Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK1289

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
27-10-2009
Zaaknummer
07/12304 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK1289
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Bewijsklacht. Aan zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel t.a.v. vrachtauto’s heeft het Hof klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat dit voordeel is verkregen door verkoop door betrokkene van onderdelen van deze gestolen vrachtauto’s aan X B.V. Uit de aan de schatting ten grondslag gelegde bewijsmiddelen t.a.v die vrachtauto’s kan niet volgen dat het de gestolen vrachtauto’s zijn waarvan onderdelen aan X B.V. zijn verkocht. ‘s Hofs schatting is daarom in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1286
NJB 2009, 2095

Conclusie

Nr. 07/12304 P

Mr Fokkens

Zitting: 25 augustus 2009

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 10 augustus 2007, nr. 24-000100-06 aan [betrokkene] de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 37.340,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Tegen deze uitspraak heeft veroordeelde cassatieberoep doen instellen(1).

3. Namens veroordeelde heeft mr J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingediend.

4. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn in de vervolging. Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat het SFO aanvankelijk was gegrond op drugsgerelateerde delicten terwijl de uiteindelijke ontnemingsvordering betrekking heeft op de diefstal van vrachtwagens. Het openbaar ministerie zou hebben nagelaten ofwel het SFO te sluiten ofwel een aanvullende vordering te doen.

5. Het Hof heeft het ter zitting gevoerde verweer samengevat en erop beslist als volgt:

'De raadsvrouw heeft - kort samengevat - aangevoerd, dat het strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna te noemen: sfo) aanvankelijk was gegrond op andere strafbare feiten dan de onderhavige. Nu op zeker moment deze grondslag is komen te vervallen en het onderzoek is verlegd naar de onderhavige feiten, had de officier van justitie het sfo onmiddellijk moeten sluiten en/of een aanvullende vordering moeten doen. Nu dit niet is gebeurd is sprake van een vormverzuim waarmee een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Gelet hierop is de raadsvrouw primair van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

[...]

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw reeds hierom, omdat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik is gemaakt van gegevens die rechtstreeks zijn ontleend aan het strafdossier. De berekening is niet gebaseerd op enige aan een sfo te ontlenen bevoegdheid. Dat er een financieel rapport is opgesteld doet daaraan niet af. Dat rapport geeft slechts een overzicht en interpretatie van door de opsporingsambtenaren in het kader van de strafzaak vastgestelde financiële gegevens.'

6. De vordering tot het instellen van een SFO van 3 juni 2003 houdt kort samengevat als vermoedelijk door verdachte gepleegde feiten in:

- 1. het tussen 10 april 2001 en 24 mei 2003 deelnemen aan een criminele organisatie;

- 2. het tussen 10 april 2001 en 24 mei 2003 telen en verhandelen van hennep;

- 3. het tussen 10 april 2001 en 24 mei 2003 verhandelen en invoeren van cocaïne.

De vordering is gebaseerd op een rapport waarin naast de vermelding van de grootschalige drugshandel wordt gerelateerd dat de thans veroordeelde en zijn vader 'zich dagelijks bezig houden met het stelen van vrachtauto's, tractoren, minigravers, compressoren en dergelijke in Nederland en Duitsland. [Betrokkene 2] (de vader van veroordeelde, JWF) brengt zijn zoon [betrokkene] (veroordeelde, JWF) meestal naar de plaats waar zij de vrachtauto of het betreffende voertuig gaan stelen. Na de diefstal wordt de vrachtauto naar het kampje in [plaats] gereden en gestald in een op het kampje omheinde ruimte. Het voertuig wordt gesloopt en in delen verkocht' (Aanvraag SFO, rapport L.J. van Oene, 23 mei 2003, p. 3).

7. Het lijkt er dan ook op dat het verweer reeds had moeten stranden bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu de bedoelde autodiefstallen worden vermeld in de aanvrage SFO.

8. Het middel komt overigens tevergeefs op tegen de verwerping door het Hof, omdat het verweer op een verkeerde rechtsopvatting berust. Een strafrechtelijk financieel onderzoek beperkt zich uit de aard der zaak niet tot voordeel dat afkomstig is van de feiten die in de vordering en de machtiging worden genoemd. Geen enkele bepaling verplicht om een aanvullende machtiging te vragen indien tijdens het SFO aannemelijk wordt dat ook uit andere feiten wederrechtelijk verkregen voordeel is voortgekomen. Die feiten behoeven ook niet geconcretiseerd te worden, zoals volgt uit het bepaalde in art. 36e, derde lid, Sr. Vgl. HR 16 augustus 2005, NJ 2005, 489 rov. 3.6.2.

9. Evenmin kan uit art. 126f Sv volgen dat de verplichting bestaat het SFO te sluiten indien tijdens het onderzoek de nadruk komt te liggen op 'andere feiten'. Art. 126f lid 2 Sv schrijft de sluiting van het SFO voor indien de verdachte niet wordt veroordeeld ter zake van het strafbare feit of het misdrijf bedoeld in art. 36e lid 1 of lid 3 Sr. [Betrokkene] is op 3 februari 2004 door de Rechtbank te Zwolle en op 3 augustus 2004 door het Hof te Arnhem veroordeeld wegens 'deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven', een feit dat was opgenomen in de vordering en machtiging tot het instellen van een SFO. De omstandigheid dat uiteindelijk geen vervolging en dus ook geen veroordeling plaats vond ter zake van de andere in de vordering en machtiging tot het instellen van een SFO vermelde feiten, betekent niet dat het SFO voor die feiten moest worden gesloten. Vgl. HR 14 september 1999, NJ 2000, 55 rov. 4.3. e.v.

10. Het Hof heeft het verweer terecht verworpen. Het middel faalt.

11. Het tweede middel klaagt over de wijze waarop het Hof wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld met betrekking tot een viertal vrachtauto's genummerd 10, 11, 23 en 25.

12. Het betreft vrachtauto's waarvan - op basis van het overzicht dat het Hof onder 8.2.1 bezigt - kan worden aangenomen dat die zijn ontvreemd op of omstreeks (achtereenvolgens) 16 januari 2003; 28 januari 2003; 28 mei 2003 en 4 juni 2003.

13. Onder 8.2.15 bezigt het Hof een verklaring van [betrokkene 1] waarin hij verklaart dat hij van veroordeelde op 16 januari 2003 een chassis heeft gekocht voor € 7.940; op 28 januari 2003 van iemand van het woonwagenkamp een chassis voor € 4.500 en op 4 juni 2003 van veroordeelde een v6 blok met chassis voor € 3.500,-. Het Hof heeft het voordeel van veroordeelde voor de vrachtauto's 10, 11 en 25 aan de hand van deze bedragen vastgesteld.

14. Voorts heeft het Hof onder 8.2.9 met betrekking tot vrachtauto 23 de verklaring en het kasboek van [betrokkene 1] gebezigd waaruit blijkt dat [betrokkene 1] op 28 mei 2003 van veroordeelde onderdelen heeft gekocht ter waarde van € 3.500,-.

15. Het oordeel van het Hof, dat de ontvangen bedragen verband houden met dit viertal gestolen vrachtauto's, is mijns inziens onvoldoende gemotiveerd. Uit niets blijkt dat veroordeelde en zijn mededaders op enigerlei wijze bij een van deze vier diefstallen was betrokken of dat de verkochte onderdelen van de gestolen vrachtauto's afkomstig waren.

16. Het middel is gegrond.

17. Het derde middel klaagt over schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. Daartoe wordt gewezen op het feit dat op 2 september 2003 aan veroordeelde de vordering SFO is uitgereikt en op het feit dat de Hoge Raad ruim acht maanden na het arrest van het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan.

18. In cassatie kan echter niet met vrucht worden geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak, indien de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de veroordeelde en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 rov. 3.9 onder a; HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307 rov. 3.2). Voor ontnemingszaken geldt hetzelfde: HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 rov. 3.9. De raadsvrouwe van veroordeelde was ter zitting van het Hof aanwezig en verklaarde daar uitdrukkelijk door veroordeelde te zijn gemachtigd. Over onredelijke vertraging heeft zij niet geklaagd. Het tijdsverloop vóór 10 augustus 2007 moet daarom buiten beschouwing blijven.

19. Voor zover wordt geklaagd over de voortgang van de behandeling van de onderhavige zaak in cassatie, geldt dat deze klacht onbesproken moet blijven nu het tweede middel slaagt en na vernietiging verwijzing moet volgen (NJ 2008, 358, rov. 3.5.3).

20. Het middel kan niet slagen.

21. Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak ter verdere berechting op het bestaande hoger beroep zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1. Om misverstanden te vermijden, wijs ik erop dat het Hof eveneens bij arrest van 10 augustus 2007 onder nummer 24-001025-06 aan de vader van de veroordeelde, die eveneens [betrokkene 2] is genaamd, de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van € 8.634,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het door die veroordeelde tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is op 31 oktober 2007 ingetrokken.