Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK1207

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
18-12-2009
Zaaknummer
09/02236
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK1207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek om toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 1, aanhef en onder b F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 45
JWB 2009/498
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/02236

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 23 oktober 2009

CONCLUSIE inzake:

1. [Verzoeker 1]

2. [Verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen

Deze WSNP-zaak komt in aanmerking voor afdoening met toepassing van art. 81 RO; er wordt met een verkorte conclusie volstaan.

1. Verzoekers tot cassatie (hierna: '[verzoeker 1]' en '[verzoekster 2]') zijn echtgenoten. Hun gezamenlijke schuldenlast bedraagt ca € 124.500 en bestaat, naast een belastingschuld van € 24.312 - die inmiddels door een verrekening is verlaagd - uit onder meer schulden aan Santander Consumer Finance Benelux B.V. (Comfort Card) van € 31.781,32, aan PrimeLine van € 11.250 en aan Reco Calamiteiten Herstel B.V. (hierna: 'RCH') van € 38.807,42, die alle verband houden met de financiering respectievelijk het uitvoeren van herstelwerkzaamheden na een brand in de woning van het echtpaar in april 2007. Brand- en inboedelverzekeraar FBTO had de dekking van de verzekering geschorst wegens een achterstand in de premiebetaling.

2. Bij inleidende verzoekschriften, ingediend op 26 januari 2009, hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] de rechtbank Utrecht verzocht om ten aanzien van ieder van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken (art. 284 lid 1 Fw). Bij vonnissen van 23 maart 2009 heeft de rechtbank de verzoeken afgewezen op de grond dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest (art. 288 lid 1, aanhef en sub b Fw).

Van voormelde vonnissen zijn [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem. Na een mondelinge behandeling op 18 mei 2009 heeft het hof bij arrest van 28 mei 2009 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

Namens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] is tegen dit arrest tijdig(1) cassatieberoep ingesteld.(2)

3. Het cassatieverzoekschrift bevat één middel, dat gericht is tegen 's hofs oordeel dat het hoger beroep faalt (rov. 3.5) en de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen (3.1 tot en met 3.4).(3) Het middel valt uiteen in een aantal (ongenummerde) klachten en subklachten.

4. De eerste klacht luidt dat het hof ten onrechte heeft overwogen (rov. 3.4) dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ook in hoger beroep niet hebben aangetoond dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden aan Santander Consumer Finance, PrimeLine en RCH in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de verzoekschriften zijn ingediend te goeder trouw zijn geweest.

4.1 Daartoe wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] zich na de brand in 2007 geplaatst zagen voor de problematiek hoe de woning moest worden hersteld nu zij meenden verzekerd te zijn maar FBTO pretendeerde de verzekering te hebben opgeschort. Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 3.4 neemt het hof immers in overweging dat volgens de verklaring van [verzoeker 1] ter zitting van het hof al vrij snel na de brand duidelijk was dat brand- en inboedelverzekeraar FBTO zich beriep op schorsing van de dekking van de verzekering wegens een achterstand in de premiebetaling en dat zij op deze grond niet tot vergoeding zou overgaan van de brandschade.

4.2 Voorts wordt geklaagd dat het hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het feit dat, zoals volgens het middel door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ter zitting van het hof d.d. 18 mei 2009 is betoogd, er tegen FBTO een procedure loopt welke ertoe zal leiden dat FBTO door de rechtbank Utrecht zal worden veroordeeld om alsnog de schade te betalen.(4) Voormeld betoog wordt in het proces-verbaal niet aangetroffen. Voor zover wordt gedoeld op het betoog van de advocaat van verzoekers ter zitting (zie de aan het p-v gehechte schriftuur van mr Röschlau, p. 1) dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] er vertrouwen in hebben dat een nog te voeren procedure tegen FBTO (ter zake waarvan een concept dagvaarding wordt overgelegd) ertoe zal leiden dat de schade alsnog zal worden vergoed, faalt de klacht evenzeer. Het hof heeft geoordeeld dat verzoekers geen goede trouw in de zin van art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw hebben aangetoond nu zij op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt dat zij in staat waren de aan de aanzienlijke kredieten bij Santander Consumer Finance en PrimeLine verbonden lasten te voldoen indien een schade-uitkering zou uitblijven, en door desondanks deze kredietovereenkomsten aan te gaan ter financiering van het herstel van hun woning, bewust het risico hebben genomen dat zij de kredietverstrekkers niet zouden kunnen terugbetalen. Het hof is kennelijk van oordeel dat het gestelde vertrouwen in de goede afloop van een nog te voeren procedure tegen FBTO aan dit risico niet afdoet. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw en is niet onbegrijpelijk.

4.3 Verder wordt aangevoerd dat de schulden aan Santander Consumer Finance en PrimeLine voortvloeien uit het gebruik van creditcards, waarbij de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten de opname en afbetaling van de bedragen in kwestie toelieten. Deze klacht moet reeds falen omdat zij berust op een feitelijk novum.(5) Voorts is het gestelde niet relevant bij de beantwoording van de voorliggende vraag naar goede trouw in de zin van art. 288 Fw.

4.4 Ten slotte wordt geklaagd(6) dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de door de rechtsbijstandverzekeraar FBTO namens [verzoeker 1] en [verzoekster 2] gedane betwisting van de vordering van aannemer RCH voor zover deze vordering hoger is dan € 17.800,-, welke betwisting erop stoelt dat de aannemer een aantal fouten heeft gemaakt bij het herstel. De klacht faalt reeds omdat een beroep op die betwisting niet in de processtukken wordt aangetroffen.

5. De tweede klacht betreft, zo begrijp ik, het oordeel van het hof dat evenmin aannemelijk is geworden dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan van de belastingschuld te goeder trouw zijn geweest (rov. 3.4). Het hof heeft daartoe overwogen dat uit de stukken blijkt dat de aanzienlijke belastingschuld het gevolg is van foutieve aangiften omzetbelasting betreffende de jaren 2007 en 2008 en het ten onrechte opvoeren van herstelkosten van de woning op de resultaten van de onderneming van [verzoekster 2]. Geklaagd wordt dat het hof er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat met de belastinginspecteur inmiddels een schikking is getroffen die bovendien heeft geresulteerd in een veel lager bedrag te weten pro resto € 9.000.(7) Voor zover de klacht daarmee het oog heeft op de stelling van de advocaat ter zitting van het hof dat ten aanzien van de BTW inmiddels een verrekening en een correctie heeft plaatsgevonden - onder overlegging van een mededeling van de belastingdienst d.d. 11 april 2009 dat als gevolg van een verrekening ad € 2.799 van een naheffingsaanslag ad € 15.280 nog een bedrag ad € 9.915 openstaat(8) - mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft immers vastgesteld dat de belastingschuld inmiddels door een verrekening is verlaagd (rov. 3.1). Kennelijk is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet meebrengt dat verzoekers te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan van de belastingschuld. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw en is niet onbegrijpelijk.

6. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Binnen acht dagen (art. 292 lid 5 Fw).

2 Het cassatieverzoekschrift is van 4 juni 2009. Bij brief van 9 juni 2009 heeft mr. J. Groen een nieuw exemplaar toegezonden met het verzoek de daarin herstelde fouten als hersteld te beschouwen in het oorspronkelijke verzoekschrift. Vergelijking van de beide exemplaren van de verzoekschriften leert dat het uitsluitend gaat om een tiental taalkundige verbeteringen en opmaakwijzigingen, zodat niet de vraag aan de orde is of de verbeterde versie van het cassatieverzoekschrift kan worden toegelaten.

3 In rov. 3.1 geeft het hof feiten weer; in rov. 3.2 verwoordt het hof de beoordeling van de rechtbank; in rov. 3.3 worden de standpunten van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] weergegeven; in rov. 3.4 en 3.5 volgt de beoordeling door het hof.

4 Cassatieverzoekschrift p. 2 i.v.m. p. 4, tweede alinea.

5 In het proces-verbaal van de zitting op 16 maart 2009, p. 2, wordt slechts gesproken van het gebruik van creditcards naast het aangaan van een lening.

6 Cassatieverzoekschrift p. 4, eerste en tweede alinea.

7 Cassatieverzoekschrift p. 3 i.v.m. p. 4, tweede alinea.

8 Schriftuur mr Röschlau, prod. 3.