Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ9367

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
07/13422
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5348
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ9367
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Medeplegen. Dodelijk verkeersongeval. Het Hof heeft o.m. vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachte, mede gelet op hun te hoge snelheid waarmee zij rond 20.00 uur in het centrum van Leeuwarden dicht achter elkaar op een bochtige weg reden waar gelet op het tijdstip andere (zwakkere) verkeersdeelnemers te verwachten waren, beiden roekeloos hebben gereden. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat i.c. aan een veroordeling voor het medeplegen van het culpoos veroorzaken van een ernstig verkeersongeval niet in de weg staat dat niet beide verkeersdeelnemers met de door hen bestuurde auto’s met het slachtoffer in botsing zijn gekomen. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is (vgl. HR LJN BI3862).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 504
RvdW 2009, 1181
VR 2010, 1
NJB 2009, 1936
J. Silvis annotatie in VA 2010/19

Conclusie

Nr. 07/13422

Mr. Bleichrodt

Zitting 25 augustus 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 10 oktober 2007 de verdachte ter zake van 1 subsidiair "medeplegen van overtreding van art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij een ander wordt gedood" en 2. "overtreding van art. 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn gesteld als in het arrest vermeld, tot ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vijf jaren en met verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen personenauto.

2. Namens klager is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 1.

3.2.1 Onder 1 subsidiair is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

'hij op 28 juni 2006 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, doordat verdachte roekeloos, samen met [medeverdachte], met de door hen bestuurde auto's op de Spanjaardslaan en andere voor het openbaar verkeer openstaande wegen is gaan rijden en met een snelheid die hoger was dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur de kruising van de Spanjaardslaan en de eveneens voor het openbaar verkeer openstaande weg de Rengerslaan is opgereden, waarna [medeverdachte] zijn motorrijtuig niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waarbij [medeverdachte], met dat door hem bestuurde motorrijtuig is aangereden tegen de bestuurster van een fiets die op dat moment de rijbaan van die Spanjaardslaan aan het oversteken was waardoor die bestuurster, [slachtoffer], werd gedood.'

3.2.2 Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

'Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2006061294-22, d.d. 29 juni 2006 op ambtseed/belofte opgemaakt door respectievelijk [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van politie, en ondertekend door [verbalisant 4] voornoemd (pagina's 72 en 74 van een dossier met nummer 2006061294-B), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Gisteravond, op 28 juni 2006, zou ik met [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) in Leeuwarden met de auto naar een vriend van mij rijden. Ik heb een rode Honda Civic. [Medeverdachte] heeft een Volkswagen Golf. [medeverdachte] zou achter mij aanrijden. Bij het passeren van de T-kruising Spanjaardslaan/Rengerslaan hoorde ik piepende banden van achter. Vrijwel direct hoorde ik een knal en keek ik in mijn binnenspiegel. Ik zag dat er een vrouw door de lucht vloog. Ik zag dat [medeverdachte] de vrouw had aangereden.

2. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2006061294-6, op 28 juni 2006 op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt door [verbalisant 6], hoofdagent van politie en [verbalisant 7], brigadier van politie (pagina's 84 en 86 van hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

Ik ben in het bezit van een Volkswagen Golf TDI, kleur blauw, kenteken [AA-00-BB].

3. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer 2006061294-25, d.d. 29 juni 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 8], hoofdagent van politie, en [verbalisant 9], brigadier van politie (pagina's 87 tot en met 91 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), -zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van medeverdachte [medeverdachte]:

