Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BK0158

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
09/01848
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2009:BH9490
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BK0158
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil over omgangsregeling minderjarige kinderen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 12
JWB 2009/490
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak nummer: 09/01848

mr. Wuisman

Parketdatum: 9 oktober 2009

VERKORTE CONCLUSIE inzake:

[De vader],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen

tegen

[De moeder],

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall.

1. Inleiding

1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: de vader) komt op tegen de afwijzing van zijn verzoek om een regeling vast te stellen voor omgang met en informatieverstrekking over zijn minderjarige kinderen. Uit de voorgeschiedenis valt het volgende te melden.

1.2 De vader en verweerster in cassatie (hierna: de moeder) zijn in februari 1999 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie nog minderjarige kinderen geboren. Het huwelijk is in februari 2006 geƫindigd. Aan de de vader is omgang met de kinderen ontzegd. Dit houdt verband met het feit dat de vader op 15 september 2005 de moeder van verweerster in cassatie om het leven heeft gebracht. Voor deze daad is hij door de rechtbank Middelburg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar.

1.3 Bij verzoekschrift d.d. 26 juli 2006 heeft de vader aan de rechtbank Middelburg verzocht een regeling vast te stellen inzake omgang en informatieverstrekking met betrekking tot de drie kinderen. De moeder heeft verzocht het verzoek af te wijzen. In die zin heeft de rechtbank bij beschikking d.d. 29 november 2006 beslist.

1.4 De vader is in februari 2007 van de beschikking van de rechtbank bij het hof 's-Gravenhage in appel gekomen, dat het verzoek van de vader op de terechtzitting van 20 februari 2008 heeft behandeld. Op die zitting zijn zowel de vader als de moeder gehoord en waren ook hun raadslieden aanwezig. Bij tussenbeschikking d.d. 18 maart 2008 stelt het hof voorop, dat ook in een geval als het onderhavige zoveel mogelijk tegemoet moet worden gekomen aan het belang dat kinderen en de hen niet verzorgende ouder in beginsel met elkaar omgang hebben. Naar het oordeel van het hof is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) bij uitstek in de positie om onderzoek te doen naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van jonge kinderen. Het hof acht het echter geboden dat in het onderhavige geval de Raad eerst in het kader van een vooronderzoek nagaat of een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van de minderjarigen verantwoord is. Het hof verzoekt de Raad een dergelijk vooronderzoek uit te voeren.

1.5 In een rapport d.d. 27 oktober 2008 ontraadt de Raad het verrichten van een onder-zoek, onder meer op de volgende grond: "Geconcludeerd kan dus worden dat er bij de moeder geen ruimte is om de kinderen te ondersteunen bij eventueel contact met hun vader. Zij is daartoe niet in staat. (... ...) De onrust en spanningen die een onderzoek bij de moeder teweeg zouden brengen, zouden een verstoring van het nu veilige gezinssysteem van moeder en kinderen veroorzaken, hetgeen niet in het belang is van [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. De kinderen ervaren nu veiligheid in hun huidige gezinssysteem en schoolsituatie. Daarnaast bestaat het risico dat door het tijdens het raadsonderzoek oprakelen van het verleden eveneens de veiligheid van de kinderen - zoals de kinderen die nu ervaren - onder druk komt te staan."

1.6 Partijen hebben van de door het hof geboden gelegenheid gebruik gemaakt om - mede door tussenkomst van hun raadslieden - op het rapport te reageren.

1.7 Bij eindbeschikking d.d. 11 februari 2009 wijst het hof de verzoeken van de vader af. Daartoe overweegt het hof onder meer dat het de conclusie van de Raad omtrent het niet-uitvoeren van een onderzoek overneemt (rov. 5) en dat dit betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat enige omgangsregeling de kinderen niet treft in de door het derde lid van artikel 1:377a BW beschermde belang (rov. 7).

1.8 De vader is van deze eindbeschikking tijdig in cassatie gekomen met een verzoekschrift met drie cassatiemiddelen daarin opgenomen. De moeder heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van de drie cassatiemiddelen

2.1 Cassatiemiddel I mist doel wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het neemt ten onrechte aan dat het hof in zijn tussenbeschikking heeft beslist dat de Raad gehouden is alle mogelijkheden tot onderzoek te benutten. Ook neemt het ten onrechte tot uitgangspunt dat de vaststelling van het hof dat de Raad te kennen had gegeven het uitvoeren van een vooronderzoek verantwoord te achten, impliceert dat de Raad al had vastgesteld dat het verantwoord was de kinderen met een onderzoek naar de gevolgen van een omgangs- en/of informatieregeling te confronteren, zodat de Raad eventuele klachten of opmerkingen van de moeder dat de kinderen een onderzoek niet zouden aan kunnen, aanstonds diende te passeren.

2.2 Cassatiemiddel II houdt de onterechte klacht in dat de vader in appel geen eerlijk proces heeft gehad, omdat de Raad heeft volstaan met twee schriftelijke contacten met hem en het hof heeft de zaak afgedaan zonder hem te horen. Het door de Raad uit te voeren vooronderzoek strekte ertoe om vast te stellen of de moeder en de kinderen een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van jonge kinderen zouden aan kunnen. Niet valt in te zien waarom bij een dergelijk vooronderzoek niet zou kunnen volstaan met schriftelijk contact met de vader. In het cassatiemiddel wordt dat ook niet toegelicht. Verder heeft de vader voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen voordat het hof zijn eindbeslissing nam: hij is gehoord op de op 20 februari 2008 gehouden terechtzitting en hij is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk commentaar te leveren op het rapport van de Raad, welke gelegenheid hij ook heeft benut.

2.3 Cassatiemiddel III faalt reeds omdat het uitgaat van de gegrondheid van de twee voorafgaande cassatiemiddelen, hetgeen niet het geval is. Verder wordt uit het oog verloren dat de aanbeveling ten overvloede van de Raad inzake de door moeder te zoeken professionele hulp niet impliceert, dat nu reeds een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van jonge kinderen mogelijk is te achten. De Raad concludeert juist tot het tegendeel.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden