregel dient te worden afgeweken. In dit besluit zijn daartoe enkele bepalingen opgenomen die uitbreiding dan wel beperking aan het koppelingsbeginsel geven.

5.3 Artikel 1 van KB 746 bevat begripsbepalingen. In KB 746 wordt verstaan onder:

b. kind: het eigen kind, het aangehuwde kind, het pleegkind, bedoeld in artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet, jonger dan 27 jaar, dat in belangrijke mate door de ouders wordt onderhouden;

d. arbeid: arbeid verricht in het economisch verkeer en gericht op het verwerven van inkomen;

In de Toelichting bij het artikel is betreffende begripsbepaling d vermeld:

In onderdeel d wordt het begrip arbeid gedefinieerd. De gehanteerde formulering bedoelt aan te geven dat met de betreffende werkzaamheden in beginsel inkomen wordt verworven. Vrijwilligerswerk valt daar met andere woorden niet onder.

5.4 Ingevolge artikel 6, lid 1, aanhef en onder b, van de AKW is verplicht verzekerd de niet-ingezetene die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen (zie 4.2). Artikel 9 van KB 746 voorziet (onder de daarin genoemde voorwaarden) in een uitbreiding van de verzekeringsplicht voor niet in Nederland wonende zelfstandigen. Het artikel luidt:

Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geniet, mits hij in Nederland arbeid verricht voor die onderneming.

In de Toelichting bij dit artikel wordt opgemerkt:

Met deze bepaling wordt de verzekering van zelfstandigen die niet in Nederland wonen en die hier te lande aan de inkomstenbelasting zijn onderworpen in de nationale regelgeving geformaliseerd. (...)

Uit de formulering blijkt dat voor het bepalen van de voorwaarden waaronder de belanghebbende als verzekeringsplichtige kan worden aangemerkt, aansluiting is gezocht bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964: er dient sprake te zijn van winst uit binnenlandse onderneming.

Daarnaast moeten de werkzaamheden voor die onderneming in Nederland worden verricht. Dit betekent ook dat de commanditaire vennoot die geen arbeid verricht niet verzekerd is voor de volksverzekeringen.

Voorts wordt in de Toelichting bij artikel 6 van KB 746 vermeld:

Degene die niet in Nederland woont, maar terzake van binnen het Rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen, is verplicht verzekerd. Dit op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de AOW en de overeenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringen.

Een en ander vloeit voort uit de internationaal aanvaarde regel dat men verzekerd is in het land waar wordt gewerkt. In de Verordening (EEG) nr. 1408/71 is bepaald, dat voor personen die wonen op het grondgebied van de bij de Europese Unie aangesloten landen, de hiervoor genoemde regel tevens van toepassing is op zelfstandigen.

Daarmee wordt naar de mening van ondergetekenden reeds aangegeven, dat voor het aannemen van verzekering niet het zwaartepunt ligt op de dienstbetrekking in Nederland of de onderworpenheid van de arbeidsinkomsten aan de Nederlandse loonbelasting, maar op de hier te lande daadwerkelijk verrichte arbeid.

5.5 In de SVB Beleidsregels wordt in paragraaf 2.3 'Verzekering op grond van werken' opgemerkt:

Behalve ingezetenen zijn verzekerd personen die niet in Nederland wonen maar wel in Nederland werkzaam zijn. Enerzijds gaat het om de persoon die arbeid verricht in dienstbetrekking en op grond daarvan onderworpen is aan de loonbelasting.(18) (...)

Anderzijds gaat het om de niet-ingezetene die in Nederland werkt als zelfstandige. Deze persoon is verzekerd als hij winst (daaronder mede begrepen negatieve winst) uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in artikel 7.2, lid 2, sub a Wet op de Inkomstenbelasting 2001.

Binnen de groep van personen die verzekerd is op basis van werken zijn er personen die in Nederland verblijven, maar van wie (nog) niet gezegd kan worden dat zij naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland wonen en dus (nog) niet verzekerd zijn op basis van ingezetenschap. In een dergelijke situatie kan de verzekeringsgrond na verloop van tijd wijzigen. Indien bepaalde signalen wijzen op verzekering op grond van ingezetenschap stelt de SVB hiernaar een onderzoek in en wordt zo nodig de verzekeringsgrond aangepast. Na een periode van drie jaar onderzoekt de SVB welke verzekeringsgrond de meest aangewezen is, waarbij ten aanzien van onvoorwaardelijk tot Nederland toegelaten vreemdelingen als uitgangspunt geldt dat na drie jaar veelal sprake zal zijn van verzekering op grond van ingezetenschap, tenzij er aanwijzingen zijn die op het tegendeel wijzen.

De houder van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf mag zich vanaf het tweede jaar oriënteren op de arbeidsmarkt. Wanneer hij in dat jaar gaat werken, is hij verzekerd op grond van werken. De verzekering vangt aan op de eerste werkdag en eindigt als de werkzaamheden eindigen.