Gisteravond, op 28 juni 2006, zou ik in Leeuwarden met [verdachte] naar een vriend van hem rijden. Ik wist niet waar die vriend woonde. Daarom reed ik achter [verdachte] aan. Onze rijstijl tijdens deze rit was speels. We reden vrij vlot. [Verdachte]'s auto trok veel sneller op dan de mijne en hij liet mij nadat de afstand tussen onze auto's groter was geworden weer even bijkomen door het gas er af te halen. Mijn snelheid moet maximaal 65 kilometer per uur zijn geweest. [Verdachte] reed een aantal keren bij mij weg. Ik bedoel hiermee dat de afstand tussen [verdachte] en mij groter werd. Toen ik op de Noorderbrug reed zag ik dat [verdachte] een auto inhaalde die voor hem reed. Hij deed dit op het kruisingsvlak van de Spanjaardslaan en de Eeweg en de Westersingel. Ik zag dat hij deze auto inhaalde zonder gas te verminderen. Als ik er nu op terugkijk was het niet een geweldige plek om in te halen. Het was namelijk bij een bocht en het is midden in het centrum en er staan ook nog eens bomen. Ik liet mij echter door deze inhaalmanoeuvre van [verdachte] opnaaien en heb toen vervolgens deze auto ook ingehaald.

4. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2006061294-13, d.d. 29 juni 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 10], hoofdagent van politie, (pagina's 45 en 46 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de getuige [getuige 1];

Op 28 juni 2006 omstreeks 19.50 uur liep ik over de Spanjaardslaan richting de kruising met de Rengerslaan in Leeuwarden. Ik hoorde het geluid van een snel rijdende auto. Ik bedoel hiermee dat de bestuurder met veel motorlawaai reed, gelijkende op het snel optrekken. Ik zag dat vanuit het centrum van Leeuwarden een rode auto naderde. Ik schat de snelheid op 70 kilometer per uur. Ik zag direct achter de rode auto een blauwe auto rijden. Deze auto reed op dezelfde manier, met een zelfde snelheid als de rode auto. Door de manier van rijden had ik de indruk dat de bestuurders met elkaar aan het racen waren. Ik zag vervolgens dat de bestuurder van de blauwe auto op zijn rem ging staan. Hij remde met piepende banden.

Vervolgens zag ik dat een overstekende vrouw door de blauwe auto werd geschept.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2006061294-23, d.d. 29 juni 2006 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 11], hoofdagent van politie, (pagina's 56 tot en met 58 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de getuige [getuige 2]:

Op 28 juni 2006, omstreeks 19.55 uur, reed ik in mijn personenauto over de Spanjaardslaan, gaande richting het centrum van Leeuwarden. Ik zag voor mij een tegemoetkomende auto rijden over de Spanjaardslaan. Ik zag dat deze auto, rood van kleur, een ontwijkende slinger moest maken voor een vrouwelijke fietser. Ik zag dat zeer dicht achter deze rode auto een paars/blauwe auto reed. Ik zag dat deze paars/blauwe auto tegen de hiervoor genoemde fietser botste. Het leek op racen wat deze auto's deden. Ze reden zeer snel achter elkaar. Ik schat dat de beide auto's rond de 80 kilometer per uur reden. Ik zag dat de bestuurder van de rode auto, nadat hij de slinger om de fietser maakte, moeite moest doen om zijn auto weer recht te krijgen.

6. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2006061294-21, d.d. 29 juni 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 12], hoofdagent van politie, en [verbalisant 13], brigadier van politie (pagina's 47 en 48 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de getuige [getuige 3]:

Ik kan u iets vertellen met betrekking tot het rijgedrag van de bestuurder van een personenauto die betrokken was bij een aanrijding op de Spanjaardslaan te Leeuwarden op 28 juni 2006 omstreeks 20.00 uur. Ik reed toen in mijn auto over de Noorderweg te Leeuwarden. Ik reed de rotonde op en sloeg af richting de Noorderbrug. Ik zag vóór mij een donkerkleurige Volkswagen Golf. Deze auto reed de brug over en vervolgde zijn weg over de Spanjaardslaan.

Ik zag dat de bestuurder van genoemde Volkswagen Golf een voor hem rijdende personenauto inhaalde ongeveer ter hoogte van de viskraam. Ik zag dat hij hierna met grote snelheid uit mijn zicht verdween in de bocht. De afstand tussen de Volkswagen Golf en mij werd in zeer korte tijd zeer groot. De Spanjaardslaan maakt gerekend vanaf de Noorderbrug een bocht naar rechts. Ter hoogte van de viskraam kon ik de bocht niet overzien. Toen ik door de bocht reed zag ik een enorme rookwolk op de splitsing van de Spanjaardslaan en de Rengerslaan. Ik zag genoemde Volkswagen staan. Links voor de Volkswagen Golf zag ik een vrouw liggen.

7. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2006061294-27, d.d. 29 juni 2006 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 14], hoofdagent van politie (pagina's 51 en 52 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de getuige [getuige 4]:

Op 28 juni 2006 omstreeks 20.00 uur fietste ik over de Spanjaardslaan in Leeuwarden. Ik zag twee auto's rijden, waarvan één een donkerkleurige Volkswagen Golf betrof. De andere auto was rood. Ik zag dat voornoemde auto's net over de Noorderbrug reden in de richting van de Rengerslaan. Ik zag dat deze twee auto's vrijwel naast elkaar reden. Ik zag dat de snelheid van beide auto's ruim boven de 50 kilometer per uur bedroeg. Ik hoorde dat de motoren van genoemde auto's veel lawaai maakten, hieruit leidde ik af dat men hoog in de toeren zat en dat men met genoemde auto's flink aan het doortrekken was. Een paar seconden nadat deze auto's mij gepasseerd waren hoorde ik piepende banden, gevolgd door een klap. Ik had de indruk dat beide auto's bij elkaar hoorden en dat zij tegen elkaar aan het racen waren.

8. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2006061294-19, d.d. 29 juni 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 15], brigadier van politie (pagina's 53 tot en met 55 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de getuige [getuige 5];

Op 28 juni 2006 tussen omstreeks 19.50 en 19.55 uur fietste ik over de Spanjaardslaan in Leeuwarden. Ik zag twee auto's naderen, een rode en een donkerblauwe. De blauwe auto was een Volkswagen Golf. Beide auto's reden pittig. Wat mij opviel is dat de ene auto de andere auto inhaalde op de Noorderbrug. Het ging allemaal heel snel. Ik vond het abnormaal rijgedrag van de bestuurders van die auto's. Ik zag de beide auto's op de brug naast elkaar rijden, kort naast elkaar. De snelheid van beide auto's was pittig. Ik had de indruk dat de auto's bij elkaar hoorden. Ik fietste door. Heel snel daarna hoorde ik het piepende geluid van een stevig remmende auto.

9. Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2006061294-28, d.d.29 juni 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 10], voornoemd (pagina's 59 en 60 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van de getuige [getuige 6];

Op 28 juni 2006 reed ik omstreeks 19.50 uur in mijn auto over de Spanjaardslaan te Leeuwarden, richting centrum. Uit tegenovergestelde richting kwam een Volkswagen Golf, kleur blauw. Ik zag en hoorde dat deze auto erg hard reed. Ik reed toen ongeveer ter hoogte van de viskraam langs de Spanjaardslaan. De weg vertoont hier een bocht. De bestuurder reed mij bijna aan. Ook de auto die voor mij reed werd bijna geraakt. Kort nadat de Volkswagen mij was gepasseerd hoorde ik een hele harde gil. Vervolgens hoorde ik piepende banden, kennelijk door remmen. Ook hoorde ik een harde klap. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een vrouw door de lucht vliegen.

10. Een proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, nummer 280606.2015.2543, d.d. 5 september 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie, verkeersongevalanalist van groep Ongevalsanalyse en Voertuigtechniek van het Team Verkeer, Milieu en Bijzondere wetten van Politie Fryslân (pagina's 193 tot en met 244 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als relatering van verbalisanten, dan wel één hunner;

Op 28 juni 2006, omstreeks 20.15 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld naar de toedracht van een verkeersongeval dat eerder die dag, omstreeks 19.58 uur, had plaatsgevonden op de Spanjaardslaan (ter hoogte van de aansluiting met de Rengerslaan) te Leeuwarden. De bestuurder van een blauwe Volkswagen Golf had gereden over de Spanjaardslaan. De betrokken fietsster was, vanaf het links naast de rijbaan gelegen fietspad, de rijbaan van de Spanjaardslaan opgereden op het moment dat betrokken personenauto haar van rechts naderde. Er vond vervolgens een aanrijding plaats waarbij de fietsster in de rechterflank werd aangereden door de voorzijde van de Volkswagen. De fietsster kwam, als gevolg van het ongeval, te overlijden. De naderingssnelheid van de betrokken Volkswagen lag vrijwel zeker tussen de 73 en 77 kilometer per uur. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/h is vrijwel zeker overschreden.

