Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ9343

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
07/11131
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ9343
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Toereikende verwerping van het verweer dat het niet onmogelijk is dat een ander dan verdachte de in de bewezenverklaring bedoelde tekst op internet heeft geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 586
RvdW 2009, 1371
NJB 2009, 2199
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11131

Mr. Vegter

Zitting: 22 september 2009 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te Leeuwarden wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een geldboete van € 220,-, subsidiair vier dagen hechtenis.

2. Namens de verdachte heeft mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de verwerping van een verweer dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard diende te worden, althans dat strafvermindering diende te worden toegepast, omdat het OM pas in hoger beroep processen-verbaal bij de stukken heeft gevoegd waarin onder meer werd gerelateerd over de toepassing van een gegevensvordering als bedoeld in artikel 126na (oud) Sv.

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 4 februari 2005 tot en me 6 februari 2005, in de gemeente Groningen, een persoon, genaamd [slachtoffer], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op een website, genaamd '[...]', op het internet teksten geplaatst, inhoudende "Het wordt nu echt tijd voor een nekschot voor [slachtoffer]" en "Hulde aan Rita Verdonk!... die wat mij betreft de executie mag voltrekken...", van welke teksten genoemde [slachtoffer] kennis heeft genomen."

5. Ik citeer hieronder voor zover nodig de relevante stukken, ook vast met het oog op de bespreking van het tweede middel.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2007 houdt in:

"De verdachte verklaart:

Met de in de tenlastelegging genoemde woorden "Het wordt nu echt tijd voor een nekschot voor [slachtoffer]" is bedoeld aan te geven, dat die [slachtoffer] een domme man is. De betekenis van die woorden zijn ook wel terug te vinden in de verklarende woordenlijst. Je moet de in de tenlastelegging genoemde woorden zien in de context van het artikel waarin het op het internet gepubliceerd heeft gestaan en niet letterlijk nemen.

Het hof kan er niet vanuit gaan dat ik degene ben geweest die de in de tenlastelegging genoemde woorden op het internet heeft gezet. Ik heb een zware hartaanval gehad, waardoor ik een deel van mijn herinneringen kwijt ben geraakt. Als gevolg daarvan heb ik er geen concrete herinnering aan dat ik degene ben geweest die de in de tenlastelegging genoemde woorden op het internet heeft geplaatst. Ik ben echter wel verantwoordelijk voor de website waarop die woorden zijn geplaatst. Ik ben namelijk de beheerder van de server waarop de site staat waarop de ten laste gelegde woorden zijn gepubliceerd. Ik ben niet de beheerder van de site. Ik ben gerechtigd om de bewuste website "uit de lucht" te nemen.

Ik sta op het internet bekend onder de inlognaam "[B]". Meerdere personen waren van die inlognaam op de hoogte. Om op de bewuste website te kunnen publiceren heb je naast die inlognaam ook nog een password nodig. Meerdere personen waren van het bewuste password op de hoogte. Het is dus best mogelijk dat niet ik, maar een andere persoon, de ten laste gelegde woorden op het internet heeft geplaatst.

Ook ná 6 februari 2005 ben ik geconfronteerd met onder de inlognaam "[B]" op het internet gepubliceerde teksten, die ik niet op het internet had gepubliceerd. Op de vraag van de vice-president of ik ook werk heb gemaakt van die publicaties antwoord ik ontkennend. Ik heb niets met die publicaties gedaan. In alle gevallen, waarin een ander onder mijn inlognaam op het internet heeft gepubliceerd, heb ik niets gedaan. Ik weet immers niet wie onder mijn naam heeft gepubliceerd.

[E] is het hoofddomein van de [D]-website. Ook op die site zijn teksten onder mijn inlognaam gepubliceerd, terwijl ik niet degene ben geweest die dat heeft gedaan. In verband daarmee wil ik een civiele procedure tegen [D] instellen. [D] is namelijk de bron van die gepubliceerde teksten en via een civiele procedure kan ik die bron aanpakken.

Op de vraag van de raadsman hoe ik aan de inlognaam "[B]" ben gekomen antwoord ik, dat een medewerker, wiens naam ik niet weet, van [E] mij die naam heeft gegeven. De inlognaam "[B]" bestond al vóórdat ik onder die naam publiceerde.

(...)

De advocaat-generaal voert aan:

Gelet op hetgeen verdachte zojuist heeft verklaard staat niet onomstotelijk vast dat het verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd. Daarom vorder ik aanhouding van de zaak, teneinde de digitale recherche in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar het daderschap in deze zaak.

De raadsman deelt desgevraagd mede het helemaal eens te zijn met de door de advocaat-generaal gevorderde aanhouding.

Hierop schorst de vice-president het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de digitale recherche in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar het daderschap in deze zaak."

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 augustus 2007 houdt in:

"De voorzitter deelt mee dat het onderzoek op 24 januari 2007 werd geschorst om de digitale recherche in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar het daderschap in deze zaak. Dit onderzoek heeft de vaststelling opgeleverd dat het technisch niet mogelijk is aan te tonen wie de computer van verdachte heeft gebruikt op het moment dat de tenlastegelegde bewoordingen op het internet zijn geplaatst. Het vorenstaande is weergegeven in een proces-verbaal van aanvulling van de afdeling Digitale Opsporing van de Regiopolitie Drenthe van 20 maart 2007. Voorts is aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van aanvulling van de Regiopolitie Groningen, gedateerd 3 april 2005 (stuk 1), en een proces-verbaal (onderzoek computer van [verdachte]) van de Regiopolitie Groningen, met bijlagen, gedateerd 23 maart 2005 (stuk 2), ingekomen bij het ressortsparket te Leeuwarden op 1 februari 2007.

(...)

De advocaat-generaal voert als volgt het woord, zakelijk weergegeven:

Ik acht het boven redelijke twijfel verheven dat verdachte de gewraakte bewoordingen op internet heeft geplaatst. Ik leid dat af uit zijn eigen verklaring, uit de excuusbrief die hij aan [slachtoffer] heeft gezonden en uit het feit dat de bedreiging via de computer van [verdachte] is verzonden. (...)

De raadsman voert het woord ter verdediging. Hij brengt allereerst het navolgende formele punt naar voren, zakelijk weergegeven:

Er is in deze zaak nogal wat misgegaan bij het openbaar ministerie. Ik ontving pas gisteren via de griffie van uw hof per fax een uitvoerig proces-verbaal van politie met als datum 3 april 2005. Ik heb desondanks tijd gevonden de verdediging goed voor te bereiden. Dat proces-verbaal was nieuw voor mij. Daaruit blijkt onder meer dat er een vordering ex artikel 126na Sv is gedaan, hetgeen ik in deze zaak buitenproportioneel acht. Ook de politierechter beschikte destijds niet over dit proces-verbaal. Dat betekent dat in eerste aanleg niet in volle omvang op de zaak is beslist. Mijns inziens is er daarmee sprake van een vormverzuim bij de berechting. Ik verzoek u daarom primair om de zaak terug te wijzen naar de politierechter, opdat deze opnieuw een oordeel kan vellen, maar dan op basis van een compleet dossier.

Subsidiair verzoek ik u het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, daarbij mede gelet op de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden. Die staan niet in verhouding tot een zaak, die zich kennelijk aanvankelijk leende voor een transactie-afdoening. Dat die bevoegdheden - ik noemde hiervoor al artikel 126na van het Wetboek van Strafvordering - zijn toegepast bleek pas uit het gisteren ontvangen proces-verbaal.

Voorts is naar mijn mening onduidelijk, wie de tekst heeft geproduceerd en verzonden. Het feit dat cliënt excuses aan [slachtoffer] heeft aangeboden wijst niet - zoals de advocaat-generaal betoogt - op schuld. Hij weet het gewoon niet meer.

De raadsman legt voorts een pleitnota over, waarin - onder meer - het vorenstaande nader is geëxpliciteerd en welke aan dit proces-verbaal zal worden gehecht en daarvan deel uitmaakt.

De advocaat-generaal repliceert als volgt, zakelijk weergegeven:

Toen het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2007 binnenkwam, bleek dat het door de raadsman bedoelde proces-verbaal niet aan het dossier was toegevoegd. Dat is toen alsnog gebeurd. Ik weet niet waarom er op dat moment geen afschrift aan de raadsman is gezonden. Dat is buitengewoon vervelend, maar ik ben van mening dat er hier geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Evenmin kan gesproken worden van een opzettelijke grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, die tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden.

Met betrekking tot de gebruikte opsporingsbevoegdheden ben ik van mening dat deze proportioneel waren, zeker in aanmerking nemend dat de feiten aanvankelijk anders werden ingeschat.

De raadsman dupliceert als volgt, zakelijk weergegeven:

Het is juist dat er geen direct nadeel voor mijn cliënt is ontstaan door het incomplete dossier in eerste aanleg. Ik acht het echter principieel onjuist en in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde dat een dossier pas volledig is na aanhouding in hoger beroep. Voorts begrijp ik niet waarom de Digitale Recherche de server in Enschede niet heeft geraadpleegd om duidelijkheid te verkrijgen over de afzender van het bericht. Zo moeilijk is dat niet."

7. De door de raadsman kennelijk(1) op 15 augustus 2007 overgelegde pleitnota houdt het volgende in:

"Nu een p.v. uit 2005 een dag van te voren om 15:18 gefaxt. Ingekomen op 1 februari 2007 bij het ressortsparket. Op 3 augustus nog telefonisch contact gehad met de Strafgriffie. Gisteren om 14:00 gebeld. Pas vlak voor een 2e zitting bij het Hof wordt het dossier compleet gemaakt.

P.v. 2005. Een vormverzuim bij de berechting. De rechter in eerste aanleg heeft niet over de zaak in volle omvang kunnen beslissen ondanks dat het p.v. van april 2005 al geruime tijd voorhanden was. Daardoor is naar mijn mening geen sprake van een beslissing van de rechter in eerste aanleg van de hoofdzaak en moet de zaak worden teruggewezen naar de Rechtbank.

NJ 2003 /695

Op grond van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering maken de ambtenaren, bedoeld in de artikelen 141 en 142, ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

Politie en Openbaar Ministerie dienen namelijk een open en volledige verantwoording van het opsporingsonderzoek af te leggen ter openbare terechtzitting. Deze verplichting strekt er toe de controle van de strafrechter op het totale verloop van het opsporingsonderzoek mogelijk te maken.

Een en ander is nader uitgewerkt in de Richtlijn schriftelijke verantwoording ten behoeve van de strafzaak van het College van procureurs-generaal van 28 januari 1997, Stcrt. 1997, 68. In deze richtlijn zijn onder meer de volgende uitgangspunten opgenomen:

I. Alle in het kader van het totale opsporingsonderzoek verrichte opsporingshandelingen en activiteiten dienen schriftelijk bij proces-verbaal te worden vastgelegd.

Het opmaken en inzenden van een proces-verbaal inzake een onderzoeksactiviteit mag slechts dan achterwege blijven als - naar het oordeel van de officier van justitie - de onderzoeksverrichting of -bevinding iedere relevantie mist.

II. De resultaten van het opsporingsonderzoek die van belang kunnen worden geacht voor het bewijs dienen integraal bij proces-verbaal te worden verantwoord en als processtukken bij het strafdossier te worden gevoegd.

Hier staat vast dat de er stukken buiten het dossier gebleven waardoor ten onrechte de verdediging en de rechtbank de mogelijkheid is ontnomen van deze bevindingen kennis te nemen. Naar mijn oordeel is daardoor een inbreuk gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, die niet zonder sanctie kan blijven

Het gaat in deze zaak nog verder.

Er blijkt nu ineens ook nog een Bob bevoegdheid gebruikt te zijn. Art. 126na van het Wetboek van strafvordering. Die toepassing is tot gisteren niet gebleken uit de stukken. Dat had absoluut gemoeten o.g.v. art. 126aa van het Wetboek van strafvordering.

Lid 1 luidt "1. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va, dan wel door de toepassing van artikel 126ff, voorzover die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn, bij de processtukken."

Lid 3 luidt "4. Indien geen processen-verbaal van de uitoefening van een van de bevoegdheden, bedoeld in de titels IVa tot en met Va, dan wel van de toepassing van artikel 126ff, bij de processtukken zijn gevoegd, wordt van het gebruik van deze bevoegdheid in de processtukken melding gemaakt."

Gezien de aard van de zaak en de uiteindelijk aangeboden transactie ben ik van mening dat de inzet van dit opsporingsmiddel buitenproportioneel is. Een beroep hierop is de verdediging in eerst aanleg ontnomen en daarmee ook de toetsing daarvan door de rechter in eerste aanleg.

Primair ben ik van mening dat doordat er stukken niet in het dossier waren in eerste aanleg, voor rekening van de officier van justitie, dat er geen sprake is van een beslissing in de hoofdzaak door de Rechtbank en dat de zaak moet worden teruggewezen.

Mocht u die mening niet zijn toegedaan dan ben ik van mening dat er hier sprake is van een dusdanige schending van normen, die ook strekken ter bescherming van de belangen van [verdachte], van dermate fundamentele aard dat er, tegen de achtergrond van de aangeboden transactie door het Openbaar Ministerie en de betrekkelijke eenvoud van de zaak, een niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te volgen. Anders strafvermindering.

DADERSCHAP

Is er voldoende wettig bewijs? Men kan niet afgaan op wat andere anonieme bronnen op internet daarover zeggen zoals [D]. Dat kan mogelijk leiden tot een verdenking maar is geen bewijs.

Hij zou het hebben kunnen gedaan. Sterker nog hij vermoed dat hij het gedaan heeft. Maar hij weet het niet. Hij zegt ook direct in zijn verklaring p. 15 "Ik heb meerdere bijnamen op het internet en er zijn ook namen die ik deel."

Bij het verhoor op de inverzekeringstelling geeft hij al aan dat hij het zich niet voor de geest kan halen. Hij legt uit wat de term nekschot op het internet betekent en hoe dit moet worden uitgelegd. Tevens geeft hij direct aan dat hij net twee weken daarvoor gedotterd is.

Kortom hij heeft de schijn mogelijk tegen maar hij weet oprecht niet.

Bestanddeel "Heeft geplaatst of doen plaatsen'

De enige manier waarop men 100% zekerheid kan krijgen over wie een bericht geplaatst heeft is op de server in [plaats]. Dus men had in [plaats] op de server moeten kijken vanaf welk IP-adres het bericht geplaatst is. Al het andere zegt niets. Met de IP adressen van de server had men ook kunnen zien wie er nog meer publiceerden onder de naam [B]. P 16 van het dossier zegt [verdachte]: "Ik denk niet dat op mijn PC gegevens zijn te vinden die voor uw onderzoek van belang zijn. Aangezien de dat waartoe dat artikel behoort, zich bevind op een machine in [plaats]." P. 13 wordt zelfs gemeld bij wie de server is. [...] in [plaats]. Het bewijs was, kortom, dus eenvoudig te leveren geweest.

Daarmee had men overigens ook kunnen achterhalen wie er nog meer publiceren als [B] en had men ook anderen als verdachten kunnen aanmerken.

Ik heb als startpagina op mijn werk de DVHN-site. Daarop kun je op berichten reageren. Dus in principe kunnen er iedere dag dat ik werk reacties van mij afkomstig zijn. U weet het echter pas zeker wanneer u op de server van het Dagblad gaat kijken en het blijkt dat een dergelijke reactie van mijn IP-adres afkomstig is.

In het p.v. van aanvulling van [betrokkene 2] van wordt een hoop suggestie gewekt. Geen bewijs voor het plaatsen voor het artikel. Temporary internet files zegt niets.

[Betrokkene 2] formuleert het correct wanneer hij zegt "De omstandigheid, dat dit bestand in deze tijdelijke map van het besturingssysteem Windows terecht is gekomen, betekent in feite, dat het als webpagina op het beeldscherm van de computer heeft gestaan, in dit geval op het scherm van de laptop (systeem 1)."

Dat klopt. Meer niet. Hij was beheerder van die site. Hij bekeek hem bijna dagelijks. "Gezien de tijdstippen is het zeer goed mogelijk, dat het door [B] geleverde commentaar op de website is geplaatst op 4 februari 2005 vanaf het computersysteem 1 (de laptop)."