5.6 De uit de Koppelingswet te herleiden hoofdregel is dat vreemdelingen die niet onvoorwaardelijk tot Nederland zijn toegelaten in beginsel geen toegang hebben tot de collectieve sociale voorzieningen (het koppelingsbeginsel). In een aantal situaties is van deze hoofdregel afgeweken in KB 746. Zo is de kring van verzekerden voor wat betreft vreemdelingen uitgebreid in de artikelen 10 en 11 van KB 746; de eerste leden daarvan zijn hier relevant.(19)

5.7 Artikel 10, lid 1, van KB 746 luidt:

1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de in Nederland wonende vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (...), bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

5.8 Artikel 11, lid 1, van KB 746 luidt:

1. Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder f tot en met k, van de Vreemdelingenwet 2000 indien hij in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen arbeid in dienstbetrekking verricht uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting is onderworpen.

In de Toelichting wordt bij dit artikel opgemerkt:

In dit artikel wordt de groep van vreemdelingen die verzekerd kan zijn voor de volksverzekeringen verder uitgebreid met personen die weliswaar niet (meer) onvoorwaardelijk zijn toegelaten, doch aan wie het is toegestaan in Nederland arbeid te verrichten en die uit dien hoofde aan de loonbelasting zijn onderworpen.

6 Het EVRM en IVBPR

6.1 Belanghebbende heeft zich - in algemene termen - beklaagd over schending van diverse bepalingen in verschillende internationale verdragen, waaronder de in de artikelen 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM neergelegde non-discriminatiebepalingen.

6.2 De wetgever is zich ervan bewust geweest dat de koppelingswetgeving verenigbaar moet zijn met het gelijkheidheidsbeginsel of non-discriminatiebeginsel, zoals neergelegd in artikel 1 van de Grondwet en de artikelen 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag.

6.2.1 Voor wat betreft de verenigbaarheid met artikel 26 van het IVBPR vermeldt de Memorie van Toelichting de Koppelingswet:(20)

(...) Artikel 26 van het lnternationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten moet uiteraard verstaan worden in verbinding met artikel 13 van dat verdrag, waarin waarborgnormen zijn verwoord betreffende de rechtspositie van vreemdelingen binnen de rechtssfeer van een verdragsstaat. Dat artikel 13 gunt deze garanties alleen aan vreemdelingen die rechtmatig vertoeven op het grondgebied van die partij ("an alien lawfully in the territory of a State..."). Het gaat in artikel 13 weliswaar alleen maar om procesgaranties in het kader van het uitzettingsgeding, maar de beperkte redactie ervan illustreert op zichzelf dat nuanceringen naar de verblijfspositie geoorloofd zijn. Men kan dus niet zeggen dat volgens het Verdrag elk onderscheid naar rechtmatigheid van de verblijfsaanvaarding - en dus naar verblijfstitel - discriminatoir is in de zin van artikel 26 van dat Verdrag. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag volgt zulks ook. (...)

Natuurlijk geldt ook hier dat voor een wettelijke onderscheiding naar verblijfspositie in de aanspraaksfeer op formeel-wettelijk niveau een toereikende rechtvaardiging geboden moet worden. Artikel 26 van het Verdrag brengt dat zeker met zich mee.

6.2.2 Ook wat het EVRM betreft achtte de wetgever een nuancering naar verblijfspositie in het nationale recht geoorloofd:(21)

Wij willen dat adstrueren met een referte aan het voor Nederland overigens niet bindende - zevende protocol bij het Verdrag. In artikel 1, eerste lid, van dit Protocol worden aan de vreemdeling die "wettig verblijft op het grondgebied van een Staat" ("An alien lawfully resident in the territory of a State") diverse garanties geboden. Hier is dus de doelgroep aanzienlijk beperkter omschreven dan in het lnternationale Verdrag meergemeld. De term "resident" wijst op een verblijf van enige duur, mogelijk zelfs op het hebben van een feitelijk hoofdverblijf. Een vreemdeling die als toerist, ter fine van transit of voor familiebezoek in Nederland verblijft valt dus niet onder de actieradius van het Protocol. Blijkens de toelichting van het comite´ van experts is het ook de bedoeling van de garantie uit te zonderen de vreemdeling die, volgens het nationale vreemdelingenrecht, onrechtmatig verblijf houdt. De toelichting houdt verder in dat vreemdelingen aan wie onder zekere voorwaarden een verblijfsrecht is toegekend en die deze voorwaarden niet langer vervullen niet meer kunnen gelden als rechtmatige verblijvers.

6.2.3 De CRvB is in zijn uitspraak van 26 juni 2001 ingegaan op het uitsluiten van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen van verzekering ingevolge de AKW. De CRvB overwoog dat de koppelingswetgeving geen strijd oplevert met het non-discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM:(22)

De Raad is (...) van oordeel dat bij wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend, c.q. onthouden, welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van art. 26 IVBPR valt. (...) Dat uit de toepassing van de regeling voortvloeit dat bepaalde categorieën vreemdelingen niet anders worden behandeld dan Nederlanders, doet niet af aan het nationaliteitsgebonden karakter van het onderscheid. (...)

Voor deze vorm van onderscheid op zich (tussen Nederlanders en vreemdelingen met verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder zodanige titel anderzijds) acht de Raad een toereikende rechtvaardiging aanwezig. Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van zijn verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en internationale regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Eveneens is aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt voor deelname aan het stelsel van sociale verzekering, zoals in casu de verzekering ingevolge de AKW, welke immers kan worden gezien als een element van de deelname aan het maatschappelijk leven van de staat tot welks grondgebied de betrokkene wenst te worden toegelaten. Hierbij sluit aan de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten. Het uitgangspunt van de koppelingswetgeving stuit wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op bedenkingen. Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van art. 1b van de Vw, hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader is het goed denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire overwegingen wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven, kan worden opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld omschreven in art. 8c Vw. (...)

De Raad merkt tenslotte op dat zijn oordeel niet anders zou luiden bij toepasselijkheid van artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat Verdrag.

7 Het IVRK

7.1 Belanghebbende heeft zich voorts in algemene termen beroepen op de rechten van zijn kind. Hij heeft erop gewezen dat zijn kind geen enkel recht kan doen gelden in het geboorteland van de ouders. Zijn dochter is in Nederland geboren en verblijft hier rechtmatig, maar heeft desalniettemin geen (zelfstandig) recht op een verzekering ingevolge de AKW. Ik begrijp dat belanghebbende in feite stelt dat de nationale wet- en regelgeving, op grond waarvan geen recht op kinderbijslag zou bestaan, in strijd is met de rechten die zijn kind op grond van het IVRK toekomen. Vier artikelen van het IVRK zijn nu relevant.

7.2 Artikel 2 van het IVRK luidt:

1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd.

2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.

7.3 Artikel 3, leden 1 en 2, van het IVRK luidt:

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

7.4 Artikel 26 van het IVRK luidt:

1. De Staten die partij zijn, erkennen voor ieder kind het recht de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale verzekering, en nemen de nodige maatregelen om de algehele verwezenlijking van dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationale recht.

2. De voordelen dienen, indien van toepassing, te worden verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de middelen en de omstandigheden van het kind en de personen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar onderhoud, alsmede iedere andere overweging die van belang is voor de beoordeling van een verzoek daartoe dat door of namens het kind wordt ingediend.

Bij dit artikel is door het Koninkrijk der Nederlanden een voorbehoud gemaakt:(23)

Het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt het bepaalde in artikel 26 van het verdrag, onder het voorbehoud dat deze bepaling niet verplicht tot een zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheid, daarbij inbegrepen sociale verzekering.

7.5 Tenslotte, artikel 27, leden 1, 2 en 3, van het IVRK luidt:

1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

7.6 De CRvB heeft in zijn uitspraak van 24 januari 2006 geoordeeld over het onderscheid dat artikel 16, lid 2, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) maakt door bepaalde groepen vreemdelingen categoraal uit te sluiten van bijzondere bijstand, ook indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. In die gevallen voorziet het eerste lid van dat artikel juist in een hardheidsclausule, op grond waarvan aan personen die geen recht hebben op bijstand toch bijstand kan worden verleend. De uitsluiting van bepaalde vreemdelingen van toepassing van de hardheidsclausule vloeit voort uit de Koppelingswet. De CRvB heeft geoordeeld dat deze Koppelingswet gedeeltelijk in strijd is met artikel 2, lid 1, van het IVRK. De CRvB heeft daartoe overwogen:(24)

Bij de beoordeling in hoeverre een onderscheid in een bepaalde situatie een evenredig te achten middel vormt om een bepaald doel te bereiken, dient bij de toetsing aan artikel 2, eerste lid, van het IVRK tevens acht te worden geslagen op het aan het IVRK ten grondslag liggende beginsel van bijzondere beschermwaardigheid van kinderen en op de andere bepalingen van het IVRK, in het bijzonder artikel 2, tweede lid, en de artikelen 3 en 27. Dit betekent dat maatregelen die ten opzichte van volwassenen in overeenstemming worden geacht met de internationale non-discriminatiebepalingen, in bepaalde situaties ten opzichte van kinderen niettemin in strijd kunnen komen met artikel 2, eerste lid, van het IVRK.

Bij de beantwoording van de vraag of het in artikel 16, tweede lid, van de WWB gemaakte onderscheid naar nationaliteit in algemene zin kan worden geacht een evenredig middel te vormen om de doelstelling van de Koppelingswetgeving te bereiken, dient naar het oordeel van de Raad binnen de groep van niet tot Nederland toegelaten kinderen met een andere dan de Nederlandse nationaliteit onderscheid gemaakt te worden tussen gevallen als hier aan de orde, waarin de kinderen (en hun ouders) rechtmatig in Nederland verblijven doch niet tot Nederland zijn toegelaten, en gevallen waarin kinderen (en hun ouders) niet rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) hier te lande verblijven.