11. Een proces-verbaal stampv, nummer 2006061294-9, d.d. 7 september 2006 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie (pagina's 20 tot en met 32 van het hiervoor onder 1 genoemde dossier), - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van de verbalisant;

Op 28 juni 2006 omstreeks 19.57 uur kreeg een politieambtenaar van de dienstdoende centralist van de politiemeldkamer de opdracht te gaan naar de Spanjaardslaan, kruising Rengerslaan, alwaar een aanrijding met letsel had plaatsgevonden en waarbij het letsel ernstig was. Ter plaatse gekomen zag genoemde politieambtenaar een vrouw op de grond liggen. Er werd een poging gedaan haar te reanimeren. In een tas bleek een identiteitsbewijs te zitten met daarop de foto van het slachtoffer en haar personalia. Het bleek te gaan om [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1932 te [geboorteplaats]. Vervolgens werd geïnformeerd naar de toestand van het slachtoffer. De toestand bleek zeer slecht te zijn. Later bleek het slachtoffer op 28 juni 2006, omstreeks 23.15 uur, te zijn overleden.'

3.2.3 In een aanvullende bewijsoverweging heeft het Hof overwogen:

'Verdachte heeft betoogd dat hij - anders dan zijn medeverdachte [medeverdachte] - ter plaatse van de kruising van de Spanjaardslaan en de Rengerslaan waar het ongeval heeft plaatsgevonden, niet sneller heeft gereden dan ongeveer 50 kilometer per uur. Bovendien was hij in het geheel niet bezig met het rijgedrag van [medeverdachte], doch reed hij voor zichzelf. Van een bewuste en nauwe samenwerking tussen beide bestuurders was geen sprake. Nu, aldus de raadsman van verdachte, medeplegen niet kan worden bewezen, kan het ongeval tussen [medeverdachte] en [slachtoffer], verdachte niet worden toegerekend. Verdachte dient daarom eveneens te worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Het hof begrijpt het verweer van verdachte aldus dat hem geen roekeloos rijgedrag op de kruising kan worden verweten nu hij aldaar reed met een snelheid van om en nabij de toegestane 50 kilometer per uur. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Met betrekking tot het rijgedrag van verdachte, rijdende in een rode Honda Civic, en medeverdachte [medeverdachte], rijdende in een blauwe Volkswagen Golf, zijn door de getuigen [getuige 1 en 2] verklaringen afgelegd; Getuige [getuige 1] heeft op 28 juni 2006 - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij het geluid hoorde van een snel rijdende auto waarmee hij bedoelt dat de bestuurder met veel motorlawaai reed. Hij zag dat vanuit het centrum een rode auto naderde die naar zijn inschatting met een snelheid van 70 kilometer per uur reed. Hij zag direct achter de rode auto een blauwe auto rijden. Deze auto reed op dezelfde manier, met een gelijke snelheid als de rode auto. Door de manier van rijden had de getuige de indruk dat de bestuurders van de beide auto's met elkaar aan het racen waren. Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] van 29 juni 2006, die zij onder ede heeft gehandhaafd ter zitting in eerste aanleg, volgt dat zij, rijdende in de richting van de kruising, zag dat een voor haar tegemoet komende rode auto een ontwijkende slinger moest maken voor een vrouwelijke fietser. Zij zag dat zeer dicht achter deze rode auto een paars/blauwe auto reed die tegen deze fietser botste. Het rijgedrag van de bestuurders van de rode en de paars/blauwe auto omschrijft de getuige als racen. Ze reden zeer snel achter elkaar. Zij schat de snelheid rond de 80 kilometer per uur omdat de bestuurder van de rode auto, nadat hij de slinger om de fietser maakte, moeite moest doen om zijn auto weer recht te krijgen.

