Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ9353

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
11-12-2009
Zaaknummer
09/01696
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ9353
Rechtsgebieden
Strafrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 11
JWB 2009/481
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 09/01696

Mr. Huydecoper

Parket, 5 oktober 2009

Conclusie inzake

1. [Verzoekster 1]

2. [Verzoeker 2]

verzoekers tot cassatie

1. Deze zaak betreft de beëindiging van een schuldsanering zonder toekenning van de zogenaamde "schone lei"; en daarmee een voor de betrokkenen, de verzoekers tot cassatie [verzoeker] c.s., ingrijpende en ook zeer belastende beslissing. Men zou dan ook graag zien dat de zaak "lichtpuntjes" voor de betrokkenen bood, maar ik ben bang dat dat niet het geval is. De cassatiemiddelen stellen, in het licht van de dossierstukken, geen vragen aan de orde die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling een antwoord behoeven. Ook (overigens) brengen de middelen geen steekhoudende bezwaren tegen het in cassatie bestreden arrest te berde.

Ik meen daarom dat de zaak voor afdoening op de voet van art. 81 RO in aanmerking komt, en dat met een verkorte conclusie kan worden volstaan.

2. Het gaat, zoals ik al aangaf, om beëindiging van de in oktober 2005 ten aanzien van [verzoeker] c.s. uitgesproken schuldsanering(en). Bij vonnissen in de eerste aanleg van 12 januari van dit jaar zijn deze schuldsaneringen op de voet van art. 354 Fw beëindigd. De recchtbank stelde vast, overeenkomstig lid 1 van die bepaling, dat [verzoeker] c.s. toerekenbaar tekort waren geschoten in de nakoming van verschillende uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen. Ingevolge art. 358 lid 2 Fw betekent dat, dat het in art. 358 lid 1 Fw voorziene rechtsgevolg - dat in de wandeling pleegt te worden aangeduid als "de schone lei" - niet intreedt.

3. In hoger beroep werden namens [verzoeker] c.s. sommige van de vaststellingen van de rechter van de eerste aanleg bestreden. Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is uitvoerig op de in dit verband aangevoerde argumenten ingegaan. Vervolgens heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd. Het hof stelde, in afwijking van het namens [verzoeker] c.s. verdedigde, vast dat er herhaaldelijk verzoeken aan [verzoeker] c.s. waren gedaan om hun verplichtingen na te komen, maar dat zij op meerdere punten hebben verzuimd hieraan gehoor te geven. Het hof zag geen aanleiding om de tekortkomingen op de voet van art. 354 lid 2 Fw als van geringe betekenis of van bijzondere aard aan te merken en daarom anders te oordelen dan op de voet van art. 354 lid 1 Fw aangewezen zou zijn. De beslissingen van de eerste aanleg werden dus, als gezegd, bekrachtigd.

4. Tegen het arrest van het hof is (tijdig(1)) cassatieberoep ingesteld. Er worden twee middelen aangevoerd.

Middel 1 klaagt over vier dingen. Ik behandel de klachten in de volgorde die mij het meest logisch lijkt.

5. Voorop staat dan dat de feitelijke vaststellingen waar het hof zijn oordeel op heeft gebaseerd, worden betwist: er zou niet vaststaan dat er een boedelachterstand was, en dat inlichtingen aan de bewindvoerder (in onaanvaardbare mate) achterwege zijn gebleven.

Deze klachten stuiten er op af dat blijkens rov. 3.5.3 van het bestreden arrest bij de mondelinge behandeling in hoger beroep door [verzoeker] c.s. is toegegeven dat er een boedelachterstand van tenminste € 1.177,- was en dat zij op geen enkele manier meer met de bewindvoerder communiceerden. Aan die vaststelling kon het hof het hier bestreden oordeel verbinden - daar is in cassatie geen kruid tegen gewassen.