Inderdaad is het mogelijk maar het bewijs is alleen te vinden op de server.

Inloggen als [B]. Ook nooit ontkend. Maar er zijn meer mensen die konden inloggen als [B] en dan kon zelfs nog tegelijkertijd. Het bewijs is alleen te vinden op de server. Daar kan men zien vanaf welk IP-adres een bericht is geplaatst.

Onder "Achterhalen van de identiteit van [B]":

"Tijdens het onderzoek aan de gegevens op de harde schijven van de computersystemen kwam ik vele malen het emailadres [B]@vrijspraak.org tegen."

Waar dan?

Ik vind dat gezien de aard van de zaak de inzet van een bijzonder opsporingsmiddel buitenproportioneel is. We hebben het over een bedreiging waar een transactie vaan 220 euro voor wordt aangeboden.

Art. 126na lid 2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid (te weten naam, adres, postcode, woonplaats e.d. van de gebruiker) niet bekend zijn en zij nodig zijn voor o.a. de toepassing van art. 126n, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.

Nergens is een bevoegdheid geregeld dat wanneer de aanbieder het niet weet, deze dan een suggestie mag doen over wie het volgens hem zou kunnen zijn. Zoals hier.

In dit geval nog vreemder omdat [betrokkene 3] zelf de tekst misschien wel geplaatst heeft. [verdachte] is al langer gebrouilleerd met [betrokkene 3] dus hij zou er ook nog een motief voor kunnen hebben om [verdachte] te belasten. [betrokkene 3] zat ook in het bestuur van de vereniging dus het is mij volstrekt onduidelijk waarom [betrokkene 3] minder verdacht is dan [verdachte].

Nogmaals hij zou het kunnen hebben geschreven maar in juridische zin is er te weinig bewijs.

Op pag. 4 van het p.v. staat. Hij nam als bestuurslid de verantwoording en bood zijn excuus aan. Maar bewijs is er niet.

Er is in dit opzicht door de aanvullende stukken ook niet meer bewijs dan de voor de aanhouding van 24 januari jl.

Vrijspraak."

8. De aantekening van het mondeling arrest houdt in:

"a. beslissing omtrent de nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg/de onbevoegdheid van de enkelvoudige kamer tot kennisneming van het (de) tenlastegelegde feit(en)/de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep/schorsing van de vervolging;

De voorzitter is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het openbaar ministerie bewust informatie heeft achtergehouden door vorenbedoelde stukken eerst na aanhouding in hoger beroep aan het dossier toe te voegen. Wat de reden daarvan is geweest, valt thans niet meer te achterhalen. Daardoor kan evenwel niet worden gesproken van een schending van een behoorlijke procesorde, noch van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.

Gelet op het vorenstaande wordt het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard in de vervolging.

(...)

d. inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het tenlastegelegde feit dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan:

1.

een proces-verbaal van aangifte, nummer PL01KA-05/016948, d.d. 11 februari 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 7], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Noord-West, paragraaf 12 van een dossier van de Regiopolitie Groningen, dossiernummer PL01KA-05/001598, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van Regiopolitie Groningen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [slachtoffer], aangever:

Ik ben directeur van de Stichting [A]. Ik werk vanuit het kantoor aan de [a-straat 1] te [plaats]. Op 6 februari 2005, omstreeks 15.00 uur, was ik op het kantoor in [plaats]. Ik lees dan de mail van de stichting. Tussen de mailtjes zat een mail welke mij opviel. Het onderwerp van de mail luidde: Neofascisten roepen op tot moord op [A] directeur. Ik ben het mailtje gaan lezen. Deze is toegevoegd aan deze aangifte. In de mail stond een artikel uit het Limburgs Dagblad, welke ik wel herken. Voor en na het artikel staan oproepen tot Moord op de [A] directeur' en 'een nekschot voor [slachtoffer]'. Ik vond deze bedreiging niet aanvaardbaar. Ik had eerst een raar gevoel, nu vooral ben ik bang voor mijn veiligheid, ook voor die van mijn gezin en collega's.

2.

een proces-verbaal van de politie Limburg/Noord, basiseenheid Venlo Centrum, op 22 februari 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent, paragraaf 14 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van [betrokkene 1], getuige:

Op 4 februari 2005 heb ik mijn naam ingetypt op een internetzoekmachine. Ik kwam toen uit op de site van [...]. Ik ben verder gaan kijken op de site en kwam vervolgens de kreet tegen, waarin wordt opgeroepen tot het geven een nekschot aan [slachtoffer]. Bij die oproep, waarin werd opgeroepen tot het geven van een nekschot, stond een artikel van het Limburgs Dagblad van 4 februari 2005. Het ging over een vervangende identiteitskaart voor asielzoekers, het zogenaamde [A]-paspoort. Ik heb vervolgens dit bericht gekopieerd en via een email-bericht gestuurd naar Info@[A].nl. Ik vond dit mijn burgerplicht. Ik vind ook dat er de laatste tijd via het internet veel zogenaamde doodsoproepen worden gedaan. Ik maak mij daar zorgen over.

3.

een schriftelijk stuk, te weten een print van een e-mailbericht d.d. 4 februari 2005, opgenomen in paragraaf 12 van het onder 1. genoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende:

Commentaar van [B]:

Het wordt nu écht tijd voor een

Nekschot voor [slachtoffer]!

Hulde aan Rita Verdonk!

die wat mij betreft de executie mag voltrekken....

4.

een proces-verbaal van verhoor, nummer PL01KA-05/016948, d.d. 28 februari 2005 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3] en op ambtsbelofte door [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier Regiopolitie Groningen, District Noord-West, paragraaf 16 van het onder 1. genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

als verklaring van verdachte:

Ik heb toegang tot het account "[B]" wat de beheerdersaccount is van de site [...].org. Ik weet dus de inlogcode en het password van "[B]". Ik heb zojuist van u de tekst gezien waarover deze aangifte gaat. Ik heb gelezen dat onder een artikel over het uitgeven van valse papieren door de stichting [A] als commentaar van [B] de volgende twee zinnen te lezen zijn: "Nekschot voor [slachtoffer]. Hulde aan Rita Verdonk." Ik heb er geen herinnering aan dat ik dit commentaar heb geschreven. Ik wil hiervoor echter niet de verantwoordelijkheid uit de weg gaan, aangezien ik het wel geschreven zou kunnen hebben. Ik heb me mogelijk onbewust dus schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer].

5.

een proces-verbaal van bevindingen, op 22 februari 2005 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], brigadiers Regiopolitie Groningen, paragraaf 13 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Verder raadplegen op "vrijspraak.org" geeft aan dat de stellingen van een zekere "[F]" wordt verdedigd en dat "[...]" wordt beheerd door de Groninger [verdachte]. Tevens spreken andere websites dat de "Stichting ter bevordering van de vrijheid van meningsuiting (SVVM) draait om de Groninger [verdachte]. Tevens dat deze persoon betrokken is bij Nieuw Rechts, en de uiterst rechtse internetsites [...] en [...] beheert.

Ook is op internetwebsite [C] en [D] te lezen dat [verdachte] onder het pseudoniem "[B]" actief is op een aantal extreem rechtse fora.

Met betrekking tot het daderschap van verdachte heeft de voorzitter voorts gelet op de inhoud van de brief van verdachte, verzonden op 1 december 2005 aan [slachtoffer]. Deze duidt, gelet op de wijze waarop verdachte deze brief heeft geformuleerd, op rechtstreekse betrokkenheid.

(...)

j. opgelegde straf(fen) of maatregel(en) met vermelding van de bijzondere redenen die de straf(fen) hebben bepaald of tot de maatregel(en) hebben geleid. Verder in de voorkomende gevallen opgave van de strafmotivering, genoemd in artikel 359 Sv:

(...)

De door de raadsman geschetste gang van zaken, neergelegd in de hiervoor besproken verweren, geven de voorzitter geen aanleiding tot strafvermindering. De voorzitter is het eens met de raadsman dat toevoeging van stukken in een (heel) laat stadium onwenselijk is. Met de toevoeging echter is het verzuim als bedoeld in artikel 359a Sv hersteld, terwijl de verdediging er kennelijk niet door is geschaad."

9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 augustus 2007 houdt in dat de raadsman een pleitnota heeft overgelegd. Dit proces-verbaal houdt niet in dat de raadsman overeenkomstig deze pleitnota heeft gepleit. Het houdt evenmin in dat de raadsman heeft verzocht de inhoud van de pleitnota als voorgedragen te beschouwen en dus ook niet dat het Hof met een dergelijk verzoek heeft ingestemd. De vermelding in het proces-verbaal dat in de pleitnota (onder meer) het voorafgaand aan de overlegging van de pleitnota gehouden pleidooi van de raadsman nader is geëxpliciteerd duidt er op dat de pleitnota niet (integraal) is voorgedragen. Het ligt immers niet voor de hand dat de raadsman zijn eerder gehouden betoog nog eens (in een uitgebreide versie) heeft herhaald. Het zal er daarom in cassatie voor gehouden moeten worden dat de pleitnota weliswaar is overgelegd, maar niet is voorgedragen. Dat de pleitnota (kennelijk per abuis gehecht aan het proces-verbaal van 24 januari 2007) geacht kan worden te zijn gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 augustus 2007 en daarvan deel uitmaakt, maakt dat niet anders.(2)

10. Dit betekent dat het middel feitelijke grondslag mist voor zover het klaagt over de verwerping van het beroep op strafvermindering. Dat een dergelijk beroep ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk is gedaan blijkt niet. Overigens getuigt het oordeel van het Hof dat de gang van zaken - waardoor ook volgens de raadsman de verdachte niet in zijn belang is geschaad - niet tot strafvermindering behoeft te leiden niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

11. De niet-ontvankelijkheid werd blijkens het pleidooi in hoger beroep in de eerste plaats gegrond op de disproportionaliteit van de gegevensvordering ex artikel 126na Sv en niet zozeer op het feit dat het dossier pas na aanhouding in hoger beroep werd gecompleteerd. Die laatste omstandigheid diende volgens het pleidooi primair tot terugwijzing van de zaak te leiden. Subsidiair, en mede gelet op de beweerdelijke disproportionaliteit van de gegevensvordering (waarvan evident is dat, als een dergelijk verzuim wordt aangenomen, het tijdens het vooronderzoek heeft plaatsgevonden) werd wel op de niet-ontvankelijkheid aangestuurd. Het pleidooi hield voorts in dat het "in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde is dat een dossier pas volledig is na aanhouding in hoger beroep", maar aan die stelling op zich werd niet uitdrukkelijk de gevolgtrekking verbonden dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Dat het niet-ontvankelijkheidverweer, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld, "uitdrukkelijk niet gevoerd is in het kader van artikel 359a Sv", omdat "het niet gaat om een vormverzuim tijdens het voorbereidend onderzoek", lijkt mij dan ook wat stellig uitgedrukt. Het verwijt dat in de toelichting op het middel doorklinkt, namelijk dat het Hof het verweer verkeerd zou hebben opgevat, lijkt mij dan ook niet helemaal terecht. Gelet op het navolgende maakt dit voor het lot van het middel geen verschil.