Alhoewel het in zijn algemeenheid niet eenvoudig is om de snelheid van een rijdend voertuig in te schatten en verklaringen die op schattingen zijn gebaseerd terughoudend moeten worden beoordeeld, volgt uit voornoemde verklaringen, in onderling verband en samenhang gelezen, genoegzaam dat verdachte op het kruispunt van de Spanjaardslaan en de Rengerslaan roekeloos heeft gereden waarbij de snelheid van verdachte hoger is geweest dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. Daarbij betrekt het hof het proces-verbaal verkeersongevalanalyse van 5 september 2005 waaruit blijkt dat medeverdachte [medeverdachte], die blijkens voornoemde getuigenverklaringen met gelijke snelheid vlak achter verdachte reed, een snelheid had tussen de 73 en 77 kilometer per uur op het moment dat hij remde voor [slachtoffer].

Het hof is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte plaatsvond in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [medeverdachte]. In dit verband blijkt uit de bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat zij, nadat zij elkaar op 28 juni 2006 hadden getroffen, hadden besloten gezamenlijk naar een vriend van verdachte te gaan, waarbij [medeverdachte] achter verdachte aan is gereden omdat hij niet wist waar deze vriend woonde. [Medeverdachte] omschrijft hun rijstijl als vrij vlot waarbij de snelheid opliep tot 65 kilometer per uur. Uit zijn verklaring blijkt dat verdachte, die soms op [medeverdachte] uitliep, vervolgens weer gas terugnam om hem bij te laten komen. Reeds hieruit leidt het hof af dat verdachte - anders dan hij heeft aangevoerd - niet alleen voor zichzelf reed maar zich bij zijn rijgedrag bewust was van, en rekening hield met de achter hem rijdende [medeverdachte]. Een en ander wordt bevestigd in de diverse verklaringen van getuigen waarbij het hof, naast de verklaring van [getuige 1 en 2] voornoemd, onder meer acht heeft geslagen op de verklaringen van de getuigen [getuige 4 en 5]. Deze getuigen hebben - in onderling verband en samenhang gelezen - verklaard dat zij de indruk hadden dat de bestuurders van de rode en blauwe auto bij elkaar hoorden en dat zij tegen elkaar aan het racen waren. Beide auto's trachtten elkaar op of nabij de Noorderbrug in te halen waarbij de snelheid volgens getuige [getuige 4] hoger dan 50 kilometer per uur lag, de motoren van genoemde auto's hoog in de toeren zaten en men flink aan het doortrekken was. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat de auto's "pittig" reden en dat het rijgedrag abnormaal was.

Dan zijn er ten slotte de verklaringen van de getuige [getuige 3] die zag dat een op de Spanjaardslaan rijdende donkerkleurige Volkswagen Golf, na de Noorderbrug ter hoogte van een viskraam een voor hem rijdende personenauto inhaalde en vervolgens met hoge snelheid uit zicht verdwijnt. De Spanjaardslaan maakt, aldus de getuige, een bocht naar rechts die hij ter hoogte van de viskraam niet kon overzien. Getuige [getuige 6], die blijkens zijn verklaring op dat moment uit tegenovergestelde richting kwam, verklaart hierover dat de bestuurder van een blauwe Volkswagen Golf ter hoogte van de viskraam langs de Spanjaardslaan erg hard reed en hem bijna aanreed. Ook de auto die voor hem reed werd bijna door de Volkswagen geraakt. Kort daarna hoort de getuige piepende banden en een harde klap, en ziet hij in zijn achteruitkijkspiegel een vrouw door de lucht vliegen. Met betrekking tot deze inhaalmanoeuvre heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat hij, toen hij op de Noorderbrug reed, zag dat verdachte op het kruisingsvlak van de Spanjaardslaan en de Eeweg en Westersingel zonder gas te verminderen een voor hem rijdende auto inhaalde. Dat was bij een bocht, in het midden van het centrum met bomen. Volgens medeverdachte [medeverdachte] geen geweldige plek om in te halen, maar hij liet zich door deze inhaalmanoeuvre van verdachte "opnaaien" en heeft vervolgens op zijn beurt de auto ook ingehaald.

Het hof acht op grond van het voorgaande, te bezien in samenhang met de bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan roekeloos rijgedrag. Zij zijn immers dicht achter elkaar en met een te hoge snelheid gaan rijden op een bochtige weg waarop andere (zwakkere) verkeersdeelnemers aanwezig waren, hetgeen door hen, mede gelet op het tijdstip, omstreeks 20.00 uur, ook kon worden verwacht. Het kan daarom niet anders of beiden hebben welbewust het onaanvaardbare risico op het ernstige ongeval met dodelijke afloop genomen, dat zich vervolgens ook heeft voorgedaan. [Slachtoffer] is in kritieke toestand naar het ziekenhuis vervoerd en daar, enkele uren na het ongeval, aan de gevolgen daarvan gestorven. Aldus acht het hof bewezen dat haar overlijden in een zodanig rechtstreeks verband met de aanrijding staat dat zij daardoor is gedood in de zin van de tenlastelegging. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gebleken.

Nu bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte], op de plaats en het tijdstip die hier van belang zijn, zich roekeloos in het verkeer heeft gedragen, kunnen de gevolgen daarvan - te weten het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] - hem eveneens worden toegerekend. Dat het niet verdachte maar [medeverdachte] is geweest die feitelijk in botsing met [slachtoffer] kwam, doet daaraan niet af.'

3.3. Het middel stelt, met een beroep op HR 25 oktober 1966, NJ 1967, 268, dat de Hoge Raad bij het toerekenen van het gevolg bij het medeplegen van culpoze delicten, kennelijk hogere eisen stelt dan wanneer het gaat om de toerekening bij het medeplegen van een opzettelijk delict en dat in deze zaak, waarin de verdachte het ongeval niet feitelijk heeft veroorzaakt, niet aan die eisen is voldaan.

3.4 In bovengenoemde zaak ging het om een snelheidswedstrijd op Curaçao tussen twee auto-bestuurders. Daarbij werden aanzienlijk hogere snelheden aangehouden dan was toegestaan en was sprake van het inhalen van elkaar. Toen de medeverdachte P. juist vóór een scherpe bocht naar links de auto van verdachte weer was voorbijgereden, verloor hij in die bocht de macht over het stuur, botste tegen de rotsen, waarna de auto van de medeverdachte over de kop sloeg, met als gevolg dat een van zijn inzittenden het leven verloor en een andere zwaar lichamelijk letsel opliep.

3.5 In die zaak overwoog de Hoge Raad, dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring omschreven gedragingen van P. en de gevolgen daarvan "een zodanig rechtstreeks en voorzienbaar gevolg waren van de ten laste van rekwirant bewezenverklaarde gedragingen, dat die gedragingen van P. en haar gevolgen mede aan de grove schuld van rekwirant te wijten zouden zijn".

Het middel voert aan dat de in deze zaak vastgestelde omstandigheden niet wezenlijk anders liggen en dat het Hof geen overweging heeft gewijd aan de vraag of de gedragingen van de medeverdachte ([medeverdachte]) en de gevolgen daarvan (de dodelijke aanrijding met een fietser) een zodanig rechtstreeks en voorzienbaar gevolg zijn geweest van de gedragingen van de verdachte, dat deze mede aan zijn grove schuld te wijten zijn. Daarom zou het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd zijn.

3.6 Anders dan de steller van het middel, meen ik dat genoemd arrest althans tegenwoordig niet meer bepalend is. De annotator Van Eck merkte indertijd al op dat bij die uitspraak ten onrechte de eis wordt gesteld dat bewezen moet zijn dat het gedrag van de ene medepleger (P.) waaruit het gevolg is voortgevloeid, het rechtstreeks en voorzienbaar gevolg is geweest van het gedrag van de andere betrokkene, de verdachte. Zijns inziens is voldoende dat er sprake is van een gezamenlijk plan om bepaalde gedragingen te stellen en dat de gedragingen kunnen worden gezien als de uitvoering van het gezamenlijke plan. Voorzienbaarheid mag zijns inziens alleen worden geëist in die zin, dat krachtens het gemeenschappelijke plan voorzienbaar is dat zodanige gedragingen worden verricht, dat zij ook als uitvoering van het gemeenschappelijke plan kunnen worden beschouwd, alsmede dat voorzienbaar is, dat uit zulke gedragingen bepaalde gevolgen kunnen voortvloeien. Causaal verband of een afzonderlijk schuldverband tussen het concrete rijgedrag van verdachte en dat van P. (naar deze zaak vertaald: het gedrag van [medeverdachte]) en de daaruit voortvloeiende gevolgen hoeft er dus niet te zijn.(1) Ik zou me bij die opvatting willen aansluiten.

Anders zou het zijn indien een van de automobilisten zich opeens op een afwijkende manier zou hebben gedragen in die zin dat dat gedrag redelijkerwijs niet paste in wat (stilzwijgend) het plan of de afspraak was.

3.7 Ik meen dat De Hullu hetzelfde standpunt huldigt, waar hij stelt dat bij medeplegen van culpoze delicten het opzetvereiste voor de deelnemer zich beperkt tot de gedraging, terwijl bij elke deelnemer schuld wordt vereist voor het door culpa beheerste bestanddeel, dat is in casu het plaatsvinden van een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood.(2) Remmelink, naar wiens opvatting de schriftuur verwijst staat, voor zover ik zie, weliswaar in principe niet op een ander standpunt, maar schijnt inderdaad althans voor een geval als dit in feite strengere eisen aan het bewijs van culpa te stellen. Hij heeft in ieder geval geen kritiek op de uitspraak in de Curaçaose zaak.(3)

Het probleem in dit soort zaken is dat niet bewust samen een handeling wordt verricht waarvan beide betrokkenen de gevaarlijkheid voorzien,(4) maar dat iedere bestuurder, weliswaar in het kader van een - eventueel stilzwijgende - afspraak, zelfstandig verschillende handelingen verricht (en dus van ieder van die handelingen ook kan afzien), waarvan er een tot het fatale gevolg leidt. De vraag is dan of de ander ook geacht kan worden culpa te hebben met betrekking tot dat gevolg. Daarvoor lijkt mij, zoals gezegd, beslissend of de handeling behoort tot de zodanige die redelijkerwijze passen binnen de afspraak en of het gevolg daarvan voorzienbaar was.

3.8 Voor deze opvatting meen ik steun te kunnen vinden in HR 7 juli 2009, LJN BI3862. In die zaak, waarin het Hof uitdrukkelijk had overwogen dat van een wedstrijd geen sprake was geweest, waren de verdachten, ieder als bestuurder van een personenauto, vanuit stilstand flink opgetrokken en zeer dicht achter elkaar gaan rijden en was een van de twee bestuurders na ongeveer 200 meter tegen een overstekende voetgangster en haar kinderwagen gebotst. De Hoge Raad overwoog in de zaak van de bestuurder die niet rechtstreeks bij de botsing betrokken was:

"4.3. Ook overigens treffen de middelen geen doel. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat de verdachte "tezamen en in vereniging" met een ander het bewezenverklaarde heeft begaan, niet alleen acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachte ieder in hun eigen auto snel en gezamenlijk zijn opgetrokken, zij (nadat medeverdachte [medeverdachte] de verdachte had ingehaald) zeer dicht achter elkaar zijn blijven rijden en zij ook overigens hun rijgedrag wederzijds op elkaar hebben afgestemd, maar ook op de vaststelling dat hun beider verkeersgedrag, mede gelet op de zichtbaarheid van de voetgangers vóór het wegrijden, dusdoende "zeer onvoorzichtig en onoplettend" respectievelijk "in vergaande mate onoplettend" en "zeer onvoorzichtig" is geweest. Voorts heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat in het onderhavige geval aan een veroordeling voor het medeplegen van - kort gezegd - het culpoos veroorzaken van een ernstig verkeersongeval niet in de weg staat dat niet beide verkeersdeelnemers met de door hen bestuurde auto's met de slachtoffers in botsing zijn gekomen. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd".