Het valt ook niet in te zien dat een bovenaan p. 3 van het cassatierekest gegeven citaat uit een brief die de bewindvoerder geruime tijd vóór de door het hof te beoordelen situatie zou hebben geschreven, een ander licht werpt op het hier bestreden oordeel. Toen die brief werd geschreven lagen de verhoudingen blijkbaar nog niet zo scherp als een aantal maanden later.

6. Dan wordt er geklaagd dat het hof ongemotiveerd zou zijn voorbijgegaan aan toepassing van art. 354 lid 2 Fw.

Die klacht mist doel omdat het hof - na in rov. 3.5.1 te hebben aangegeven dat het toetsing aan art. 354 lid 2 Fw tot zijn taak rekende - in rov. 3.5.7 expliciet heeft overwogen dat het geen aanleiding zag voor toepassing van de in art. 354 lid 2 Fw neergelegde uitzonderingsregel. Het is duidelijk dat dat oordeel berust op 's hofs eerder gegeven bevindingen, waarin in afwijking van de namens [verzoeker] c.s. aangevoerde argumenten wél wezenlijke tekortkomingen ten aanzien van de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen werden geconstateerd, en ook werd geoordeeld dat de namens [verzoeker] c.s. aangevoerde argumenten deze tekortkomingen niet rechtvaardigden. Daarin ligt verwerping van het beroep op art. 354 lid 2 Fw besloten.

7. In de derde plaats wordt aangevoerd dat de bewindvoerder door het opheffen van de postblokkade en door beslissingen die meebrachten dat [verzoeker] c.s. zelf de volle verantwoordelijkheid voor de boedelafdrachten kregen, aan [verzoeker] c.s. een bescherming zou hebben ontnomen die de wet hun wél zou (behoren te) bieden.

Deze klacht kan niet slagen omdat in de feitelijke instanties geen betoog van deze strekking is aangevoerd(2).

Overigens valt in het algemeen niet in te zien dat een tekortschieten aan de kant van de bewindvoerder, indien al aanwezig, eo ipso met zich mee zou brengen dat tekortkomingen aan de kant van de schuldenaar niet, of niet ernstig, meer aan deze mogen worden toegerekend(3).

8. Tenslotte wordt een beroep gedaan op verschillende artikelen uit het EVRM en op art. 3 IVRK(4).

Ook hier geldt dat een vergelijkbaar beroep niet in de feitelijke instanties is gedaan, en dat dan ook niet wordt aangewezen op welke daar aangevoerde feitelijke gronden de klachten over miskenning van de desbetreffende verdragsregels zouden berusten. In cassatie kan iets dergelijks niet voor het eerst worden aangevoerd/onderzocht.

Het dossier bevat overigens geen aanwijzingen die een noemenswaardig aanknopingspunt zouden kunnen opleveren voor stellingen betreffende schending van de aangehaalde verdragsregels.

9. Middel 2 verwijst opnieuw naar de in Middel 1 aan de bewindvoerder verweten stappen (opheffen van de postblokkade e.d.), naar (art. 8 van) het EVRM en naar het in alinea 5 hiervóór bedoelde citaat uit een bericht van de bewindvoerder.

Ik meen dat deze argumenten in het verband waarin zij hier worden aangevoerd niet voor een andere beoordeling in aanmerking komen, dan ik in het verband van Middel 1 heb verdedigd.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ingevolge art. 355 jo. art. 351 lid 5 Fw bedraagt de cassatietermijn acht dagen. Het arrest van het hof is van 22 april 2009. Het cassatierekest is op 28 en 29 april ingekomen (op 28 april per fax en op 29 april in een "reguliere" papieren versie).

2 Althans: omdat het hof het namens [verzoeker] c.s. aangevoerde in die zin heeft mogen opvatten.

3 Zie bijvoorbeeld alinea 22 van de conclusie voor HR 21 november 2008, RvdW 2008, 1059.

4 Ik neem aan dat hiermee bedoeld is het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, Trb. 1990, 170.