De Raad acht de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen die - al dan niet met hun ouders - niet rechtmatig hier te lande verblijven, ook tegen de achtergrond van het IVRK in beginsel een evenredig middel ter verwezenlijking van de doelstelling van de koppelingswetgeving. De Raad overweegt hiertoe dat het verstrekken van mogelijk langdurige uitkeringen aan kinderen wier verblijf in Nederland op geen enkele wijze als rechtmatig kan worden bestempeld, de voortzetting van hun verblijf - en wellicht het verblijf van hun ouders - hier te lande kan stimuleren, waardoor het Nederlandse vreemdelingenbeleid ernstig zou worden doorkruist.

Ten aanzien van kinderen die, zoals appellanten, rechtmatig in Nederland verblijven doch niet tot Nederland zijn toegelaten, dient anders te worden geoordeeld. Hoewel de Nederlandse staat deze kinderen niet tot zijn grondgebied heeft toegelaten, heeft hij welbewust aanvaard dat zij gedurende een zekere tijd in Nederland verblijven. Aldus heeft de Nederlandse staat ook welbewust een zekere, uit het IVRK voortvloeiende zorgplicht ten opzichte van juist deze kinderen op zich genomen, zonder daarbij overigens iets af te doen aan de verantwoordelijkheid van de ouders van deze kinderen. Gedurende de periode waarin deze kinderen rechtmatig in Nederland verblijven, leggen de met de koppelingswetgeving nagestreefde doeleinden niet een zodanig gewicht in de schaal dat onverkorte toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB in overeenstemming is met artikel 2, eerste lid, van het IVRK. In dat verband overweegt de Raad het volgende.

Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB in het onderhavige geval jegens appellanten een evenredig middel vormt om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken, acht de Raad in de eerste plaats van belang dat er voor hen geen enkel ander bestaansmiddel voorhanden is dan bijstand. Uit het bepaalde in artikel 11, tweede lid, onder b, van de Vw 2000 (voorheen artikel 8c, tweede lid, onder b, van de Vw) en de in deze bepaling bedoelde regelingen, leidt de Raad af dat de noodzaak tot ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid kennelijk naar het oordeel van de wetgever niet per definitie en in alle omstandigheden in de weg behoeft te staan aan een voorziening voor personen die het besluit op een aanvraag om een verblijfstitel hier te lande mogen afwachten. De Raad moet echter vaststellen dat de wetgever, ondanks de verplichtingen die Nederland bij de ratificatie van het IVRK op zich heeft genomen, bij de inwerkingtreding van de Koppelingswet de tot dat moment voor alle kinderen bestaande voorziening van noodbijstand voor kinderen zoals hier aan de orde heeft beëindigd door middel van de invoering van artikel 11, tweede lid, van de Abw.

(...)

Bovenstaande factoren, beschouwd in hun onderlinge samenhang, leiden de Raad tot het oordeel dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB jegens appellanten in het licht van artikel 2, eerste lid, van het IVRK, gelezen tegen de achtergrond van het beginsel van verhoogde beschermwaardigheid van kinderen in het algemeen en met inachtneming van de artikelen 2, tweede lid, 3 en 27 van het IVRK in het bijzonder, geen evenredig middel kan worden geacht om de doelstelling van de koppelingswetgeving te verwezenlijken. In dit kader wijst de Raad erop dat artikel 2, tweede lid, van het IVRK verbiedt dat kinderen worden gediscrimineerd of bestraft op grond van de omstandigheden of activiteiten van de ouders en dat artikel 3 van het IVRK tot uitdrukking brengt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van de kinderen de eerste overweging vormen. Weliswaar blijkt uit artikel 3, tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK dat de verdragsstaten bij de behartiging van de belangen van kinderen rekening mogen houden met de plichten en verantwoordelijkheden van - voor zover hier van belang - de ouders, maar uit artikel 27, derde lid, van het IVRK blijkt ook dat de overheid passende maatregelen moet nemen om ouders te helpen het recht van kinderen op een toereikende levensstandaard te verwezenlijken.

7.7 Annotator Vonk heeft zich in RSV kritisch uitgelaten over de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2006 (citaat zonder noten van Vonk):