3.9 Wel werd ten aanzien van beide betrokkenen vastgesteld dat zij, kort gezegd, zeer onvoorzichtig en onoplettend waren geweest voor wat betreft de aanwezigheid van de voetgangers, omdat zij te zeer gefixeerd waren geweest op elkaars verkeersgedrag. Het medeplegen wordt echter, als ik het goed zie, in het bijzonder gebaseerd op het gezamenlijk optrekken, het dicht achter elkaar rijden, kort gezegd op het wederzijds op elkaar afstemmen van het verkeersgedrag. In ieder geval wordt niet overwogen en kan ook bezwaarlijk worden gezegd dat het gedrag van [A], die met zijn auto tegen de voetganger en de kinderwagen botste (en de gevolgen daarvan) een zodanig rechtstreeks en voorzienbaar gevolg waren van de ten laste van verdachte bewezenverklaarde gedragingen etc., zoals in de Curaçaose zaak werd geëist. [A] had anders, oplettend, kunnen handelen en tijdig kunnen remmen; het lijkt mij toe dat niets van wat de verdachte deed hem op zichzelf daarin belemmerde.

De verdachte had zich weliswaar ook onoplettend en onvoorzichtig gedragen (doch in fysieke zin zonder gevolgen), maar de vraag was of ook bij hem als medepleger culpa geacht kon worden aanwezig te zijn met betrekking tot het door [A] feitelijk veroorzaakte verkeersongeval en de daaruit voortvloeiende gevolgen. Die vraag is in genoemd arrest bevestigend beantwoord.

3.10 Naar mijn mening is in gevallen als de onderhavige in dit opzicht bepalend of sprake was van een "bewuste samenwerking" gericht op een patroon van verkeershandelingen, waarvan het gevaar voorzienbaar was. Het niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof komt erop neer dat dit in deze zaak het geval was.

Mijns inziens ligt het in deze zaak duidelijker dan in het arrest van 7 juli 2009. Immers, verdachte wist de weg en [medeverdachte] zou hem volgen. Beiden waren blijkbaar wel in voor een "speelse rijstijl", zoals [medeverdachte] heeft verklaard, maar dat neemt niet weg dat verdachte het initiatief had. Als hij rustig zou hebben gereden, zou [medeverdachte] dat, naar mag worden aangenomen, ook hebben gedaan (wel moeten doen), gegeven het doel van de rit en de bekendheid van de verdachte met het adres. Tekenend is wat [medeverdachte] verklaart over de gevaarlijke inhaalmanoeuvre, kort voor het ongeval, te weten dat hij zich door de inhaalmanoeuvre van [verdachte] liet opnaaien en toen de desbetreffende auto ook heeft ingehaald (bewijsmiddel 3). Verder maakte de wijze van rijden van beide betrokkenen op verschillende getuigen de indruk van racen. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de auto's kort vóór het ongeval met hoge snelheid vlak achter elkaar reden, dat de verdachte met een slinger de vrouwelijke fietser nog kon ontwijken (en daarbij moeite moest doen om zijn auto weer recht te krijgen), terwijl direct daarna de achter verdachte rijdende [medeverdachte] die fietser heeft aangereden (bewijsmiddelen 1 en 5).

3.11 Gelet op het voorgaande meen ik dat 's Hofs in de nadere bewijsoverweging gemotiveerde oordeel dat de verdachte "tezamen en in vereniging" het bewezenverklaarde feit heeft begaan, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het niet onbegrijpelijk is. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

3.12 Het middel faalt.

4. Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding zouden behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Remmelink legt het arrest aldus uit, dat de Hoge Raad voor de medepleger onvoldoende schuld aanwezig achtte met betrekking tot het gevolg, omdat dit niet (gemakkelijk) voorzienbaar was voor de betrokkene. HSR,

15e dr. blz. 191. Het arrest wordt ook genoemd op blz. 439.

2 De Hullu, Materieel strafrecht, 4e dr. blz. 427, 428 en 444, 445.

3 Zie naast de in de noot 1 genoemd passages ook NLR aantek. 26 op art. 47 noot 3.

4 Vgl. het voorbeeld van minister Modderman dat twee personen samen een zwaar voorwerp uit het raam werpen, waardoor, zonder hun opzet, een voorbijganger wordt gedood.