Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK4831

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
09/02394 UA
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK4831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse uitlevering. Schending art. 14 Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit(N-AU), nu uit het pv tz. niet blijkt dat de behandeling van de zaak in het openbaar heeft plaatsgevonden. Het moet er aldus voor worden gehouden dat dit niet is geschied, terwijl ook niet blijkt dat toepassing is gegeven aan een van de uitzonderingen genoemd in voormeld art. 14 N-AU. Dat voorschrift is van zodanige betekenis dat ’s Hofs beslissing lijdt aan nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02394 UA

Mr. Machielse

Zitting 24 november 2009

Conclusie inzake:

[De opgeëiste persoon]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 13 mei 2009 ded uitlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toelaatbaar verklaard.

2. Mr. M.M. Hofman-Ruigrok, advocaat op St. Maarten, heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassattie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof in een tussenbeslissing het OM de gelegenheid heeft gegeven alsnog de originele of gewaarmerkte stukken over te leggen zonder de opgeëiste persoon en zijn advocaat in staat te stellen zich uit te laten over de door het OM geleverde stukken.

3.2. Op 8 april 2009 is de opgeëiste persoon verschenen voor een lid van het Hof. Op verzoek van de advocaat is het verhoor aangehouden tot 16 april 2009. Op 16 april 2009 is de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn advocaat, gehoord door het lid van het Hof. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft een bezwaarschrift overgelegd. In dat bezwaarschrift wordt gesteld dat de Franse autoriteiten al op flagrante wijze inbreuk hebben gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Voorts wijst het bezwaarschrift erop dat de opgeëiste persoon ook op St. Maarten wordt vervolgd voor een ander feit, hetgeen voorlopig aan uitlevering in de weg staat. Op 29 april 2009 heeft het Hof, meervoudige kamer, een tussenbeslissing genomen. Het Hof heeft in die beslissing het OM de gelegenheid geboden om de juiste stukken alsnog over te leggen:

"4. Genoegzaamheid van de stukken

Het Hof heeft in het dossier een gefaxt exemplaar aangetroffen van een brief d.d. 2 maart 2009 van het Parket-Generaal van de Cour d'appel de Basse-Terre waarbij het uitleveringsverzoek wordt aangeboden aan de officier van justitie te Sint Maarten. Op deze fax is een afschrift van een stempel en een handtekening van de General Attorney zichtbaar.

De overige stukken, waaronder het uitleveringsverzoek, zijn eveneens slechts in gefaxte vorm in het dossier aanwezig en zijn niet ondertekend of anderszins gewaarmerkt. Daarmee lijkt niet te zijn voldaan aan de vereisten van artikel 8 en 11 van het Uitleveringsbesluit en artikel 12 van het Europees Uitleveringsverdrag.

Nu het voorgaande bij de behandeling van het verzoek tot uitlevering niet aan de orde is gesteld, ziet het Hof aanleiding om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen zich hierover alsnog uit te laten en de originele of gewaarmerkte stukken zoals in voornoemde bepalingen bedoeld, voor zover deze aanwezig zijn, alsnog over te leggen. Het Hof stelt daartoe een termijn van twee weken. Het advies over het verzoek tot uitlevering zal in afwachting daarvan worden aangehouden."

De originele stukken zijn blijkens een brief van de de procureur-generaal op 21 april 2009 ontvangen in Den Haag en zijn op 8 mei 2009 op Sint Maarten in ontvangst genomen. Vervolgens heeft het Hof op 13 mei 2009 de uitlevering ter vervolging aan Frankrijk toelaatbaar verklaard.

3.3. Artikel 2 van de Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Stb. 2003, 204) heeft, voorzover relevant de volgende inhoud:

"1. De Hoge Raad der Nederlanden neemt in uitleveringszaken kennis van het beroep in cassatie tegen de einduitspraken van het Gemeenschappelijk Hof ingesteld door de procureur-generaal van een van de landen of door de opgeëiste persoon.

(...)"

Artikel 2 is zo geredigeerd dat alleen tegen einduitspraken en niet tegen tussenbeslissingen cassatieberoep kan worden ingesteld.(1)

3.4. Ik begrijp de strekking van het eerste middel aldus, dat niet wordt opgekomen tegen de tussenbeslissing van het Hof, maar tegen het feit dat het Hof zijn eindbeslissing heeft gebaseerd op stukken waarvan de verdediging geen kennis heeft kunnen nemen en waarover zij zich niet heeft kunnen uitlaten. De cassatieakte houdt ook in dat cassatie is ingesteld tegen de beslissing van 13 mei 2009.