Art. 27 IVRK gaat niet zo ver dat het een subjectief recht op socialezekerheidsuitkeringen voor kinderen zou impliceren. Maar mij lijkt dat het ten minste een bevoegdheid van overheidsinstellingen veronderstelt om gepaste vormen van ondersteuning te bieden in situaties van nood. Of om het plastischer voor te stellen: op de staat rust een verplichting om een helpende hand toe te steken als de kinderen ziek, hongerend en zwervend op straat worden aangetroffen. Als er één bepaling is die aan deze verplichting van art. 27 uitwerking kan geven dan is het toch wel art. 16 van de WWB. We hebben het hier over een specifiek onderdeel van onze algemene sociale bijstandsregeling die onderaan het stelsel van sociale zekerheid een vangnet spant. Als op grond van de bepalingen van de WWB geen recht op uitkering bestaat, kan er vanwege zeer dringende redenen uit hoofde van art. 16 WWB alsnog iets worden gedaan. Het gaat dus om bijstand in noodgevallen als allerlaatste redmiddel dat op discretionaire grondslag kan worden ingezet. Dit is een vorm van bijstand die herinneringen oproept aan de armenzorg zoals die bestond voordat een algemeen recht op sociale bijstand werd aanvaard. Waarom onderzoekt de CRvB niet of het uitsluiten van kinderen van illegale ouders van dit laatste restje overheidsbevoegdheid op bedenkingen stuit uit hoofde van art. 27? Waarom dit precaire gegeven bij voorbaat opgeofferd aan het belang dat de staat heeft bij voeren van een effectief vreemdelingenbeleid? (...)

Volgens de wetgever werkt art. 27 IVRK niet rechtstreeks,(25) maar dit is niet doorslaggevend want het eindoordeel hierover is aan de rechter. De lagere rechtspraak honoreerde in enkele gevallen een beroep op art. 27 IVRK. Nadien heeft de Raad van State het rechtstreeks werkend vermogen van art. 27 IVRK afgewezen.(26) Heeft dit laatste op de CRvB zo veel indruk gemaakt dat men het verstandiger achtte het vraagstuk van de zelfstandige betekenis van art. 27 IVRK te negeren? Dat zou jammer zijn. In de literatuur wordt immers steeds vaker aanvaard dat het bij het begrip rechtstreekse werking niet aankomt op een alles of niets benadering maar dat er gradaties van rechtstreekse werking zijn, dat de werking van sociale grondrechten sterk context-afhankelijk is en dat de context bepaalt of de harde kern van dergelijke rechten wordt geraakt. De CRvB is bekend met deze benadering en had dus probleemloos zelfstandig aan art. 27 kunnen toetsen, zonder het woord rechtstreekse werking in de mond te nemen. De Raad had ook slechts kunnen constateren dat de categorale uitsluiting van vreemdelingen van art. 16 WWB op gespannen voet staat met art. 27 IVRK en de consequenties daarvan aan de wetgever kunnen overlaten. In plaats daarvan wordt teruggevallen op de veilige route van toetsing aan het discriminatieverbod, met het besproken resultaat van dien.

7.8 De CRvB heeft ook geoordeeld over de verenigbaarheid van de koppelingswetgeving in de AKW met de rechten die het kind op grond van het IVRK toekomen. De CRvB oordeelde in zijn uitspraak van 7 april 2008 dat van een schending van die bepalingen evenwel geen sprake is. Hij overwoog:(27)

Ten aanzien van het beroep dat appellant heeft gedaan op een aantal bepalingen van het IVRK merkt de Raad op dat, gezien het voorbehoud dat de Staat heeft gemaakt bij artikel 26 van het IVRK, een beroep op het IVRK er niet toe kan leiden dat aan het kind een zelfstandig recht op kinderbijslag dient toe te komen. Het beroep op artikel 27, derde lid, van het IVRK kan niet slagen nu aan dit artikel, zoals de Raad reeds eerder (28) heeft bepaald, geen rechtstreekse werking toekomt.

De Raad merkt ten slotte op dat het beroep dat appellant heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 24 januari 2006 niet opgaat nu het in dat geschil ging om de toepassing van de WWB, welke wet, als bodemvoorziening, een geheel ander karakter draagt dan de AKW en daarenboven, onder omstandigheden, het kind wel als zelfstandig subject van bijstandsverlening kent.

8 Beschouwing

8.1 In artikel 11, lid 1, van de AKW is kort gezegd bepaald dat slechts degene die verzekerd is recht heeft op kinderbijslag voor een of meer kinderen (zie 3.1). Hieruit kan worden afgeleid dat het in beginsel de ouder is die voor een verzekering ingevolge de AKW in aanmerking komt en recht heeft op kinderbijslag. Behoudens een aantal hier niet ter zake doende uitzonderingen genoemd in de artikelen 8 en 20 van KB 746, wordt de verzekeringspositie van het kind niet op eigen merites beoordeeld maar volgt het die van zijn ouders. Artikel 26 van het IVRK maakt dit, gelet op het door het Koninkrijk der Nederlanden gemaakte voorbehoud, niet anders (zie 7.4).

8.2 Vaststaat dat belanghebbende, als vreemdeling in de zin van artikel 1, aanhef en onder m, van de Vw 2000, beschikte over een verblijfsaantekening op grond van artikel 12 van de Vw 2000. Dat maakte dat hij ingevolge artikel 8, aanhef en onder i van die wet rechtmatig in Nederland verblijf hield. De op grond van die bepaling rechtmatig in Nederland verblijfhoudende vreemdeling behoort evenwel niet tot de kring der verzekerden voor de AKW. Artikel 6, lid 2, van de AKW sluit die vreemdeling immers, voor zover hij niet op de voet van artikel 6, lid 3 en 4 van de AKW alsnog tot de kring der verzekerden kan worden gerekend, van verzekering uit.

8.3 Het op de voet van artikel 6, lid 2, van de AKW uitsluiten van belanghebbende als verzekerde voor die wet, levert mijns inziens op zichzelf beschouwd geen strijd op met de verdragsrechtelijke non-discriminatiebepalingen zoals neergelegd in artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM (in verbinding met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM). Met de CRvB ben ik van mening dat de wetgever beschikt over een voldoende rechtvaardiging voor het uitsluiten van bepaalde groepen vreemdelingen van de volksverzekeringen en het onderscheid dat daarmee wordt gemaakt tussen Nederlanders enerzijds en die bepaalde groepen vreemdelingen anderzijds. Ik verwijs in dit verband naar hetgeen de CRvB in zijn uitspraak van 26 juni 2001, 00/3097 AKW, RSV 2001, 216 heeft overwogen (zie 6.2.3 hiervoor). Deze overwegingen lijken mij juist.

8.4 Hetzelfde heeft mijns inziens te gelden voor wat betreft het oordeel van de CRvB in zijn uitspraak van 7 april 2008, 06/2792 AKW, RSV 2008, 211 aangaande de verenigbaarheid met de diverse bepalingen uit het IVRK (zie 7.8). Van strijd met de daarin vervatte bepalingen acht ik geen sprake; de kinderbijslag is in mijn ogen geen echte bodemvoorziening zoals de bijstand (die ook voorziet in ondersteuning ten behoeve van kinderen) en draagt, zoals de CRvB overwoog, mitsdien een ander karakter. Nog afgezien van het antwoord op de vraag of artikel 27, lid 3, van het IVRK al dan niet rechtstreeks werkt, zal een toetsing aan dat artikellid daarop afstuiten. Artikel 27, lid 3, van het IVRK behelst immers 'slechts' de erkenning van het recht van ieder kind op een toereikende levensstandaard door de Staten, die daarin moeten voorzien. Het heeft daarmee geen een ieder verbindende kracht als bedoeld in artikel 93 en 94 van de Grondwet. Mijns inziens heeft artikel 27, lid 3, van het IVRK dan ook geen rechtstreekse werking. De wetgever, de ABRvS en de CRvB zijn die mening ook toegedaan (zie 7.7 en 7.8).

8.5 Een vreemdeling als belanghebbende zal, afgezien van het bepaalde in artikel 6, lid 2, van de AKW dat in beginsel aan een verzekering ingevolge de AKW in de weg staat, ook niet snel kwalificeren als ingezetene als bedoeld in artikel 6, lid 1, aanhef en onder a, van de AKW. Hoewel voldoende aanleiding bestaat voor het in aanmerking nemen van een sterke sociale en economische binding van belanghebbende met Nederland - en dat wijst op ingezetenschap - , is zijn juridische binding met Nederland gelet op zijn verblijfsstatus niet bepaald sterk te noemen. De SVB heeft in de door haar gehanteerde beleidsregels (onder 2.2.2 betreffende de juridische binding; zie 4.6) evenwel opgenomen dat een verblijfsduur van drie jaren in Nederland een sterke aanwijzing vormt voor de conclusie dat sprake is van ingezetenschap (en daarmee van verzekering ingevolge artikel 6, lid 1, aanhef en onder a, van de AKW) . De SVB lijkt met deze beleidsregel (de ratio van) het in artikel 6, lid 2, van de AKW neergelegde wettelijke koppelingsbeginsel, uit hoofde waarvan belanghebbende als vreemdeling als bedoeld in artikel 8, onderdeel i, van de Vw 2000 van verzekering is uitgesloten, te doorkruisen. De beleidsregel is in zoverre contra legem en daarmee in beginsel onverbindend wegens strijd met de wet.(29) Zij is bovendien in tegenspraak met de beleidsregel betreffende het koppelingsbeginsel (onderdeel 2.2.5 van de SVB Beleidsregels). Daarin is immers verwoord dat sinds de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 een persoon die niet onvoorwaardelijk tot Nederland is toegelaten in de regel niet meer verzekerd kan zijn op grond van ingezetenschap.(30) De in die beleidsregel neergelegde uitleg van het koppelingsbeginsel is in lijn met de onder 4.2 genoemde wetsgeschiedenis betreffende de Koppelingswet. Toepassing van de beleidsregel van onderdeel 2.2.2 van de SVB Beleidsregels, op grond waarvan tot ingezetenschap zou kunnen worden geconcludeerd, dient mijns inziens dan ook achterwege te blijven. Overigens heeft belanghebbende zich niet op het vertrouwensbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur beroepen op grond waarvan die beleidsregel desalniettemin op hem zou moeten worden toegepast en tot een verzekeringsplicht uit hoofde van ingezetenschap zou moeten worden geconcludeerd.

