Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK2707

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-09-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
08/01382
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK2707
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Middel over bijzondere voorwaarde verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde straf. HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1355
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/01382

Mr. Vegter

Zitting: 15 september 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen een termijn van zes maanden nadat de proeftijd is ingegaan aan de Advocaat-Generaal bescheiden overlegt ten bewijze dat een bedrag van € 550,- door hem is betaald aan [betrokkene 1] tot vergoeding van de schade die door het strafbare feit is veroorzaakt. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast.

2. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel is gericht tegen de bijzondere voorwaarde die het Hof heeft verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde straf.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 3 februari 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een personenauto, merk Audi, type A3, kleur zilver, heeft weggenomen een bruine lederen tas met daarin onder meer een mobiele telefoon, merk Benq Siemens en meerdere kledingstukken, toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door een ruit van voornoemde personenauto te forceren."

5. In eerste aanleg heeft het slachtoffer [betrokkene 1] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. De Politierechter heeft ten aanzien van haar vordering het volgende overwogen:

"De vordering van de benadeelde partij, [betrokkene 1], is niet eenvoudig genoeg om in deze strafzaak te worden behandeld. De politierechter overweegt in dit verband dat de vordering op een laat moment is ingebracht en deels in de Duitse en deels in de Engelse taal is gesteld, terwijl de raadsman heeft verklaard de stukken onvoldoende tijdig te hebben ontvangen om nog voor vertaling te kunnen zorgen en daardoor in zijn verdediging te zijn geschaad. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering. Zij kan die nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen."

6. De Officier van Justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Zijn appelmemorie houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

"Benadeelde partij

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in het Nederlands moet worden gedaan. Dit verweer is door de politierechter verworpen. Ik deel dit standpunt. De wet stelt dit vereiste niet, bepalend is mijns inziens of de vordering begrijpelijk is en eenvoudig van aard is.

Voorts heeft de advocaat betoogd dat hij het voegingsformulier (gehecht aan deze appelmemorie) pas kort van tevoren had ontvangen en dit in het Duits en Engels is opgesteld, welke talen voor hem moeilijk te begrijpen zijn. Naar aanleiding van dit verweer heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Mijn inziens ten onrechte.

Ik vind dit belangrijke en principiële punten en verwijs ook naar de Aanwijzing slachtofferzorg (2004A004) waarin onder meer het volgende is opgenomen: "Het openbaar ministerie laat de belangen van het slachtoffer meewegen in de beslissing om tegen een vonnis dan wel arrest in hoger beroep dan wel in cassatie te gaan."

Inhoudelijk stel ik mij op het standpunt dat de vordering eenvoudig van aard is een zeer goed begrijpelijk, ook nu de toelichting van [de] vordering in de Engelse taal is gedaan en twee rekeningen (betreffende de vernielde autoruit) in de Duitse taal zijn. De vordering ter hoogte van € 553,29 had naar mijn mening integraal toegewezen dienen te worden. Ter terechtzitting heb ik ter onderbouwing van mijn standpunt aangegeven dat alle door de benadeelde partij in haar vordering opgegeven goederen (items 4 tm 10) ook worden genoemd in haar aangifte en ik heb ter terechtzitting ook de vertaling naar het Nederlands gegeven van deze items (leather bag, brown= bruine leren tas; jacket, cognac coloured (Hess Natur), cognac kleurig jasje van het merk Hess Natur et cetera) en benadrukt dat al deze items in de aangifte (in de Nederlandse taal) zijn opgesomd. Daarbij komt dat de benadeelde van alle items bonnen heeft bijgevoegd. Bovendien heeft de verdediging louter in algemene bewoordingen gesteld de vordering niet te begrijpen, doch niet aangegeven welke aspecten en/of posten toelichting behoefden. Tenslotte heb ik ter terechtzitting aangeboden i.v.m. items 8, 9 en 10 wisselkoersinformatie te overleggen."

7. Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden met aftrek van voorarrest en voorts de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De politierechter heeft daarnaast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf verlengd met 1 jaar met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen van Reclassering Nederland.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts vordert zij dat de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] wordt toegewezen tot een bedrag van 553,29 euro en dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Daarnaast vordert de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging te gelasten van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 120 dagen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een auto inbraak. Auto inbraken zijn zeer ergerlijke feiten die gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken en krachtig bestreden dienen te worden. Daarnaast wordt rechtstreekse schade aan de benadeelde berokkend.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 januari 2008 is verdachte reeds verschillende malen eerder veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen ter zake van diefstallen en inbraken. Niet alleen heeft verdachte, ten aanzien van het bewezengeachte, zich vóór het einde van voormelde proeftijd wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Ook is verdachte nadien veroordeeld voor een nieuw delict waarin hij schuldig is bevonden voor poging tot diefstal door middel van braak. Volgens het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, door J. de Wilde, d.d. 30 maart 2007, is verdachte een 'harde kern jongere' en een recidivist. De verdachte is een veelpleger en leert zichtbaar niet van zijn fouten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw gevoegd in hoger beroep zodat de vordering niet aan het oordeel van het hof is onderworpen."

8. Het Hof heeft vervolgens de onder 1 vermelde straf opgelegd. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde heeft verbonden dat de verdachte, kort gezegd, aan het slachtoffer een schadevergoeding betaalt. Daartoe wordt aangevoerd dat het slachtoffer zich in hoger beroep niet opnieuw in het geding heeft gevoegd, hetgeen de conclusie zou rechtvaardigen dat zij "geen prijs meer stelt op de behandeling van [haar] vordering en mitsdien heeft afgezien van het verkrijgen van schadevergoeding via de strafrechter. Onder die omstandigheden stond het de strafrechter niet vrij om de schade geleden door de benadeelde partij middels toepassing van artikel 14c lid 2 onder 1 Sr te doen vergoeden. Immers, zou dat de strafrechter wel vrij staan, dan zou dat erop neerkomen [dat] het slachtoffer - welke immers heeft afgezien van haar recht op verhaal via de strafrechter - tegen zijn wil wordt geconfronteerd met een schadevergoeding door de dader, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever is geweest."

9. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR 25 juni 1991, NJ 1992, 216, m.nt. C. Voor zover van belang houdt het arrest het volgende in:

"9. Beoordeling van het zesde middel

Het middel faalt omdat de regeling met betrekking tot de voorwaarden welke aan een voorwaardelijke veroordeling kunnen worden verbonden geheel los staat van de regeling betreffende de voeging van de beledigde partij.

10. Beoordeling van het vijfde en van het zevende middel

10.1. Op de door het arrondissementsparket te 's-Hertogenbosch schriftelijk gestelde vragen of het tengevolge van het onderhavige strafbare feit ten onrechte uitgekeerde bedrag werd terugbetaald dan wel of een terugbetalingsregeling werd getroffen heeft het hoofd van de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gem. Rosmalen geantwoord:

"Het college van burgemeester en wethouders heeft destijds ten aanzien van de terugvordering geen nadere stappen ondernomen, omdat de vordering verjaard was. Desondanks heeft betrokkene op 25 nov. 1988 een bedrag betaald van f 6500 ineens. Voor wat betreft de terugvordering is hiermede de kwestie voor de gem. Rosmalen afgedaan."

10.2. Zoals uit de hiervoor onder 7.1 weergegeven overweging blijkt heeft de verdachte ter 's hofs terechtzitting gesteld "aan de gem. Rosmalen ter finale kwijting een bedrag van f 6500 te hebben betaald". Met de overweging dat "geenszins aannemelijk is geworden dat de gem. Rosmalen de betaling van die restant-schuld niet zal aanvaarden" heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het deze stelling van de verdachte zo onaannemelijk achtte dat het meende die te kunnen passeren.

10.3. Aangezien het hiervoor onder 10.1 weergegevene evenwel geenszins de juistheid van bedoelde stelling uitsluit had het hof niet zonder die juistheid nader te onderzoeken mogen overwegen hetgeen onder 10.2 uit de bestreden uitspraak is geciteerd. De uitslag van dit onderzoek is nl. van betekenis voor het antwoord op de vraag of een voorwaarde als onder 8.1 bedoeld kan worden gesteld: dit is niet mogelijk indien de gemeente afstand heeft gedaan van elke aanspraak op verdere vergoeding van de door haar geleden schade.

10.4. Mitsdien is de motivering van de strafoplegging in de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed en zijn de middelen gegrond."

10. Indien het slachtoffer afstand doet van elke aanspraak op (verdere) schadevergoeding kan de strafrechter schadevergoeding niet als bijzondere voorwaarde opleggen.(1) Dat ligt voor de hand, omdat wanneer het slachtoffer afstand doet van elke aanspraak op betaling van de desbetreffende schuld (in de vorm van een verbintenis tot vergoeding van de aangerichte schade) en die schuld dus in wezen kwijtscheldt, de verdachte geen in te lossen schuld aan het slachtoffer meer heeft. In de onderhavige zaak blijkt evenwel niet dat het slachtoffer afstand heeft gedaan van haar recht op schadevergoeding. Zij heeft zich enkel in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Daaruit kan, zoals in het middel wordt aangevoerd, weliswaar worden afgeleid dat het slachtoffer geen prijs meer stelde op behandeling van haar vordering door de strafrechter in hoger beroep, maar niet, althans niet zonder meer, dat het slachtoffer afstand heeft gedaan van elke aanspraak op schadevergoeding. In feite is er weinig verschil met de situatie waarin het slachtoffer van meet af aan zou hebben afgezien van een voeging als benadeelde partij in het strafproces, al dan niet omdat zij meer heil verwachtte van een vordering bij de civiele rechter.

11. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat het enkele feit dat het slachtoffer zich in hoger beroep niet opnieuw in het geding heeft gevoegd niet in de weg staat aan het stellen van meergenoemde bijzondere voorwaarde getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is het evenmin, in aanmerking genomen dat de gedingstukken noch aanwijzingen bevatten dat het slachtoffer geen aanspraak op schadevergoeding meer maakte, noch dat de verdediging zulks in hoger beroep heeft aangevoerd.(2) Het Hof heeft kunnen oordelen dat aan de basisvoorwaarde voor de schadevergoedingsvoorwaarde is voldaan: verdachte is naar regels van burgerlijk recht aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade.

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in artikel 81 RO bedoelde motivering.(3)

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aldus ook F.W.Bleichrodt, Onder voorwaarde, Deventer 1996, p.72 (de toelichting op het middel verwijst hier eveneens naar).

2 Gelet op de gang van zaken in eerste aanleg heeft het er de schijn van dat het slachtoffer bij de Politierechter niet het volle pond heeft gekregen. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat zij van een voeging in hoger beroep heeft afgezien omdat zij daarvan weinig verwachtte en niet omdat zij geen prijs meer stelde op schadevergoeding. De redenering van de Politierechter lijkt in hoofdzaak te zijn ingegeven door overwegingen van proceseconomie. Met zijn argumenten had de raadsman een sleutel voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting in de hand. De argumenten (late en onvertaalde vordering) kunnen de conclusie dat de vordering niet eenvoudig was inhoudelijk niet dragen.

3 Vgl. (de conclusie voor) HR 6 december 2005, LJN AU5498 (niet gepubliceerd).