Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK0863

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
09/00591
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2008:BH3758
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK0863
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Gedwongen ontheffing van het gezag over minderjarig kind op de voet van art. 1:268 lid 2 onder a BW juncto 1:254 BW. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 9
JWB 2009/477
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/00591

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Parket 16 oktober 2009

Conclusie inzake

[De moeder]

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Rijnmond

Inleiding

1. Deze zaak betreffende de gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag van thans verzoekster tot cassatie (verder: de moeder) over haar minderjarige zoon, komt in aanmerking voor een verkorte conclusie nu de in de cassatiemiddelen tegen de bestreden beschikking aangevoerde klachten naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Thans verweerster in cassatie (verder: de raad) heeft bij inleidend verzoekschrift van 10 januari 2007 verzocht de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar op [geboortedatum] 2002 geboren zoon [de zoon] die sinds mei 2003 onder toezicht staat en uit huis is geplaatst.

De rechtbank te Rotterdam heeft dit verzoek bij beschikking van 12 april 2007 toegewezen, daarbij het advies van de raad volgend dat het in het belang van [de zoon] is om de moeder van het ouderlijk gezag te ontheffen.

Het hof te 's-Gravenhage heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 12 november 2008. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting tot de slotsom gekomen dat de wettelijke gronden van art. 1:268 lid 2 onder a BW voor de gedwongen ontheffing van het gezag van de moeder over [de zoon] aanwezig zijn, te weten dat na een uithuisplaatsing van meer dan 1 jaar en 6 maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om een bedreiging als bedoeld in art. 1: 254 BW af te wenden (een zodanig opgroeien van [de zoon] dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd). Het hof heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op het rapport van de raad van 2 januari 2007. Uit dat rapport is het hof gebleken dat [de zoon] door zijn kindeigen problematiek langdurig meer zorg nodig heeft dan een gemiddelde opvoeder hem kan bieden, dat de pleegouders in dit verband ondersteuning krijgen en dat daartegenover staat dat de moeder geen inzicht heeft in de problematiek van [de zoon], terwijl het het hof voorts is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om tot een constructieve vorm van samenwerking met de hulpverlening te komen om hierin een positieve verandering teweeg te kunnen brengen. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat [de zoon] sinds 21 mei 2003 uit huis is geplaatst en sindsdien in hetzelfde pleeggezin verblijft (waaraan niet afdoet dat hij thans voor een zeer gespecialiseerde begeleiding tijdelijk in een medisch kinderhuis verblijft) en dat gelet op het langdurige tijdsverloop en de ernstige - mogelijk psychiatrische - gedragsproblematiek van [de zoon] terugplaatsing van [de zoon] bij de moeder geen reëel perspectief is. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat de moeder zich verzet tegen de uithuisplaatsing. Het hof heeft geconcludeerd dat het in [de zoon]'s zwaarwegende belang is dat er duidelijkheid is over en stabiliteit en continuïteit in zijn, op zijn gedragsproblematiek afgestemde specifieke opvoedingssituatie, en dat nu de moeder volhardt in haar verzet daartegen, de uithuisplaatsing onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art. 1:254 BW af te wenden.