8.6 In artikel 6, lid 3 en 4, van de AKW heeft de wetgever de mogelijkheid geboden om, bij algemene maatregel van bestuur, vreemdelingen die ingevolge artikel 6, lid 2, van de AKW van verzekering zijn uitgesloten onder voorwaarden toch tot de kring der verzekerden te rekenen. Zoals hiervoor aangegeven (zie 5.6) voorzien de artikelen 10 en 11 van KB 746 in die mogelijkheid. Artikel 10 van KB 746 mist in belanghebbendes geval toepassing, omdat niet gebleken is dat hij rechtmatig verblijf heeft gehouden in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of l van de Vw 2000. Naar de letterlijke tekst mist artikel 11 van KB 746 eveneens toepassing. Weliswaar was belanghebbende ten tijde van de aanvraag een rechtmatig in Nederland verblijfhoudende vreemdeling als bedoeld in dat artikel, hij verrichtte echter geen arbeid in dienstbetrekking (in overeenstemming met de WAV) uit hoofde waarvan hij aan de loonbelasting was onderworpen. Zijn arbeid verrichtte hij immers als ondernemer en de daarmee verdiende inkomsten waren als winst uit onderneming aan de inkomstenbelasting onderworpen. Overigens is bij belanghebbende, naast de inkomstenbelasting die hij over zijn inkomsten verschuldigd was, premie volksverzekeringen in rekening gebracht.

8.7 Belanghebbende stelt, althans ik begrijp hem aldus, dat hij als zelfstandige en rechtmatig verblijfhoudende vreemdeling (als bedoeld in artikel 11 van KB 746) in een vergelijkbare situatie verkeert als eenzelfde vreemdeling die in dienstbetrekking werkzaam is en uit hoofde daarvan aan de loonbelasting is onderworpen, terwijl alleen de laatste op de voet van artikel 11 van KB 746 ingevolge de AKW verzekerd is. Een dergelijk onderscheid acht belanghebbende onder die omstandigheden kennelijk niet gerechtvaardigd. Met zijn verwijzing naar diverse internationale verdragen heeft hij mijns inziens ook in zoverre een beroep willen doen op de artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM in verbinding met het artikel 1 van het Eerste Protocol. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt.(31)

8.8 Artikel 11 van KB 746 lijkt aan te sluiten bij artikel 6, lid 1, aanhef en onder b, van de AKW. Daarin is immers bepaald dat niet-ingezetenen verzekerd zijn ingevolge de AKW, indien zij ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen. Aan dat artikellid is echter in artikel 9 van KB 746 (zie 5.4) een uitbreiding gegeven door de niet in Nederland wonende zelfstandige die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet (als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001) en in Nederland arbeid verricht voor die onderneming, tot de verzekerden te rekenen. Voor het aannemen van verzekering lijkt het zwaartepunt te liggen op het verrichten van arbeid in Nederland. In de Toelichting bij KB 746 is de besluitgever dezelfde mening toegedaan. Ik verwijs naar de Toelichting bij artikel 6 van KB 746 (betreffende de tijdelijke onderbreking van arbeid in Nederland), waarin dit nadrukkelijk wordt onderschreven. Ook in de Toelichting bij artikel 9 van KB 746 wordt van dit uitgangspunt uitgegaan, aangezien de commandiet, die geen arbeid voor de onderneming verricht, van verzekering is uitgesloten. Ten slotte wordt dit standpunt ook door de SVB in de SVB Beleidsregels onderschreven (zie 6.5). Dit uitgangspunt heeft, hoewel in een iets ander kader gesteld, in mijn ogen ook relevantie voor de toepassing van artikel 11 van KB 746 en dus in belanghebbendes geval. Als voor de verzekering ingevolge de AKW het zwaartepunt niet ligt op de dienstbetrekking in Nederland of de onderworpenheid van de arbeidsinkomsten aan de Nederlandse loonbelasting, maar op het hier te lande daadwerkelijk verrichten van arbeid, verkeren de zelfstandig ondernemende vreemdeling en een vreemdeling die in dienstbetrekking werkzaam is in een vergelijkbare positie. Ik zie in beginsel dan ook geen aanleiding om de uitbreiding van de kring der verzekerden van artikel 11 van KB 746 te beperken tot de daarin genoemde groep vreemdelingen.

8.9 Een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid in artikel 11 van KB 746 kan niet worden gevonden in de Toelichting (zie 5.8). Een dergelijke rechtvaardigingsgrond kan naar mijn mening evenmin worden gevonden in de koppeling met de WAV die in artikel 11 van KB 746 wordt gemaakt. Doel van de WAV is om met behulp van een systeem van tewerkstellingsvergunningen de Nederlandse arbeidsmarkt te reguleren. De WAV is dan ook niet van invloed op de verzekeringsposititie van een vreemdeling voor de sociale voorzieningen. Andere rechtvaardigingsgronden zijn mij niet gebleken. Overigens, de arbeid die belanghebbende als ondernemer verricht, wordt in de WAV, voor zover ik kan overzien, niet uitgesloten voor het verkrijgen van een tewerkstellingstelling door een werkgever.

