Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK0869

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
08/05269
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK0869
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Afwijzing door appelrechter van verzoek om in eerste aanleg niet bestreden verzoek tot echtscheiding in appel alsnog af te wijzen. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 8
JWB 2009/491
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/05269

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 16 oktober 2009

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Inleiding

1. Deze zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie nu de in het cassatiemiddel tegen de bestreden beschikking aangevoerde klachten - die zich richten tegen 's hofs oordeel dat de rechtbank met juistheid de echtscheiding tussen partijen (verder ook: de vrouw en de man) heeft uitgesproken - naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO.

2. In het onderhavige echtscheidingsgeding heeft de rechtbank te Amsterdam bij beschikking van 19 maart 2008 op verzoek van de man de echtscheiding tussen partijen uitgesproken met aanhouding van iedere verdere beslissing, waaronder een beslissing inzake de door de vrouw - die met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding geen verweer voerde - verzochte partneralimentatie en een beslissing inzake de door de vrouw en de man verzochte nevenvoorziening omtrent de echtelijke (huur)woning.

De vrouw heeft hoger beroep aangetekend met het verzoek de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot echtscheiding alsnog af te wijzen, aanvoerende primair dat het huwelijk van patijen niet duurzaam is ontwricht en dat haar recht om gehuwd te blijven dient te prevaleren boven het recht op echtscheiding en subsidiair dat zij belang heeft bij herstel van de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 25 september 2008 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en de vrouw in de kosten veroordeeld. Het heeft daartoe overwogen als volgt. De echtscheiding wordt op verzoek van één van partijen uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen moet als vaststaand worden aangenomen nu gebleken is dat partijen reeds geruime tijd gescheiden leven, de man inmiddels een nieuwe partner heeft en de man volhardt in zijn stelling dat verzoening tussen partijen uitgesloten is. Ook het subsidiaire standpunt van de vrouw faalt. Indien de echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken, kan de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorziening slechts kan worden hersteld op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn niet gebleken. Dat in de echtscheidingsprocedure - bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 9 juli 2008 waarin de rechtbank heeft beslist op de verzochte nevenvoorzieningen - is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de echtelijke woning en dat de vrouw, zoals zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, niet in staat is vervangende woonruimte te vinden, maakt het vorenstaande niet anders. Evenmin brengt de omstandigheid dat nog geen definitieve onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw is vastgesteld met zich dat bovenvermelde band dient te worden hersteld nu ter zitting is gebleken dat bij wege van voorlopige voorziening een alimentatieverplichting ten laste van de man is vastgesteld. Het hof ziet aanleiding de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen.

3. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De cassatiemiddelen

4. Middel 1 richt zich tegen 's hofs verwerping van het primaire standpunt van de vrouw dat geen sprake is van duurzame ontwrichting. Het middel faalt. 's Hofs oordeel dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen als vaststaand moet worden aangenomen op grond van de omstandigheid dat partijen al geruime tijd gescheiden leven, de man inmiddels een nieuwe partner heeft en dat de man volhardt in zijn stelling dat verzoening uitgesloten is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het middel, dat uitgaat van de onjuiste veronderstelling dat sprake is van een rechtens te honoreren grondrecht van de vrouw om gehuwd te willen blijven, faalt met zijn betoog dat het enkele feit dat de vrouw heeft gesteld dat zij, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, de voorkeur geeft aan het voortzetten van de huwelijkse relatie, maakt dat geen sprake is van een duurzame ontwrichting.

5. Middel 2 richt zich tegen 's hofs verwerping van het subsidiaire standpunt van de vrouw dat de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen moet worden hersteld. Het middel komt - terecht - niet op tegen 's hofs vooropstelling dat indien de echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken, de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorziening slechts kan worden hersteld op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden. Zie HR 2 april 1999, NJ 1999, 656 en HR 9 april 1999, NJ 1999, 657, m.nt. Wortmann. Het middel strekt ten betoge dat 's hofs oordeel dat dergelijke omstandigheden niet zijn gebleken, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is gelet op het belang van de vrouw bij het herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen inzake de echtelijke woning en inzake de alimentatie.

6. Het middel betoogt ten eerste dat het hof ten onrechte de stelling van de vrouw heeft verworpen dat zij recht en belang heeft bij herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorziening inzake de echtelijke woning. Het middel voert daartoe aan dat de vrouw in hoger beroep is gekomen van de beschikking van 9 juli 2008 waarin de rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de echtelijke woning en dat nog geen voorlopige voorziening is getroffen inhoudende dat de vrouw voor de duur van het echtscheidingsgeding bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke huurwoning, welke voorlopige voorziening ingevolge art. 826 lid 1 aanhef en onder a Rv. haar kracht zou behouden totdat de beschikking d.d. 9 juli 2008 houdende de nevenvoorziening inzake het huurrecht van de echtelijke woning kracht van gewijsde heeft verkregen. Het middel betoogt in dat verband dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen heeft afgewezen en dat de vrouw opnieuw een voorlopige voorziening zal vragen.

Het betoog faalt. Het hof had te oordelen over de vraag of door de vrouw in appel bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die maakten dat de band tussen de echtscheiding en de door de vrouw verzochte nevenvoorziening betreffende de echtelijke huurwoning (te weten het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) die door de rechtbank was "verbroken", moest worden hersteld door het hoger beroep tegen de beslissing tot echtscheiding gegrond te achten al kon de echtscheiding zelf niet worden betwist. Het hof heeft, zoals hiervoor weergegeven, geoordeeld dat van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken en dat dit niet anders wordt doordat bij beschikking van de rechtbank van 9 juli 2008 met betrekking tot dit verzoek - en het nevenverzoek van de man - is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking huurder zal zijn van de echtelijke woning en doordat de vrouw, zoals zij ter zitting heeft verklaard, niet in staat is andere woonruimte te vinden. (Uit de door mij ambtshalve opgevraagde beschikking van de rechtbank, die zich niet in het door de vrouw ingediende dossier bevindt, blijkt dat de rechtbank van oordeel was dat het nevenverzoek van de vrouw moest worden afgewezen.) Daarmee heeft het hof aangegeven dat naar zijn oordeel in appel door de vrouw geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die maakten dat de band tussen de echtscheiding en de door de vrouw verzochte nevenvoorziening betreffende de echtelijke woning moest worden hersteld. 's Hofs oordeel, dat is verweven met waarderingen van feitelijke aard, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het middel, dat aanvoert dat zulks anders is gelet op door de vrouw te verrichten processuele handelingen, faalt ook reeds omdat het nalaat aan te geven dat de vrouw in appel reeds een beroep daarop heeft gedaan. (Volledigheidshalve teken ik aan dat uit ambtshalve door mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat het hof inmiddels bij beschikking van 1 september 2009 het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 9 juli 2008 heeft verworpen met de overweging dat de vrouw haar belang bij voortgezet gebruik van de woning onvoldoende heeft aangetoond.)

7. Het middel betoogt ten tweede dat het hof ten onrechte de stelling van de vrouw heeft verworpen dat zij recht en belang heeft bij herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorziening inzake de onderhoudsbijdrage. Ook dat betoog faalt. Het miskent dat bij wege van voorlopige voorziening een alimentatieverplichting is vastgesteld en dat deze voorlopige voorziening ingevolge art. 826 lid 1 onder c Rv. van kracht blijft totdat een beslissing op het (neven)verzoek een onderhoudsbijdrage vast te stellen, bij toewijzing, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel, bij afwijzing, in kracht van gewijsde gaat. 's Hofs oordeel dat gelet op die voorlopige voorziening de omstandigheid dat geen definitieve bijdrage is vastgesteld, niet een omstandigheid oplevert die meebrengt dat de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorziening moet worden hersteld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

8. Middel 3, dat zich richt zich tegen 's hofs oordeel dat de vrouw moet worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, bouwt voort op de middelen 1 en 2 en moet derhalve reeds daarom falen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden