Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK0685

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
07/12416
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK0685
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 23
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/12416

Mr. Knigge

Zitting: 13 oktober 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, heeft verdachte bij mondeling arrest van 3 oktober 2007 wegens "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" veroordeeld tot een geldboete van 75 euro, subsidiair één dag vervangende hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak noch enig ander stuk de tenlastelegging, zoals die middels de dagvaarding aan verdachte is betekend, bevat. Hierdoor zou het arrest aan nietigheid lijden.

4. In de onderhavige zaak, waarin verdachte tijdig een gewoon rechtsmiddel heeft aangewend tegen een mondeling arrest van de Enkelvoudige Kamer van het Hof, is overeenkomstig art. 425 lid 3 Sv een 'Aantekening van het mondeling arrest' opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Die aantekening houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

"3. Inhoud van de tenlastelegging

Overeenkomstig de inleidende dagvaarding."

5. In eerste aanleg is in de aantekening van het mondeling vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam, voor zover hier van belang, opgenomen:

"1. Inhoud van de telastelegging

Overeenkomstig de dagvaarding."

6. Aangaande het in casu toepasselijke art. 425 lid 3 Sv geldt het volgende. Het wettelijk voorschrift dat mondelinge arresten van de Enkelvoudige Kamer in het proces-verbaal worden aangetekend op de door de Minister van Justitie (hierna: de Minister) te bepalen wijze (thans art. 425 lid 3 Sv), is op 1 januari 2002 in werking getreden.(1) Voordien bevatte het thans vervallen art. 426d lid 2 Sv een vergelijkbare regeling voor mondelinge vonnissen van de Enkelvoudige Kamer van de Rechtbank. De aantekening van deze vonnissen is door de Minister vastgelegd in art. 3 van de 'Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep' (hierna: de Regeling) van 2 oktober 1996. (2) Aangezien de Minister sindsdien geen nieuwe regeling heeft vastgesteld voor de aantekening van mondelinge arresten van de Enkelvoudige Kamer van het Hof, wordt door de Hoge Raad aangenomen dat met de in de aanhef van art. 425 lid 3 Sv genoemde, door de Minister te bepalen wijze van aantekenen, wordt gedoeld op de Regeling.(3)

7. Art. 3 aanhef en onder c van de Regeling luidt:

"De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in art. 426d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:

(...)

c. inhoud van de tenlastelegging (verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg is toegelaten, met vermelding van nadere opgave ter terechtzitting);"

8. Voor de uitleg van dit artikel verwijs ik naar HR 6 november 2007, LJN BB4943. Uit dit arrest volgt dat in de aantekening van een mondeling arrest niet slechts dan mag worden volstaan met een verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg, indien die tenlastelegging volledig is opgenomen in het vonnis in eerste aanleg. Evenmin doet ter zake of de appelrechter het vonnis in eerste aanleg heeft bevestigd of vernietigd. Het Hof heeft met de hiervoor onder 4 vermelde verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg genoegzaam tot uitdrukking gebracht wat verdachte wordt verweten. Het middel faalt.

9. Ten overvloede merk ik op dat de vrees van de steller van het middel dat in cassatie niet is na te gaan of de bewezenverklaring overeenstemt met de grondslag van de tenlastelegging ongegrond is, nu het dubbel van de inleidende dagvaarding, inhoudende de tenlastelegging, zich bevindt bij de stukken die de Hoge Raad heeft ontvangen.

10. Het middel faalt en kan door de Hoge Raad worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

11. Ambtshalve wijs ik er op dat het cassatieberoep namens verdachte op 10 oktober 2007 is ingesteld. De Hoge Raad zal meer dan twee jaar na deze datum uitspraak doen. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Gelet op de hoogte van de aan verdachte opgelegde straf, kan de Hoge Raad volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is geschonden en het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Aanvankelijk als art. 425 lid 4 (oud) Sv, dat zonder inhoudelijke wijziging is vernummerd tot het huidige art. 425 lid 3 Sv.

2 Stcrt. 1996, 197, p. 7.

3 HR 6 november 2007, LJN BB4943; HR 19 juni 2007, LJN BA0422