Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ8686

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08/02948
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8686
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. Het stond het Hof vrij de verklaringen van getuigen te bezigen ondanks argumenten van de verdediging dat deze verklaringen onbruikbaar waren, en de verklaringen waarop de verdediging zich heeft beroepen terzijde te stellen. Art. 359.2 Sv noopte het Hof niet tot nadere motivering nu die bepaling geen wijziging heeft gebracht in vrijheid van de feitenrechter t.a.v. de selectie- en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1449
NJB 2010, 24
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/02948

Mr. Machielse

Zitting 22 september 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 4 juli 2008 voor 1. Poging tot doodslag, 2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, 3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en 4. Mishandeling begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden. Tevens heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal in beslag genomen voorwerpen, van andere voorwerpen de teruggave aan rechthebbende gelast, de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Voor het in bezit hebben van 278 stuks munitie, onderdeel van de bewezenverklaring onder 3, heeft het hof verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen.

2. Mr. A.M. Seebregts, advocaat te Schiphol-Rijk, heeft cassatie ingesteld. Mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor feit 1. De verdediging zou een onderbouwd standpunt aan het hof hebben voorgehouden, erop neerkomende dat het schot dat de voordeur van de woning trof per ongeluk is afgegaan toen verdachte tegen de deur schopte.

De pleitnota in hoger beroep wijst op wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat wel degelijk met het wapen waarover verdachte beschikte onbedoeld en zelfs onbewust schoten kunnen worden afgevuurd. Zo kan door een ongecontroleerde spierreflex de trekker worden overgehaald. Zulke zogenaamde reflexschoten zullen zich voor kunnen doen wanneer de schutter zijn evenwicht verliest of plotselinge kracht uitoefent met een ander lichaamsdeel. Dat de leden van de familie [van slachtoffer] niets hebben gezegd over een schop tegen de deur is te verklaren omdat het schot wellicht samenviel met de schop. Maar ook wijst de pleitnota erop dat de getuigen [slachtoffer, betrokkene 1, 2 en 3] hebben verklaard dat er meerdere schoten zijn gevallen toen zij zich in de flat bevonden en verdachte daarbuiten. Dat kan erop wijzen dat de leden van de familie de schop tegen de duur voor een schot hebben gehouden. Want het staat wel vast dat er maar één schot op de deur is afgevuurd.

Voorts zou de kans dat [slachtoffer], die zich in de woning bevond, door de kogel geraakt zou worden niet aanmerkelijk zijn omdat zij ten tijde van het schot niet recht achter de deur stond maar daarnaast. Dat zou zijn af te leiden uit verklaringen van de leden van de familie. En als dat zo is was er geen aanmerkelijke kans dat zij door een schot dwars door de deur heen dodelijk zou kunnen worden geraakt.

3.2. Het hof heeft als feit 1 bewezenverklaard dat

"hij op 04 januari 2007 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn dienstwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] terwijl zij zich achter een deur bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3. Het hof heeft de volgende overwegingen aan het verweer gewijd:

"Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het schot op de deur per ongeluk is afgegaan toen hij tegen de deur schopte, omdat er op zijn kloppen - hij wilde zijn handschoen die onder de deur vastzat terug - niemand opendeed.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het schot op de deur per ongeluk is gelost. Het hof heeft hierbij acht geslagen op het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 16 mei 2007, waaruit blijkt dat de schootsafstand tot de slotplaat van de deur tussen de circa 75 en 150 centimeter was. Uit het proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, Forensische Opsporing, Xpolnummer 2007005414, d.d. 14 januari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier van politie, (dossierpagina 481 e.v.) en de daarbij behorende schaaltekening van de woning en het portiek van de ex-vriendin van de verdachte, blijkt dat de afstand tussen de voordeur van de woning waarop is geschoten en de trap circa 97,5 centimeter bedraagt. Hieruit volgt dat de verdachte, toen hij zou hebben geschopt, op het einde van de overloop of op de trap moet hebben gestaan, hetgeen, zeker gelet op het feit dat hij, volgens zijn eigen verklaring, gladde wielrenschoenen droeg, de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig en daarmee onaannemelijk maakt. Daarenboven heeft geen van de getuigen verklaard een schop tegen de deur te hebben gehoord en blijkt uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 juni 2007 dat het dienstpistool van de verdachte alleen maar kan zijn afgegaan als de trekker werd bediend. Uit dit laatste volgt, naar het oordeel van het hof, dat de verdachte niet alleen het pistool vast heeft gehad, maar ook zijn vinger op de trekker heeft gehouden, hetgeen de verklaring van de verdachte dat het schot per ongeluk is afgegaan nog onaannemelijker maakt.

Nu het slachtoffer net binnen was toen de verdachte het schot afvuurde (zie o.a. de verklaring van [betrokkene 3] p. 559) heeft hij minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou raken."

3.4. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2008 verklaard dat hij alvorens tegen de deur te schoppen ook nog op de deur heeft geklopt, maar dat niet werd opengedaan. Geen van de getuigen die zich bevonden in de woning van de ex-vriendin van verdachte heeft vermeld dat voordat het schot of de schoten viel(en) er eerst op de deur is geklopt, hoewel toch een aantal van hen zich onmiddellijk achter de voordeur bevond.

[Betrokkene 1] verklaart over een aantal schoten dat zij heeft gehoord nadat haar zusje [slachtoffer] naar binnen was gehaald (bewijsmiddel 2), maar ook van één of meerdere schoten (bewijsmiddel 3). Vader [betrokkene 2] verklaart dat nog twee schoten zijn gevallen toen iedereen van de familie [van slachtoffer] al binnen was (bewijsmiddel 4), maar heeft het in een andere verklaring (bewijsmiddel 5) over nog maar één schot. Zusje [slachtoffer] spreekt van één schot (bewijsmiddel 6).

3.5. Wat betreft de afmetingen van het trapportaal geldt dat het hof klaarblijkelijk meer waarde heeft toegekend aan de tekeningen op blz. 482 en volgende van het dossier dan aan de tekening op blz. 519.(1) Nu in feitelijke aanleg niet is aangegeven waarom het hof aan de andere gegevens de voorkeur zou moeten geven, stond het aan het hof vrij om uit te gaan van de tekeningen op blz. 482 en volgende. En dan is de versie van verdachte dat hij tegen de deur heeft geschopt en dat toen een reflexschot is afgegaan onwaarschijnlijk geworden.

3.6. De mogelijkheden die de verdediging aanvoert ter ondersteuning van de stelling dat er sprake is geweest van een reflexschot als gevolg van het schoppen tegen de deur zijn onderling met elkaar niet te rijmen. Men kan niet het gegeven dat er sprake is van de waarneming van twee schoten verklaren uit de mogelijkheid dat de schop tegen de deur ten onrechte voor een schot is aangezien en tegelijkertijd wijzen op de mogelijkheid dat schot en schop zijn samengevallen, waardoor de schop niet als zelfstandige gebeurtenis is gehoord. Een van beide mogelijkheden moet onjuist zijn geweest. Maar ik werp dat de steller van het middel niet tegen, omdat het hof nu eenmaal ook voor het bewijs verklaringen heeft gebruikt waarin beide mogelijkheden zijn opgenomen. Wel komt het mij voor - maar dat is een overpeinzing die geen feitelijke grondslag heeft in deze zaak - dat een schop tegen een deur, zeker als die half zou zijn mislukt, wel degelijk anders klinkt dan een schot van een vuurwapen. Voorts denk ik dat het onwaarschijnlijker is dat de trekker wordt overgehaald als de wilde lichaamsbeweging al voorbij is dan wanneer deze juist wordt uitgevoerd.