3.5. Vooropgesteld moet worden dat op een procedure als de onderhavige het bepaalde in het eerste en derde lid van art. 6 EVRM, waarop het eerste middel kennelijk ziet, niet van toepassing is omdat geen sprake is van een "determination of any criminal charge".(2)

Dat neemt niet weg dat het beginsel "audi et alteram partem" ook in een uitleveringsprocedure een rol kan spelen, zij het dat naar mijn mening deze rol niet zo op de voorgrond staat als in een gewone strafprocedure. Bij het verhoor van de opgeëiste persoon heeft de advocaat van de opgeëiste persoon geen bezwaar gemaakt dat betrekking heeft op de status van de ingekomen documenten. Het hof heeft zonder nader verhoor een eindbeslissing genomen. In cassatie wordt niet geklaagd dat de stukken toch onvolledig of ongenoegzaam zijn, zodat ik het ervoor houd dat de steller van het middel, die in de gelegenheid is geweest het dossier in te zien, op dat punt geen klacht heeft. In cassatie wordt er bijvoorbeeld niet over geklaagd dat na de tussenbeslissing van het Hof documenten beschikbaar zijn gekomen die daarvoor, ook in kopie, niet aan de verdediging bekend zijn geweest. Onder deze omstandigheden ben ik van oordeel dat er voor de cassatierechter geen reden is om in te grijpen.

4.1. Het tweede middel klaagt dat uit het proces-verbaal van het verhoor van 16 april 2009 niet kan blijken dat dit verhoor in het openbaar heeft plaatsgevonden.

4.2. Artikel 14 van het Nederlands-Antilliaans Uitleveringsbesluit luidt aldus:

"1. Het verhoor geschiedt in het openbaar, tenzij de opgeëiste persoon de behandeling der zaak met gesloten deuren verlangt, of het Hof, om gewichtige redenen, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, beveelt, dat het geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.

(...)"

4.3. Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof blijkt niet dat het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks niet is geschied.(3)

Evenmin blijkt uit de processen-verbaal van de verhoren op 8 april 2009 en 16 april 2009 dat de opgeëiste persoon behandeling heeft verzocht met gesloten deuren of dat er gewichtige redenen waren om de deuren te sluiten, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het verhoor niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Weliswaar vermelden de tussenbeslissing van 29 april 2009 en het advies van 13 mei 2009 dat de verhoren ter openbare terechtzitting hebben plaatsgevonden, maar de processen-verbaal van de verhoren, in beginsel toch de enige kenbron van de ter terechtzitting in acht genomen vormen, reppen daar niet van, en die zijn mijns inziens doorslaggevend.

Het middel komt mij gegrond voor.

5. Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. Het Hof heeft geoordeeld dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd naar Nederlands-Antilliaans recht moeten worden gekwalificeerd als: Medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, strafbaar gesteld bij artikel 295 jo. artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen. Mijns inziens is deze kwalificatie niet juist.(4) Uit de omschrijving der feiten door de procureur-generaal bij het Cour d'Appel de Basse-Terre(5) is af te leiden dat de verdenking bestaat dat het slachtoffer is meegelokt, vervolgens van zijn vrijheid is beroofd, is gemarteld om hem te dwingen de plaats te verklappen waar een partij cocaïne was opgeslagen en van het leven is beroofd nadat de daders de partij cocaine hadden bemachtigd. Deze feiten dienen te worden gekwalificeerd als medeplegen van moord danwel doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad(6) straffeloosheid te verzekeren (art. 301 SrNA).

6. Overeenkomstig het eerste lid van art. 4 Cassatieregeling zal naar mijn mening de bestreden beslissing moeten worden vernietigd en zal de zaak moeten teruggewezen naar het Hof teneinde de opgeëiste persoon opnieuw in het openbaar te horen en vervolgens te beslissen op het uitleveringsverzoek.

7. Daartoe strekt deze conclusie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kamerstukken II 2000/01, 27797 (R 1686), nr. 3, p. 6.

2 HR 21 september 1999, NJ 1999, 775 met verdere verwijzingen in de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot mr. Keijzer.

3 HR 12 april 2005, LJN AS8860 met uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot mr. Jörg.

4 Zie HR 11 oktober 2005, LJN AT5772.

5 Een département d'outre-mer (nr. 971) en dus gewoon Frans grondgebied.

6 Vgl. NLR 3/288.