3. De moeder heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

De cassatiemiddelen

4. De middelen I en II komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen 's hofs hiervoor weergegeven overwegingen. Middel I betoogt dat het hof het rapport van de raad niet tot uitgangspunt had mogen nemen, nu dit rapport onvoldoende objectief en zorgvuldig tot stand is gekomen en evenmin met verifieerbare bronnen is onderbouwd. Daarbij, aldus dit middel, is ten onrechte althans onbegrijpelijk door het hof geconcludeerd dat terugplaatsing geen reëel perspectief is, nu er niet is onderzocht en vastgesteld dat er bij de moeder "bezwarende omstandigheden" zijn, waarbij de specifieke problematiek van [de zoon] moet worden weggedacht omdat daarvoor externe hulp is aangezocht. Het hof kan - aldus dit middel - ook niet oordelen dat de uithuisplaatsing onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in 1:254 BW af te wenden, nu zich geen dreiging voordoet omdat [de zoon] in het pleeggezin verblijft. Middel II betoogt dat 's hofs oordeel onjuist danwel onbegrijpelijk is nu het belang van de moeder niet afdoende is gewogen zoals voorgeschreven door HR 4 april 2008, NJ 2008, 506, m.nt. JdB en in de onderhavige omstandigheden (gezien het feit dat uit het raadsrapport volgt dat het beter gaat met de moeder en dus hereniging niet uitgesloten mag worden geacht) een gedwongen ontheffing disproportioneel is en de wettelijke gronden voor ontheffing zich dan ook niet voordoen resp. 1:268 lid 2 onder a BW zich niet verzet tegen continuering van de bestaande situatie.

5. De rechtsklachten tegen 's hofs oordeel dat op grond van de aan het hof overlegde stukken, waaronder het rapport van de raad van 2 januari 2007 en het verhandelde ter terechtzitting, moet worden geoordeeld dat de moeder van het ouderlijk gezag dient te worden ontheven omdat de wettelijke gronden voor de gedwongen ontheffing van het gezag van de moeder aanwezig zijn, falen. Het hof heeft bij zijn beoordeling of deze gronden aanwezig zijn een juiste maatstaf aangelegd, te weten de maatstaf van art. 1:268 lid 2 onder a BW dat na een uithuisplaatsing krachtens art. 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden de gegronde vrees bestaat dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art. 1:254 BW af te wenden. Het hof heeft zijn oordeel dat deze gegronde vrees in casu bestaat, kunnen baseren - zoals het deed - op zijn oordeel dat geen reëel perspectief bestaat op terugplaatsing van [de zoon] bij zijn moeder (gelet op de onmacht van de moeder om [de zoon] de zorg en opvoeding te geven die hij in verband met zijn problematiek nodig heeft en gelet op het langdurige verblijf van [de zoon] in het pleeggezin en zijn ernstige, mogelijk psychiatrische, gedragsproblematiek) en op zijn oordeel dat het in [de zoon]'s zwaarwegende belang is dat er duidelijkheid is over en stabiliteit en continuïteit in zijn specifieke opvoedingssituatie en dat geen sprake is van (enige duurzame) bereidheid van de moeder [de zoon] in het pleeggezin te laten. Van een onjuiste rechtsopvatting is geen sprake. (Vgl. HR 7 april 2000, LJN AA5406, NJ 2000, 563, m.nt. JdB. Zie voorts Asser-De Boer, 2006, nr. 867.) Van strijd met art. 8 EVRM is evenmin sprake. (Ik moge hier volstaan met een verwijzing naar mijn conclusie vóór HR 29 oktober 2004, R03/140HR, LJN AQ7387, waarin uw Raad het cassatieberoep verwierp met toepassing van art. 81 RO.)

's Hofs oordeel berust voor het overige op aan het hof als feitenrechter voorbehouden waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Het hof heeft zijn oordeel gegrond op het rapport van de raad en op het verhandelde ter terechtzitting, waar de raad en de moeder het woord hebben gevoerd en waar Jeugdzorg heeft verklaard zich aan te sluiten bij het standpunt van de raad en Jeugdzorg voorts aanvullend heeft verklaard. De tegen dat oordeel gerichte motiveringsklachten falen aangezien 's hofs oordeel niet onbegrijpelijk is en voldoende gemotiveerd. De in het middel besloten liggende klacht dat het rapport van de raad niet voldoende objectief is omdat de raad de ontheffing heeft verzocht, ziet eraan voorbij dat ingevolge art. 1:267 BW ontheffing slechts wordt uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. De klacht dat het hof de belangen van de moeder niet heeft meegewogen, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft bij zijn oordeel dat moet worden overgegaan tot de verstrekkende maatregel van ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over haar zoon, kennelijk aan de zwaarwegende belangen van het kind de voorrang verleend boven de belangen van de moeder.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden