Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK2002

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
22-12-2009
Zaaknummer
09/01586
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK2002
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek om tussen partijen echtscheiding uit te spreken. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 56
JWB 2009/527
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/01586

Mr L. Strikwerda

Parket, 30 okt. 2009

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: de man, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 20 januari 2009. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van de man de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 13 februari 2008, waarbij op verzoek van verweerster in cassatie, hierna: de vrouw, tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken, bekrachtigd.

2. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

3. Het cassatieberoep berust op twee middelen. De middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

4. Middel I berust in zijn geheel op het uitgangspunt dat van duurzame ontwrichting van het huwelijk slechts sprake kan zijn indien tussen de echtgenoten sprake is geweest van samenleven in de gebruikelijke zin, en niet indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is geweest van een beperkte samenleving doordat de echtgenoten hun eigen woning hebben behouden en een eigen huishouding hebben gevoerd.

5. Het door het middel gekozen uitgangspunt kan niet als juist worden aanvaard. Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien de voortzetting der samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen. Vgl. Asser-De Boer, Personen- en familierecht (2006), nr. 603, en Kluwers Personen- en familierecht, losbl., Art. 151, aant. 2 (S.F.M. Wortmann), telkens met rechtspraakgegevens.

6. Hoe de echtgenoten hun huwelijkse samenleving hebben vormgegeven is niet van belang. Beslissend is of de samenleving zoals deze tussen de echtgenoten heeft bestaan ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen in de vorm zoals deze tussen de echtgenoten gebruikelijk was. Terecht heeft het hof daarbij de omstandigheid dat de vrouw gemotiveerd heeft gesteld en ook is blijven stellen "dat zij haar leven met de man, ook op de wijze zoals zij en de man daaraan tot voor enige jaren terug invulling hebben gegeven, niet wenst te hervatten", opgevat als een ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting inderdaad bestaat (r.o. 6). Vgl. HR 6 december 1996, NJ 1997, 189.

7. Middel II bevat twee klachten.

8. De eerste klacht verwijt het hof de feitelijke stellingen van de vrouw te hebben aangevuld.

9. De klacht kan niet tot cassatie leiden reeds omdat het middel niet aangeeft om welke feitelijke stellingen het gaat.

10. De tweede klacht houdt in dat het hof de vrouw bewijs had moeten opdragen van haar stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

11. De klacht faalt omdat het hof op grond van de ten processe als vaststaand gebleken feiten en omstandigheden (de volhardende stellingname van de vrouw; al enige tijd geen sprake meer van een gezamenlijk leven) tot het oordeel is kunnen komen dat het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd, en daarom terecht heeft geoordeeld bevoegd noch gehouden te zijn de vrouw bewijs op te dragen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,