12. Het Hof heeft onder meer op de (naast zijn oordeel dat niet kan worden gesproken van een schending van een behoorlijke procesorde klaarblijkelijk zelfstandige(3)) grond dat er geen sprake is geweest van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte geoordeeld dat er geen reden was om het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Of het verzuim nu tijdens of na het voorbereidend onderzoek wordt gesitueerd is daarvoor niet van doorslaggevend belang. Ik citeer de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 3 april 2007, LJN AZ8395:

"8. In een zaak als de onderhavige, waarbij het vormverzuim is begaan gedurende een onderbreking van het (aangehouden) onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, is het artikel (359a Sv, A-G) niet van toepassing omdat de toepassing ervan beperkt is tot vormverzuimen die bij het voorbereidend onderzoek, waaronder dient te worden verstaan (vgl. art. 132 Sv) het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting, zijn begaan. De wetgever heeft echter met art. 359a Sv uitdrukking gegeven aan een procesordenend beginsel dat het toepassingsbereik van art. 359a Sv overstijgt. Ook verzuimen tijdens het onderzoek ter terechtzitting begaan moet de rechter eerst trachten te herstellen. Dat is ook het uitgangspunt van de wetgever geweest. Ik citeer:

"Dit voorstel wijkt in twee opzichten af van het voorstel van de Commissie-Moons. In de eerste plaats heeft dit artikel alleen betrekking op vormverzuimen begaan bij het voorbereidend onderzoek. In artikel 359a, eerste lid, in de aanhef zijn daartoe de woorden "of bij het onderzoek ter terechtzitting" geschrapt. De reden hiervan is dat dit beter aansluit bij de bestaande systematiek waarin de beoordeling van vormverzuimen ter zitting met uitsluiting van anderen is voorbehouden aan de appel- of cassatierechter, terwijl verzuimen begaan in het voorbereidend onderzoek ook door de rechter in eerste aanleg kunnen worden beoordeeld. Behalve dat dit systematisch juister is, is er ook geen behoefte aan de mogelijkheid dat de zittingsrechter zijn eigen handelen of nalaten met één van de voorgestelde sancties sanctioneert. Indien hij een verzuim begaat, en hij zich dit realiseert, bijvoorbeeld indien hij vergeet een getuige te beëdigen, dan zal hij dit verzuim herstellen."

In dit citaat is sprake van een verzuim van de rechter zelf, maar ik zie geen grond om de basisgedachte niet evenzeer van toepassing te achten op verzuimen van andere procesbetrokkenen, zoals het OM.(4)

9. Als ik mij niet vergis is dit ook het standpunt van de Hoge Raad. HR 16 augustus 2005, LJN AT6058 houdt onder meer in:

(...)

3.3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat door het bezoek van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] aan de getuigen getuige 1 en getuige 2 op 18 december 2003 en het gesprek dat zij toen met het echtpaar getuige 1 en getuige 2 hadden, ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Gelet op hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen, is de niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende verwerping door het Hof van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging niet onbegrijpelijk."

In die zaak had de politie de getuigen over de zaak benaderd vóórdat deze op de nadere terechtzitting opnieuw door het Hof zouden worden gehoord. Van een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde die het verval van het vervolgingsrecht moet meebrengen, was (nog) geen sprake. Voorzover hier van belang kon dit gevolg naar het oordeel van het Hof evenmin teweeggebracht worden door de omstandigheden dat het gesprek met de getuigen zonder voorafgaande kennisgeving aan de verdediging plaatsvond en zonder dat de verdediging in de gelegenheid was gesteld het gesprek bij te wonen. De verdediging had volgens het Hof immers op de terechtzitting de gelegenheid de getuigen over het "gesprek" te ondervragen, waarvan zij gebruik heeft gemaakt. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad ook niet onbegrijpelijk.(5)

Daaruit valt af te leiden dat ook de vormverzuimen die plaatshebben na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting en vóór de nadere terechtzitting, in de eerste plaats voor herstel door de rechter in aanmerking komen."

13. Het oordeel van het Hof is voorts niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat niet kon worden achterhaald wat er de reden van was dat de desbetreffende stukken niet eerder in het procesdossier zijn gevoegd (en dus ook niet dat dit bijvoorbeeld is gebeurd om de Rechtbank en (aanvankelijk) het Hof daarvan onkundig te houden(6)) en dat die stukken in hoger beroep alsnog aan het dossier zijn toegevoegd (zodat de verdediging zich op basis van een volledig dossier heeft kunnen verweren). Ik wijs er voorts op dat ook de raadsman meende de verdachte als gevolg van het aanvankelijk ontbreken van meergenoemde processen-verbaal geen direct nadeel had geleden.

14. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. De behandeling in eerste aanleg vond plaats op 14 juli 2006. De desbetreffende stukken dateren van voor die datum. Zij hadden dus met het oog op de behandeling door de Rechtbank in het dossier moeten worden gevoegd.(7) Tijdens het voorbereidend onderzoek - volgens artikel 132 Sv het onderzoek dat aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat(8) - dus. Dat de gevolgen van het niet tijdig voegen van de stukken in het dossier zich uitstrekken tot het onderzoek ter terechtzitting(9) neemt niet weg dat, in de terminologie van artikel 359a Sv, bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd.

15. Een dergelijke uitleg van het vereiste dat het vormverzuim moet zijn begaan in het voorbereidend onderzoek - in die zin dus dat het feit dat de gevolgen zich uitstrekken tot ná het voorbereidend onderzoek de toepassing van artikel 359a Sv niet uitsluit - kan overigens niet worden gebaseerd op HR 1 juli 2003, NJ 2003, 695, m.nt. PMe. In die zaak was het verzuim namelijk dat de Officier van Justitie in eerste aanleg (dus toen het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 Sv al was afgelopen) nalatig was geweest bepaalde stukken in het dossier te voegen. Dit arrest houdt in:

"4.3. Het Hof heeft in zijn hiervoor weergegeven overwegingen tot uitdrukking gebracht, kort gezegd, dat de omstandigheid dat door de Officier van Justitie in eerste aanleg bepaalde stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd, die naar 's Hofs oordeel wel aan het dossier hadden moeten worden toegevoegd, een schending oplevert van beginselen van een behoorlijke procesorde. Het Hof heeft voorts overwogen dat de Advocaat-Generaal bij het Hof ongevraagd in hoger beroep alsnog volledige openheid van zaken heeft gegeven door de desbetreffende bevindingen aan het strafdossier toe te voegen. In verband met het door het Hof geconstateerde verzuim heeft het overwogen dat de aan de verdachte op te leggen straf op de voet van art. 359 a, eerste lid aanhef en onder a, Sv zal worden verlaagd.

4.4.1. Art. 359a Sv, dat ingevolge art. 415 Sv op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing is, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

(...)

3. Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.

4.4.2. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van voormeld art. 359a Sv, houdt onder meer het volgende in: Het voorgestelde artikel 359a stelt het herstel van het verzuim voorop door in de aanhef te bepalen dat vormverzuimen pas mogen worden gesanctioneerd als herstel niet meer mogelijk is.

(Kamerstukken II, 1993-1994, 23 705, nr. 3, blz. 25)

4.5. Uit de vaststelling van het Hof dat de desbetreffende bevindingen in hoger beroep alsnog door de Advocaat-Generaal bij het Hof aan het strafdossier zijn toegevoegd, volgt dat het verzuim dat zich volgens het Hof in eerste aanleg heeft voorgedaan in hoger beroep is hersteld. Noch art. 359 a Sv, dat uitsluitend betrekking heeft op gevallen waarin sprake is van onherstelbare verzuimen, noch enige andere rechtsregel verplichtte het Hof in zijn beslissing aan te geven dat en in hoeverre hij de straf in verband met dit aanvankelijke - doch herstelde - verzuim vermindert."

16. Uit deze overwegingen leid ik af dat artikel 359a Sv niet van toepassing was omdat het verzuim de stukken in het dossier te voegen was hersteld. Daaruit kan worden afgeleid dat als de stukken niet alsnog in het dossier zouden zijn gevoegd, artikel 359a Sv wel van toepassing zou zijn geweest. Dat zou in die zin opmerkelijk zijn, dat het hier als voormeld niet ging om een verzuim tijdens het vooronderzoek als bedoeld in artikel 132 Sv. Als dit arrest niettemin zo kan worden begrepen dat het feit dat het verzuim hersteld was (en dus niet het feit dat het verzuim pas na aanvang van de behandeling ter terechtzitting had plaatsgevonden) maakte dat artikel 359a Sv niet van toepassing was, zou daaruit volgen dat het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv in zoverre ruimer is dan dat als omschreven in artikel 132 Sv, dat eerstbedoeld voorbereidend onderzoek ook omvat hetgeen met het oog op de voortzetting van het onderzoek op de terechtzitting wordt verricht. Dat lijkt in zoverre geen onredelijke uitleg, dat het veelal nogal toevallig zal zijn of het OM nu al voor de (eerste) behandeling ter terechtzitting alles heeft gedaan om de rechter een compleet dossier voor te leggen, of dat het dossier pas compleet geraakt naar aanleiding van later, eventueel na een rechterlijke opdracht verricht, handelen. Gelet wat hiervoor onder 12 en 13 is opgemerkt laat ik het hierbij.

17. Het middel faalt.

18. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met reden is omkleed, voor zover zij inhoudt dat het de verdachte is geweest die de in de bewezenverklaring opgenomen teksten op de website [...] heeft geplaatst.

19. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2007 aangevoerd dat en hoe het mogelijk was dat een ander dan de verdachte de desbetreffende teksten op het internet plaatste. Hij heeft ook gesteld dat (een) ander(en) daadwerkelijk onder zijn inlognaam berichten heeft/hebben geplaatst. Het Hof heeft op die terechtzitting, kennelijk naar aanleiding van verdachtes betoog, bevolen dat nader onderzocht diende te worden wie de dader van het tenlastegelegde feit is. Klaarblijkelijk vond het Hof dergelijk onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek bleek op de terechtzitting van 15 augustus 2007 niets te hebben opgeleverd. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt niet in dat toen ander nieuw belastend materiaal aan de orde is gesteld. Dat de verdediging tijdens de tweede behandeling in hoger beroep op het standpunt bleef staan dat onduidelijk was wie de desbetreffende tekst heeft geproduceerd en verzonden wekt dan ook geen verbazing. Dat het Hof, kennelijk bij nader inzien, de verdachte klaarblijkelijk op grond van het bestaande materiaal heeft veroordeeld doet dat wel enigszins.(10)

20. Indien het bewijsverweer van de verdediging in de bewijsmiddelen een afdoende weerlegging vindt, zal die verbazing in cassatie geen consequentie hebben. Dat is echter niet het geval. De gebruikte bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat, zoals gemotiveerd is aangevoerd, een ander dan de verdachte de desbetreffende teksten op internet heeft geplaatst. Ter zitting van de politierechter verklaarde verdachte iets stelliger: "Ik ga ervan uit dat ik de tekst heb geschreven." Dat is een (niet voor het bewijs gebruikt) waarschijnlijkheidsoordeel. De onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring komt niet verder dan de mogelijkheid dat verdachte het stuk heeft geschreven. Anders dan de A-G bij het Hof heeft gesteld, kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de bedreiging via de computer van de verdachte is verzonden. De bewijsoverweging dat de voorzitter heeft gelet op de inhoud van de brief van de verdachte aan het slachtoffer maakt het voorgaande niet anders. Die inhoud is immers niet in de bestreden uitspraak opgenomen. De daarop gebaseerde conclusie van het Hof dat uit die brief blijkt van rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte kan daarom in cassatie niet worden getoetst.(11) Bovendien wil "rechtstreekse betrokkenheid" van de verdachte nog niet zeggen dat het de verdachte is geweest die de desbetreffende teksten op internet heeft geplaatst. Dat is echter wel bewezenverklaard.

21. Het middel slaagt.

22. Het eerste middel kan met de in artikel 81 RO bedoelde motivering worden afgedaan.

23. Ambtshalve wijs ik er op dat namens de verdachte op 27 augustus 2007 cassatieberoep is ingesteld. Dat betekent dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar nadien uitspraak zal doen. Indien de Hoge Raad de strekking van deze conclusie volgt zal hij aan dit punt voorbij kunnen gaan.(12) Zo niet, dan zal hij gelet op de opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden kunnen volstaan met de constatering daarvan.

24. Andere gronden waarop de Hoge Raad eventueel gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De pleitnota is gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2007. Dat lijkt echter een vergissing. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt niet in dat de raadsman toen een pleitnota heeft overgelegd en in de pleitnota wordt gerefereerd aan gebeurtenissen van na 24 januari 2007.

2 Vgl. HR 7 april 2009, NJ 2009, 185.

3 Of er, zoals het Hof stelt, inderdaad geen sprake is geweest van enige schending van wat een behoorlijke procesorde vergt kan daarom in het midden blijven. Ik zou menen dat een behoorlijke procesorde meebrengt dat de processuele regels worden nageleefd en dat dus de relevante stukken tijdig in het dossier worden gevoegd.

4 De hier opgenomen verwijzing houdt in: "Zie HR 31 maart 1998, NJB 1998, blz. 791, nr. 66. In die zaak had de officier van justitie na een vrijspraak door de rechtbank getuigen laten horen over het ongeval, nadat de weduwe van het slachtoffer had medegedeeld dat nog een ander het ongeval had gezien. Er was een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het OM, maar het hof had dit verweer verworpen. Bovendien had het hof overwogen dat de schade nog geheel kon worden hersteld door de getuigen alsnog ter terechtzitting in hoger beroep te horen."

5 De hier opgenomen verwijzing houdt in: "Zie voor een vergelijkbare uitspraak HR 8 januari 1991, NJ 1991, 364 voor wat betreft een deskundige die buiten de terechtzitting en de verdediging om gehoord werd." Ik wijs zelf in dit verband nog op HR 5 december 1989, NJ 1990, 719, m.nt. Sch en HR 25 mei 1993, NJ 1994, 143, m.nt. Sch.

6 Ik merk in dit verband op dat de stukken in ieder geval in hoger beroep kennelijk op initiatief van de A-G alsnog bij de stukken zijn gevoegd.

7 Artikel 126aa, derde lid, Sv bepaalt dat de daar bedoelde processen-verbaal bij de stukken worden gevoegd zodra het belang van het onderzoek het toelaat. Dat het belang van het onderzoek zich in het onderhavige geval verzette tegen onmiddellijke voeging blijkt nergens uit.

8 Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 1 op art. 132 (suppl. 7, 1971) houdt in: "Men moet (...) goed voor ogen houden, dat met het onderhavige artikel werd beoogd het voorschrift - behalve op handelingen van onderzoek - ook van toepassing te doen zijn op de periode, die tussen en na afloop van deze handelingen verloopt. De periode (...) kan zijn die welke verloopt tussen de handelingen van onderzoek (...), al dan niet in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek (...). Ook kan zij duiden op het tijdsverloop tussen de sluiting van een gerechtelijk vooronderzoek en de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting."

9 Vgl. Mevis in zijn noot onder het hierna aan te halen arrest.

10 Vgl. HR 23 juni 2009, LJN BH5187.

11 Een kopie van de desbetreffende brief bevindt zich tussen de aan de Hoge Raad gezonden stukken. Die brief houdt niet in dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij het op het internet plaatsten van de gewraakte teksten en ook niet dat hij voor het op internet plaatsen van die teksten zijn excuses aanbiedt. De verdachte schrijft de brief met name te versturen omdat hij in zijn maag zit met de gegevens van het slachtoffer die aan hem zijn verstrekt. Hij schrijft mogelijke ongerustheid van het slachtoffer daarover weg te willen nemen.

12 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, m.nt. PMe, ro. 3.5.3.