3.7. De kans op zo'n reflexschot lijkt mij overigens groter wanneer men zijn vinger om de trekker houdt dan wanneer men dat niet doet. Daarom vergt het oordeel van het hof dat het feit dat verdachte zijn vinger op de trekker heeft gehouden de verklaring van verdachte dat het schot per ongeluk is afgegaan nog onaannemelijker maakt wel nadere uitleg. Als een schot afgaat doordat de trekker wordt overgehaald zijn er twee mogelijkheden. De eerste en meest waarschijnlijke is dat de trekker opzettelijk is overgehaald. Dat is zo in het merendeel van de gevallen. Dat wordt ook in de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek dat de verdediging heeft opgevoerd niet betwist. De andere mogelijkheid is dat er bijvoorbeeld een reflexschot valt, maar dat is een uitzondering. Het hof is kennelijk uitgegaan van de stelling dat er eerder opzet kan worden aangenomen wanneer men de vinger om de trekker van een geladen wapen heeft, dan wanneer men zijn vingers daar uit de buurt houdt. Wanneer er aanwijzingen zijn die pleiten tegen de mogelijkheid van een reflexschot, en die enkel via hypothetische tegenmogelijkheden kunnen worden geëcarteerd is het niet onbegrijpelijk dat de rechter die tegenmogelijkheid verwerpt. Dat is hier ook gebeurd. Het hof heeft uit het feit dat degenen die zich achter de deur bevonden geen schop tegen de deur hebben bemerkt, uit de beperkte manoeuvreerruimte voor verdachte in het portaal en uit het feit dat het schot is afgegaan doordat de trekker is overgehaald vrijwel direct nadat de voordeur was gesloten kunnen afleiden dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid zo weinig waarschijnlijk is dat daarmee in redelijkheid geen rekening kan worden gehouden.

De uitdrukking 'per ongeluk' heeft het hof hier kennelijk gebezigd als tegenstelling tot 'opzettelijk'. En dan vind ik deze zinsnede in de overwegingen van het hof niet vreemd. Verdachte was naar eigen zeggen gedurende 10 jaar wapeninspecteur en had dagelijks met wapens te maken. Hij moet bekend zijn geweest met de mogelijkheid dat een schot afgaat als men de vinger aan de trekker houdt en dan heftige bewegingen maakt. Uitgaande van de cijfers die de verdediging heeft gegeven over het voorkomen van zulke reflexschoten is zo een schot geen rariteit.(2)

3.8. Ten tweede voert het middel aan dat de kans dat [slachtoffer] dodelijk geraakt zou worden niet aanmerkelijk was omdat niet aannemelijk is dat zij zich op het moment van het schot achter de deur bevond. In de pleitnota in hoger beroep is aangevoerd dat het waarschijnlijker is dat zij zich al verder in de gang had begeven.

3.9. Voor het bestaan van voorwaardelijk opzet is niet nodig dat vaststaat dat de kans op het ongewenste gevolg aanmerkelijk is geweest, als verdachte maar heeft beseft dat er een aanmerkelijke kans bestond en die kans bewust heeft aanvaard. Gaat men van het andere standpunt uit dan zou het bestaan van voorwaardelijk opzet worden bepaald door gegevens die aan verdachte verborgen blijven en die pas naderhand blijken. Als in de onderhavige zaak verdachte bewust op de deur heeft geschoten, denkend dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zich achter die deur bevond en door de kogel dodelijk zou kunnen worden getroffen, maar dat risico voor lief nemend, is er voorwaardelijk opzet ook als naderhand zou blijken dat [slachtoffer] zich tijdens het schot al van de deur had verwijderd.

Uit bewijsmiddel 8 heeft het hof kennelijk opgemaakt dat het schot op de deur is afgevuurd net nadat [slachtoffer] naar binnen was getrokken en de voordeur dicht was gedaan. Verdachte moet dus hebben beseft dat de kans groot was dat [slachtoffer] zich nog in de onmiddellijke nabijheid van of direct achter de deur zou bevinden.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.1. Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet zijn af te leiden dat de verdachte het wapen op de anderen heeft gericht of dit opzettelijk dreigend aan hen heeft getoond.

4.2. Het hof heeft als feit 2 bewezenverklaard dat

"hij op 04 januari 2007 te [plaats] [betrokkene 1], [slachtoffer], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan [betrokkene 1] en [slachtoffer] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] een vuurwapen getoond en/of op hen gericht."

4.3. Volgens de steller van het middel kan het bewezenverklaarde niet volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen omdat deze onderling tegenstrijdig zijn m.b.t. de personen op wie verdachte zou hebben gericht en het moment waarop dat zou zijn gebeurd.

4.4. Het middel faalt gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen 2 en 8. Dat andere verklaringen enkel inhouden dat de verdachte op [betrokkene 2] heeft gericht is daarmee niet in strijd omdat ook [betrokkene 2] deel uitmaakte van het groepje van vier personen. Anders dan de steller van het middel vind ik geen aanknopingspunt voor de uitleg van bewijsmiddel 8 dat verdachte eerst op alle anderen gericht zou hebben na de worsteling met de vader.

Het bewijs van het tonen van het wapen heeft het hof ook uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden, omdat de leden van de familie [van slachtoffer] verklaren dat verdachte het wapen voor hen zichtbaar uit zijn rugzak heeft gepakt.

5.1. Het derde middel keert zich in de eerste plaats tegen de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier en een half jaar. Deze strafoplegging zou verbazing wekken omdat de rechtbank voor zwaardere feiten slechts drie en een half jaar gevangenisstraf heeft opgelegd en de AG ook voor meer en zwaardere feiten slechts een weinig hogere straf heeft gevorderd dan het hof uiteindelijk heeft opgelegd.

5.2. Het hof heeft de straf als volgt gemotiveerd:

"Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gepoogd het zusje van zijn ex-vriendin van het leven te beroven door opzettelijk met zijn dienstwapen te schieten op de deur waarachter zij zich bevond. Tevens heeft hij zijn ex-vriendin, haar ouders en zusje bedreigd door het vuurwapen, zijn dienstwapen, dat hij bij zich had, te tonen en/of op hen te richten. De slachtoffers hebben zich door de verdachte bijzonder bedreigd gevoeld. Te verwachten valt dat zij nog lange tijd de gevolgen hiervan zullen ondervinden.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan jarenlange mishandeling van zijn echtgenote en aan het in bezit hebben van een grote hoeveelheid munitie en van wapenonderdelen.

Het hof rekent de verdachte bovengenoemde feiten ernstig aan en is van oordeel dat hierop alleen kan worden gereageerd met de oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

(...)

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde verkeerde in psychische nood, hetgeen volgens de verdediging relevant is voor de strafmaat.

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft gepleegd terwijl hij in eniger mate in psychische nood verkeerde. Dit blijkt ook uit de over de persoon van de verdachte opgemaakte rapportage.

Uit het Psychologisch onderzoek Pro Justitia, d.d. 29 april 2007, opgemaakt en ondertekend door C.M. Van Deutekom, klinisch psycholoog, blijkt dat de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan worden beschouwd als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Dit blijkt ook uit het rapport Pro Justitia, d.d. 1 mei 2007, opgemaakt en ondertekend door Th.J.G. van Bakkum, psychiater en beëdigd vast gerechtelijk deskundige. Uit bovengenoemde rapportages blijkt bovendien dat de verdachte ook ter zake van het onder 4 tenlastegelegde, te weten de mishandeling van zijn echtgenote, verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Naar het oordeel van het hof is de (enigszins) verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde in voldoende mate verdisconteerd in de hierna te melden op te leggen gevangenisstraf, welke straf het hof passend en geboden acht."

5.3. Het hof heeft in tegenstelling tot de rechtbank slechts één in plaats van twee pogingen tot doodslag bewezenverklaard. Anders dan de rechtbank heeft het hof verdachte veroordeeld voor bedreiging van vier personen in plaats van voor bedreiging van twee personen. Tevens heeft het hof verdachte ook veroordeeld voor een deel van feit 3. De AG heeft een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar geëist voor alle vier de feiten.

Er zit dus inderdaad enig verschil tussen de feiten waarvoor de rechtbank heeft veroordeeld, waarvoor de AG veroordeling heeft gevorderd en waarvoor het hof heeft veroordeeld. De maximale straf die aan verdachte kon worden opgelegd is echter telkens dezelfde, omdat feit 4 een maximale strafbedreiging van vier jaar kent, zodat de combinatie met de enkelvoudige poging tot doodslag- waarvoor het hof heeft veroordeeld - ingevolge art. 57 Sr een maximale gevangenisstraf kent van tien jaar, met een derde vermeerderd, en een meervoudige poging tot doodslag in combinatie met andere, met een minder zware straf bedreigde misdrijven, ook niet verder reikt dan tien jaar plus een derde maximaal.

5.4. Of verdachte voor een of meer pogingen tot doodslag wordt veroordeeld maakt daarom voor de bepaling van maximaal op te leggen straf niet uit. De strafmotivering kan de oplegging van een gevangenisstraf van vier en een half jaar dragen. Bij mij wekt de straftoemeting geen verbazing gelet op de maximumstraf die zou kunnen worden opgelegd en de feiten waarvoor het hof heeft veroordeeld. Dat misschien de totale zwaarte van alle feiten waarvoor de rechtbank verdachte heeft veroordeeld iets hoger lag dan het pakket waar het hof van is uitgegaan brengt niet mee dat het opleggen van vier en een half in plaats van drie en een half jaar de strafoplegging onbegrijpelijk doet zijn. Tot een nadere motivering was het hof daarom niet gehouden.(3)

5.5. Tot slot klaagt het middel dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel niet begrijpelijk is omdat het hof anders dan de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van poging tot doodslag op [betrokkene 2].

5.6. Het hof heeft dienaangaande overwogen:

"Vordering tot schadevergoeding [betrokkene 2]

In het onderhavige strafproces heeft Mr C.A.L.C. Van Putten zich namens [betrokkene 2] als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 4.946,--. Tevens heeft de benadeelde partij een onbekend bedrag aan materiële schade gevorderd.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg als voorschot toegewezen bedrag van EUR 2.000,-- aan immateriële schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 1.071,--, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 2]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 2.000,-- als voorschot ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 2]."

5.7. Het bezwaar van het middel komt erop neer dat het hof heeft vrijgesproken van poging tot doodslag op [betrokkene 2]. Wel heeft het hof verdachte veroordeeld voor bedreiging van deze persoon. Maar nu het hof, anders dan de rechtbank, heeft vrijgesproken van de poging tot doodslag zou het toewijzen door het hof van de vordering van deze benadeelde partij tot hetzelfde bedrag als de rechtbank heeft gedaan en het opleggen van een gelijke schadevergoedingsmaatregel nader moeten worden gemotiveerd, mede gelet op het feit dat aan de benadeelde partij [slachtoffer], die zowel van poging tot doodslag als van bedreiging slachtoffer is geweest, de vordering ook maar tot 2000,00 euro is toegewezen.

5.8. De benadeelde partij [betrokkene 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend van 4946,00 euro, waarvan de rechtbank 2000,00 euro heeft toegewezen. In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich niet nogmaals gevoegd, zodat het hof gebonden was aan een bovengrens van 2000,00 euro. Ik zie eerlijk gezegd geen enkele grond waarom het hof op basis van de vordering van deze benadeelde partij en van hetgeen de verdediging daar tegenover heeft gesteld niet deze vordering tot een bedrag van 2000,00 euro kon toewijzen. Wellicht heeft het hof gedacht dat de immateriële schade die voor deze benadeelde partij uit feit 2 voortvloeide al minstens op de 2000,00 euro neerkwam die in eerste aanleg waren toegewezen. In ieder geval is er geen rechtsregel aan mij bekend die de rechter die van een feit vrijspreekt en voor een ander feit veroordeelt noopt tot een neerwaartse aanpassing van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij als de in redelijkheid te schatten schade, die het gevolg is van het feit waarvoor de verdachte nog wel wordt veroordeeld, naar het oordeel van de rechter reikt tot het bedrag dat de eerste rechter voor meer feiten heeft toegekend.

Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De tekening op blz. 483 is door een technisch tekenaar van de politie gemaakt. De tekeningen op blz.

519 e.v. zijn gemaakt door verbalisanten van de politie Regio Rotterdam-Rijnmond. Kennisneming van de laatste tekeningen maakt ook duidelijk waarom het hof niet op deze tekeningen is afgegaan. De afstand van 397 cm die daarin is genoemd heeft betrekking op de schuine lijn tussen punt A en punt B. Die 397 cm worden ook verkregen door de afzonderlinge getallen van 1,10 m, 1,545 m en 1,325 m bij elkaar op te tellen. Maar die cijfers staan bij een rechte lijn. Dat klopt dus niet.

2 HR 24 februari 2004, NJ 2004, 375 m.nt. Mevis.

3 HR 27 maart 2001, NJ 2001, 297; HR 16 december 2008, NJ 2009, 228 m.nt. Buruma.