Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ8838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08/03902
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8838
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht, bewijslast(verdeling). Geschil over betalingen i.v.m. exploitatie grill-room (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1419
JWB 2009/448
Verrijkte uitspraak

Conclusie

08/03902

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 25 september 2009

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Eiser tot cassatie, [eiser], heeft verweerder in cassatie, [verweerder], bij inleidende dagvaarding van 21 september 2000 gedagvaard voor de kantonrechter te Alpen aan den Rijn tot betaling van een bedrag van ƒ 5.642,- vermeerderd met de wettelijke rente.

De kantonrechter heeft deze vordering bij eindvonnis van 10 september 2002 afgewezen. Bij eindarrest van 22 mei 2008 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

1.2 Het tijdig(1) tegen de arresten van 26 mei 2005, 2 maart 2006 en 22 mei 2008 ingestelde cassatieberoep bevat vier middelen.

Middel I is gericht tegen rechtsoverweging 6 van het arrest van 26 mei 2005 en klaagt in de kern dat het hof daarin een onjuiste bewijslastverdeling heeft gegeven. Volgens het middel heeft het hof wel op de voet van art. 159 lid 2 Rv. onderzocht of de handtekening onder de onderhandse akte van 28 juli 1998 betreffende het bedrag van ƒ 10.000,- van [verweerder] was, maar vervolgens, nadat zulks in rechte was komen vast te staan, ten onrechte niet geoordeeld dat het aan [verweerder] was te bewijzen dat de betaling op 1 juli 1998 van ƒ 5.000,-, met een andere omschrijving onderdeel uitmaakte van de betaling van ƒ 10.000,- op 28 juli 1998. Volgens middel II heeft het hof in zijn arrest van 2 maart 2006 ten onrechte in deze bewijslastverdeling volhard.

1.3 De middelen falen. Het hof heeft in cassatie niet bestreden in genoemde rechtsoverweging 6 van zijn eerste tussenarrest van 26 mei 2005 en in rechtsoverweging 4 van het eindarrest van 22 mei 2008 geoordeeld dat de stellingen van [eiser] er in wezen op neerkomen dat hij aan [verweerder] in totaal ƒ 15.000,- heeft voldaan, te weten ƒ 10.000,- als waarborgsom voor de huur van het bedrijfspand en ƒ 5.000,- als voorschot op de bestellingen die [eiser] bij (de werkgever van) [verweerder] zou doen, terwijl [verweerder] slechts erkent daarvan ƒ 10.000,- voor de huur te hebben ontvangen. Vervolgens heeft het hof onbestreden geoordeeld dat het onder die omstandigheden aan [eiser] is om te bewijzen dat hij onverschuldigd een bedrag van ƒ 5.000,- aan [verweerder] heeft voldaan als voorschot op de te verrichten bestellingen, welk bewijs onder meer kan worden geleverd door het aantonen van een totale betaling van ƒ 15.000,- of door bewijs dat de betaling op 1 juli 1998 was bedoeld als voorschot op betaling van bestellingen en dus geen onderdeel vormde van de borg van ƒ 10.000,-.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste bewijslastverdeling.

1.4 Middel III komt op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4 van het eindarrest dat [eiser] nog niet aan zijn bewijslast heeft voldaan omdat uit het feit dat is komen vast te staan dat de kwitantie van 28 juli 1998 echt is, niet noodzakelijkerwijs volgt dat [eiser] op of rond die datum ƒ 10.000,- ineens als borg aan [verweerder] heeft voldaan, nu deze kwitantie slechts vermeld dat [verweerder] een bedrag van ƒ 10.000,- heeft ontvangen zonder te vermelden waar, wanneer en hoe dat bedrag is betaald.

1.5 De eerste klacht van het middel dat het hof met dit oordeel "zijn eigen bewijsmogelijkheden voor [eiser] die het in zijn tussenarrest van 26 mei 2005 onder 6 had aangegeven, heeft losgelaten", kan niet tot cassatie leiden nu het hof in die rechtsoverweging (zie het citaat onder 1.3) louter heeft vermeld hoe het bewijs onder meer zou kunnen worden geleverd.

1.6 Het middel klaagt voorts dat dit oordeel uit de lucht komt vallen, dat het hof met het gebruik van de term 'noodzakelijkerwijs' de mate waarin bewijs moet worden geleverd heeft miskend, dat het onbegrijpelijk is dat het hof [eiser] heeft toegelaten tot het bewijs van de juistheid van de handtekening van [verweerder] onder de kwitantie van 28 juli 1998, terwijl aan de valsheid van de verklaring van [verweerder] onder ede dat hij die verklaring niet had ondertekend, geen enkel gevolg is verbonden ook niet voor de bewijskracht van zijn verdere verklaring en ten slotte dat nu [verweerder] heeft getekend voor de ontvangst van ƒ 10.000,- als borg voor de huur, ervan moet worden uitgegaan dat dit bedrag op die datum voor dat doel is voldaan en dat het aan [verweerder] is om uit te leggen welke rechtsgrond ten grondslag ligt aan de andere kwitantie van 1 juli 1998 van ƒ 5.000,- voor een niet nader genoemde borg.

1.7 Voor zover de klachten een herhaling vormen van de klachten over de bewijslastverdeling falen zij op grond van het hiervoor vermelde.

Voor zover het middel voor het overige aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. voldoet, faalt het op de grond dat de klachten zich richten tegen de aan de feitelijke rechter voorbehouden waardering van het bewijs waarover in cassatie slechts in zeer beperkte mate kan worden geklaagd. Het betoog dat [verweerder] op 28 juli 1998 heeft getekend "voor de ontvangst van ƒ 10.000,- als borg voor de huur" stuit af op het in cassatie niet bestrijden van het oordeel van het hof onder 4 van zijn eindarrest dat deze kwitantie slechts vermeld dat [verweerder] een bedrag van ƒ 10.000,- heeft ontvangen zonder te vermelden waar, wanneer en hoe dat bedrag is betaald.

1.8 Middel IV is gericht tegen het oordeel van het hof onder 5 van het eindarrest van 22 mei 2008 dat het gebruik van de term 'borg' in de kwitantie van 1 juli 2008 ten bedrage van ƒ 5.000,- strookt met de stelling van [verweerder] dat hij op die datum de eerste helft van de borg voor de huurovereenkomst heeft ontvangen omdat [eiser] vooruitlopend op de ingangsdatum van de huur het gehuurde al in gebruik mocht nemen teneinde voorbereidingen te treffen voor de opening op 1 augustus 1998. Volgens het middel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is onbegrijpelijk waarom het hof bewijskracht toekent aan de verklaring van [verweerder] terwijl deze heeft gelogen over de handtekening onder de akte van 28 juli 1998.

1.9 Het feitelijke oordeel van het hof, dat niet met een rechtsklacht kan worden bestreden, is niet onbegrijpelijk nu het betoog van [verweerder] dat het een deelbetaling betreft van de totale waarborgsom van ƒ 10.000,- aansluit bij de bewoordingen van de kwitantie en bovendien wordt ondersteund door een tweetal getuigenverklaringen.

1.10 Nu alle middelen falen dient het cassatieberoep te worden verworpen hetgeen m.i. met toepassing van art. 81 RO kan geschieden.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatiedagvaarding is op 18 augustus 2008 uitgebracht.