Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ9924

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
08/02156 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ9924
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. S 08/02156 P

Mr Jörg

Zitting 6 oktober 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 16 mei 2007 aan verzoeker de verplichting opgelegd om een bedrag van € 40.000,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.(1)

2. Namens verzoeker heeft mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde de periode waarin wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten heeft gesteld op 1 september 2001 tot en met 16 oktober 2002, zonder dat het hof (voldoende) heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging dat deze periode moet worden gesteld op december 2001 tot en met 16 oktober 2002.

4. Blijkens het verkorte strafvonnis van de rechtbank te Haarlem d.d. 21 juli 2003 is ten laste van verzoeker onder 2 bewezen verklaard dat:

"hij in de periode van 1 september 2001 tot en met 16 oktober 2002 te Haarlem heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk invoeren en verkopen en afleveren en vervoeren van cocaïne en heroïne."

5. Bij beslissing op de vordering ex art. 36e, eerste lid, Sr heeft voornoemde rechtbank op voormelde datum aan verzoeker de verplichting opgelegd om een bedrag van € 101.516,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In de aanvulling op deze beslissing d.d. 24 oktober 2003 is het proces-verbaal van bevindingen betreffende het wederrechtelijk verkregen voordeel van verzoeker als bewijsmiddel 1 gebezigd, inhoudende - voor zover hier van belang -:

"(...) Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] wordt de periode van verkoop gesteld op december 2001 tot aan zijn aanhouding op 16 oktober 2002. Deze periode is in werkelijkheid (...) vermoedelijk langer geweest en dient derhalve te worden gezien als een minimale periode van verkoop.(...)"

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof d.d. 18 april 2007 heeft de raadsman van verzoeker het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. In die pleitnotities heeft de raadsman met betrekking tot de ontnemingsperiode het volgende standpunt ingenomen:

"2. De rechtbank heeft o.a. overwogen dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] de periode van verkoop wordt gesteld op december 2001 tot aan zijn aanhouding op 16 oktober 2002. Ik meen dat de advocaat-generaal in zijn conclusie ten onrechte uitgaat van een veroordeling m.b.t. een periode tussen 1 november 2001 en 16 oktober 2002. Ik verwijs naar bladzijde 1 van het aanvullende vonnis onder 1 proces-verbaal derde alinea (hiermee wordt kennelijk verwezen naar de hierboven onder 5 geciteerde inhoud van het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel 1, NJ)."

7. In de door de raadsman bedoelde schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal d.d. 10 november 2006 staat - voor zover hier van belang - de volgende inleidende opmerking:

"Verdachte [verdachte] is bij vonnis van de rechtbank d.d. 21 juli 2003 veroordeeld ter zake van OPW-delicten en wel:

(...)

- in de periode tussen 1 november 2001 en 16 oktober 2002 te Haarlem heeft [hij] deelgenomen aan een organisatie welke tot oogmerk had het telkens opzettelijk invoeren en verkopen en afleveren en vervoeren van cocaïne en heroïne.(...)"

8. In het bestreden arrest staat onder het kopje 'Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel' - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 50.070,- heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij vonnis van 21 juli 2003 is veroordeeld (...).

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

De periode waarin wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten wordt gesteld op:

(...)

Ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte

1 september 2001 tot en met 16 oktober 2002.(...)"

9. Blijkens de aanvulling op het bestreden arrest is zowel het verkorte strafvonnis als de aanvulling daarop van de rechtbank te Haarlem d.d. 21 juli 2003 in de strafzaak tegen verzoeker als bewijsmiddel 2 gebezigd.

10. Allereerst berust de hierboven onder 7 geciteerde inleidende opmerking van de advocaat-generaal in zijn schriftelijke conclusie - gezien de hierboven onder 4 weergegeven bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde - klaarblijkelijk op een vergissing, nu verzoeker bij strafvonnis van de rechtbank was veroordeeld ter zake van deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 1 september 2001 (en niet - zoals de A-G kennelijk abusievelijk stelt - '1 november 2001') tot en met 16 oktober 2002.

11. Voorts had de rechtbank haar ontnemingsbeslissing gegrond op de inhoud van - onder meer - bewijsmiddel 1, waarin de periode van verkoop weliswaar is gesteld op december 2001 tot en met 16 oktober 2002, maar waarbij nochtans is aangegeven dat deze periode in werkelijkheid vermoedelijk langer is geweest en moet worden gezien als een minimale periode van verkoop (zie hierboven onder 5). In eerste aanleg werd deze minimale periode dus als uitgangspunt genomen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

12. Ten slotte heeft het hof tegen de achtergrond van deze in eerste aanleg gewezen beslissing de onderhavige ontnemingszaak opnieuw bekeken en is tot een andere beslissing gekomen dan de rechtbank. Daarbij wordt in hoger beroep kennelijk de maximale én (bij verbeterde lezing, zie hiervoor onder 10) gevorderde periode als uitgangspunt genomen voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze maximale door het hof vastgestelde periode, waarin wederrechtelijk verkregen voordeel is genoten, valt echter nog steeds binnen de door de rechtbank onder 2 bewezenverklaarde periode, te weten van 1 september 2001 tot en met 16 oktober 2002. Dat het hof zijn ontnemingsbeslissing heeft gebaseerd op deze bewezenverklaarde periode blijkt uit zijn gebruik van het verkorte strafvonnis als bewijsmiddel 2.

13. Nu het hof de ontnemingsperiode ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde heeft vastgesteld zonder af te wijken van de betreffende bewezenverklaring in eerste aanleg en de ontnemingsvordering in hoger beroep, en hetgeen de verdediging met betrekking tot de ontnemingsperiode heeft aangevoerd overigens bezwaarlijk kan worden verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv, is 's hofs vaststelling met voldoende redenen omkleed.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

15. Ambtshalve wijs ik er op dat de zaak in cassatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan worden afgedaan. Verzoeker heeft op 29 mei 2007 beroep in cassatie ingesteld. Het geding in cassatie behoort binnen twee jaren met een einduitspraak te zijn afgerond nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Dat betekent dat gestelde termijn inmiddels met ruim vier maanden is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een door Uw Raad te bepalen vermindering van het ontnemingsbedrag (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358).

16. Overige gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot vermindering van het ontnemingsbedrag volgens het gebruikelijke tarief, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met griffienummers 08/02154 P en 08/02155 P waarin ik heden eveneens concludeer.