Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK3573

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
09/00558
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BG6383
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK3573
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afwijzing verzoek op de voet van art. 390 Rv. tot herroeping van een echtscheidingsbe-schikking op de grond de beschikking berust op bedrog door de wederpartij wegens onvoldoende bewijs. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 54
JWB 2009/528
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/00558

Mr L. Strikwerda

Parket, 13 nov. 2009

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 390 Rv tot herroeping van een echtscheidingsbeschikking op de grond dat de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd in de zin van art. 390 jo. art. 382, aanhef en onder a, Rv. Inzet in cassatie is de vraag of het hof zijn oordeel dat het bewijs van bedrog in evenbedoelde zin niet is geleverd, toereikend heeft gemotiveerd.

2. De feiten liggen als volgt (zie de beschikking van het hof onder het hoofdje "Het procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten" in verbinding met de beschikking van de rechtbank onder het hoofdje "De vaststaande feiten").

(i) Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 9 juli 2003 te Al Hoceima, Marokko, gehuwd.

(ii) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2005 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 1 maart 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.

(iii) Bij uitspraak van de rechtbank in Al Hoceima, Marokko, van 16 juni 2005 is genoemde beschikking erkend.

3. De vrouw heeft op 25 november 2005 bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend tot herroeping van de beschikking van de onder 2.(ii) bedoelde beschikking van 7 februari 2005 en heropening van het geding, zodat verder kan worden geprocedeerd. De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de beschikking waarvan herroeping wordt verzocht berust op bedrog door de man in de echtscheidingsprocedure gepleegd. De vrouw heeft gesteld dat de man de rechtbank in de overtuiging heeft gebracht dat sprake was van een gemeenschappelijke wens tot echtscheiding en dat de in het convenant opgenomen regelingen ook door haar zijn gewild, terwijl zij nimmer op het kantoor van [de advocaat], advocaat en procureur te [plaats], hierna: [de advocaat], indiener respectievelijk opsteller van het gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding en het echtscheidingsconvenant, is geweest, en zij nimmer met de echtscheiding en met de in het echtscheidingsconvenant opgenomen regelingen heeft ingestemd.

4. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft ontkend in de echtscheidingsprocedure van partijen bedrog te hebben gepleegd.

5. De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 8 november 2006 de vrouw overeenkomstig haar bewijsaanbod bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de man in de echtscheidingsprocedure bedrog heeft gepleegd. Voorts heeft de rechtbank het verhoor van [de advocaat] gelast.

6. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden en [de advocaat] ambtshalve door de rechtbank als getuige was gehoord, heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 9 november 2007 geoordeeld dat uit de getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid dat de man in de echtscheidingsprocedure tussen partijen bedrog heeft gepleegd, en het verzoek van de vrouw afgewezen.

7. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij beschikking van 12 november 2008 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

8. Daartoe overwoog het hof onder meer (cursivering van het hof):

"8. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet in haar bewijslevering is geslaagd en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van het hof veronderstelt "bedrog" in het onderhavige geval dat de man het verzoekschrift als gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend, in de wetenschap dat de vrouw de inhoud daarvan alsmede de daarbij overgelegde stukken (waaronder het echtscheidingsconvenant) niet kende, althans niet heeft begrepen.

9. Het hof is van oordeel dat uit geen van de verklaringen van de vrouw blijkt dat de man zich er in de echtscheidingsprocedure van bewust was dat zij de inhoud van de door hem overgelegde stukken niet kende, althans niet heeft begrepen. De omstandigheid dat de vrouw, zoals zij heeft verklaard, de stukken heeft getekend zonder dat zij kennis droeg van de inhoud daarvan en dat zij niet op het kantoor van [de advocaat] is verschenen, leveren op zichzelf geen bedrog aan de zijde van de man op."

9. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden, met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

10. Onderdeel 1 van het middel komt met een motiveringsklacht op tegen de overweging van het hof - in r.o. 9 - dat uit geen van de verklaringen van de vrouw blijkt dat de man zich er in de echtscheidingsprocedure van bewust was dat zij de inhoud van de door hem overgelegde stukken niet kende, althans niet heeft begrepen. Het onderdeel acht deze overweging onbegrijpelijk, aangezien de vrouw consequent heeft verklaard dat zij niet bij [de advocaat] op kantoor is geweest en dat zij niets van de echtscheidingsprocedure heeft geweten totdat de beschikking in kracht van gewijsde was gegaan, uit welke verklaringen volgens het onderdeel noodzakelijk volgt dat de man bedrog heeft gepleegd in de echtscheidingsprocedure.

11. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft - in cassatie onbestreden - tot uitgangspunt genomen dat "bedrog" in het onderhavige geval veronderstelt dat de man het verzoekschrift als gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend, in de wetenschap dat de vrouw de inhoud daarvan alsmede de daarbij overgelegde stukken (waaronder het echtscheidingsconvenant) niet kende. Bij dit uitgangspunt is de aangevallen overweging van het hof niet onbegrijpelijk. Uit het feit dat de vrouw consequent heeft verklaard dat zij niet bij [de advocaat] op kantoor is geweest en dat zij niets van de echtscheidingsprocedure heeft geweten totdat de beschikking in kracht van gewijsde was gegaan, volgt immers niet noodzakelijk dat de man wist dat de vrouw de inhoud van het verzoekschrift tot echtscheiding alsmede de daarbij overgelegde stukken (waaronder het echtscheidingsconvenant) niet kende. Overigens is de waardering van het door de vrouw gepresenteerde bewijsmateriaal aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden. De enkele omstandigheid dat ook een andere waardering mogelijk is of zelfs meer voor de hand zou liggen, maakt 's hofs waardering van het bewijsmateriaal nog niet onbegrijpelijk.

12. Onderdeel 2 van het middel verwijt het hof bij zijn beoordeling van de stelling van de vrouw dat de man bedrog heeft gepleegd in de echtscheidingsprocedure, geen enkele overweging te hebben gewijd aan de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort 's-Gravenhage van 14 juli 2008 naar aanleiding van de door de vrouw tegen [de advocaat] ingediende klacht en het bijbehorende proces-verbaal van de zitting van de Raad van 19 mei 2008.

13. Het onderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Uit de gedingstukken blijkt niet (het onderdeel noemt ook geen vindplaatsen) dat de vrouw in feitelijke instanties zich ter staving van haar stelling dat de man in de echtscheidingsprocedure bedrog heeft gepleegd, heeft beroepen of bepaalde feiten of omstandigheden die zijn vermeld in de stukken van de tegen [de advocaat] gevoerde tuchtrechtelijke procedure. Het enkele overleggen van de stukken van de tuchtrechtelijke procedure betekent niet dat het hof ervan moest uitgaan dat de vrouw alle daarin vermelde feiten en omstandigheden aan haar stelling ten grondslag heeft gelegd, en dus ook niet dat het hof gehouden was bij zijn beoordeling van deze stelling "een beredeneerde greep" (Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 122, blz. 274) uit die feiten en omstandigheden te doen.

14. Onderdeel 3 van het middel klaagt dat de beslissing van het hof, inhoudende dat van bedrog van de man in de echtscheidingsprocedure is gebleken, berust op een motivering die ontoereikend is in het licht van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Onder verwijzing naar HR 9 januari 2004, NJ 2004, 141, betoogt het onderdeel dat de in deze uitspraak bedoelde hoge motiveringseisen evenzeer in de onderhavige zaak hebben te gelden, doch dat het hof hieraan niet heeft voldaan. Het onderdeel voert aan dat onder de in het onderdeel opgesomde, door de vrouw aangevoerde omstandigheden bedrog van de man zozeer voor de hand ligt, dat het volgens het onderdeel "uiterst spaarzaam gemotiveerde" andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is.

15. Het onderdeel faalt m.i. Al aangenomen dat op grond van HR 9 januari 2004, NJ 2004, 141, moet worden aangenomen dat het oordeel van het hof dat van bedrog van de man niet is gebleken, aan hoge motiveringseisen dient te voldoen om begrijpelijk te zijn, indien de feiten duidelijk in de richting van bedrog van de man wijzen, ziet het onderdeel eraan voorbij dat in het licht van de - in cassatie onbestreden - betekenis die het hof in het onderhavige geval aan het begrip "bedrog" heeft gegeven (van bedrog is sprake indien de man het verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend in de wetenschap dat de vrouw de inhoud daarvan alsmede de daarbij overgelegde stukken niet kende), uit de door het onderdeel opgesomde omstandigheden zonder meer niet volgt dat de man wist dat de vrouw de inhoud van het verzoekschrift tot echtscheiding alsmede de daarbij overgelegde stukken niet kende. Derhalve kan niet dat gesproken van een situatie dat de feiten duidelijk in de richting van bedrog van de man tijdens de echtscheidingsprocedure wijzen. Het gewraakte oordeel van het hof is daarom, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,