9 Beoordeling van de klachten

Anders dan belanghebbende in cassatie betoogt, komt aan het kind geen zelfstandig recht op kinderbijslag toe. De positie van het kind is immers afhankelijk van de verzekeringsplicht van de ouders (zie 8.1). Zijn klachten dienaangaande falen. Voor zover belanghebbende met zijn beroep op de internationale verdragen heeft aan willen voeren dat de koppelingswetgeving in strijd is met de in die verdragen neergelegde non-discriminatiebepalingen, falen die klachten evenzeer. De wetgever beschikte over een voldoende rechtvaardiging om bepaalde groepen vreemdelingen, waartoe belanghebbende behoort, in beginsel van verzekering uit te sluiten (zie 8.3). Ook de klachten betreffende de schending van de in het IVRK neergelegde bepalingen falen (zie 8.4). De klacht betreffende zijn positie als zelfstandige, die ik heb verstaan als een beroep op de non-discriminatiebepalingen van het IVBPR en het EVRM, omdat hij niet op de voet van artikel 11 van KB 746 tot de kring der verzekerden wordt gerekend, slaagt echter. Voor de sociale verzekeringen verkeert hij in een vergelijkbare postitie als eenzelfde vreemdeling in Nederlandse dienstbetrekking die aan de loonbelasting is onderworpen, terwijl een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het onderscheid ontbreekt (zie 8.7 tot en met 8.9).

10 Conclusie

De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraken van de CRvB, de Rechtbank en de SVB en tot toekenning van kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2005.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Rechtbank Zwolle-Lelystad, 8 juni 2006, nr. AWB 06/568 AKW, niet gepubliceerd.

2 Voetnoot van CvB: WAV staat voor Wet arbeid vreemdelingen.

3 Hieronder gedeeltelijk geciteerd in 6.2.3.

4 Voetnoot CvB: deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt hieronder gedeeltelijk geciteerd in 7.6.

5 CRvB, 10 juli 2008, nr. 06/3903 AKW, gepubliceerd op rechtspraak.nl.

6 Deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zodat in dit verband in beginsel aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de jurisprudentie van de Hoge Raad betreffende (fiscale) woonplaatsgeschillen.

7 Vergelijk Hoge Raad, 17 januari 1996, nr. 279, gepubliceerd op rechtspraak.nl.

8 Vergelijk CRvB, 14 februari 1986, SV 1986/318.

9 Vergelijk CRvB, 8 juli 2004, 03/4491 AKW, gepubliceerd op rechtspraak.nl.

10 Vergelijk CRvB, 22 april 2004, 03/6496 AKW, gepubliceerd op rechtspraak.nl.

11 Stb 1998, 203. De wet is in werking getreden per 1 juli 1998 (Stb 1998, 204).

12 MvT, Kamerstukken 1994/1995, 24233, nr. 3, blz. 1.

13 MvT, Kamerstukken 1994/1995, 24233, nr. 3, blz. 2.

14 Besluit Bestuur SVB van 27 mei 2005, Stcrt. 2005, 109

15 Gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

16 Stb. 1998, 746 (KB 746).

17 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 1989, 164 (KB 164).

18 Noot van CvB: hiermee wordt gedoeld op de verzekerde als bedoeld in artikel 6, lid 1, aanhef en onder b, van de AKW.

19 Artikel 23 van KB 746 voorziet in een in dezen niet relevante en derhalve niet nader te bespreken beperking.

20 MvT, Kamerstukken 1994/1995, 24233, nr. 3, blz. 8.

21 MvT, Kamerstukken 1994/1995, 24233, nr. 3, blz. 9.

22 CRvB, 26 juni 2001, 00/3097 AKW, RSV 2001, 216

23 Artikel 2 van de Goedkeuringsrijkswet Verdrag inzake de rechten van het Kind.

24 CRvB, 24 januari 2006, 05/3621 WWB + 05/3622 WWB, RSV 2006, 84 met noot Vonk .

25 Noot van CvB: De auteur verwijst in een noot naar Kamerstukken II 1992-93, 22855, nr. 3.

26 Noot van CvB: De auteur verwijst in een noot naar ABRvS 1 maart 2005, 200408015/1.

27 CRvB, 7 april 2008, 06/2792 AKW, RSV 2008, 211.

28 Noot van CvB: vergelijk CRvB, 9 oktober 2006, 06/3850 WWB + 06/3851 WWB, RSV 2006/369.

29 MvT, kamerstukken 1993-1994, 23700, nr. 3, blz. 109.

30 Hoewel de bewoording 'in de regel' nog wel enige ruimte open laat voor een andere uitleg.

31 Vergelijk o.a. HR 21 november 2008, nr 07/13301, BNB 2009/9.