Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2009:BJ8660

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
24-11-2009
Zaaknummer
08/01334
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8660
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzoek toevoeging stukken. Maatstaf. Uit ’s Hofs beslissing kan niet volgen of het Hof de juiste maatstaf (noodzaak) heeft toegepast. Indien het Hof de juiste maatstaf heeft toegepast, is zijn motivering niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het niets heeft vastgesteld omtrent de aard van de door de raadsman bedoelde stukken en evenmin of de inhoud van deze stukken redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor enige i.c. te nemen beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2009, 1443
NJB 2009, 2267

Conclusie

Nr. 08/01334

Mr Machielse

Zitting 22 september 2009

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem heeft verdachte op 22 juni 2007 voor "Valsheid in geschrift"(2) veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

2. Mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld en mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt erover dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

3.2. Op 4 juli 2007 is namens verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 maart 2008 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van maximaal acht maanden met 15 dagen is overschreden. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.

4.1. Het tweede middel valt in verschillende onderdelen uiteen. Ten eerste wordt erover geklaagd dat het hof niet, althans onvoldoende en/of op onbegrijpelijke gronden heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat verdachte op de formulieren die in de tenlastelegging zijn bedoeld expliciet heeft aangetekend al geruime tijd weer bezig te zijn met handelsactiviteiten op het terrein van onroerend goed.

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van:

A 1 november 1999 tot en met 31 januari 2001 te Gieten, gemeente Aa en Hunze tezamen en in vereniging met een ander meermalen, -telkens- als degene aan wie - op grond van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet - bijstand was toegekend, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, - te weten een formulier van de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Aa en Huntze, waarop ter vaststelling door die Dienst of en zo ja tot welk bedrag een uitkering krachtens de Algemene Bijstandwet aan hem, verdachte diende te worden toegekend of voortgezet, door hem, verdachte over de periode voornoemd opgave moest worden gedaan van (gewijzigde) omstandigheden/gegevens die van invloed zouden kunnen zijn op die bijstandverlening - valselijk heeft opgemaakt, immers opzettelijk valselijk niet op dat formulier heeft vermeld dat hij, verdachte in de betreffende periode werkzaamheden had verricht (als zelfstandig ondernemer) en aldus uit dien hoofde inkomsten had en/of te goed had en dat formulier met zijn naam heeft ondertekend ter bevestiging van de juistheid der daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om dat aldus opgemaakte en ondertekende geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."

4.3. Het hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 30/0304 (als bijlage 2.2.8 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, als sociaal rechercheurs werkzaam in het Samenwerkingsverband sociale recherche Fryslân, en door hen gesloten en getekend op 23 maart 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

Het is juist dat mijn partner [betrokkene 3] een Abw-uitkering aanvroeg bij de gemeente Aa en Hunze. Dat was te Gieten. Op het moment dat [betrokkene 3] die uitkering aanvroeg was ik gedetineerd te Breda. Dat was van 5 januari tot medio september 1999. Op het moment dat ik uit detentie werd ontslagen voegde ik mij bij [betrokkene 3] te [plaats]. Om de uitkering te behouden moest iedere maand een formulier worden ingevuld, ondertekend en ingeleverd. Die formulieren werden door [betrokkene 3] ingevuld en door mij mede-ondertekend. Dit is altijd zo gegaan in de gemeente Aa en Hunze.

2. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 46/0404 (als bijlage 2.2.8 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, als sociaal rechercheurs werkzaam in het Samenwerkingsverband sociale recherche Fryslân, en door hen gesloten en getekend op 27 april 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van verdachte:

U toont mij de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren van de gemeente Aa en Hunze. Ik herken deze formulieren. Nadat [betrokkene 3] deze formulieren had ondertekend zette ik daarop mijn handtekening. Het bedrijf [A] BV i.o en het bedrijf [B] BV, welke gevestigd waren aan de [a-straat 1] te [plaats] stonden op mijn naam. Deze bedrijven zijn bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op 1 november 1999. Het bedrijf [A] BV regelde aan- en verkoop van onroerend goed. Daar waar aanbod was, werd aangekocht en verkocht.

En als verklaring van de opsporingsambtenaren voornoemd, zakelijk weergegeven:

Bij aanvang van het verhoor toonden wij verdachte [verdachte] de formulieren welke als paragraaf 2.2.6. zijn gevoegd bij het tegen verdachte opgemaakte proces-verbaal, respectievelijk genummerd 2000317/20040033.

3. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 941194 (als bijlage 2.2.7 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, als sociaal rechercheurs werkzaam bij het bureau sociale recherche regio Assen, en door hen gesloten en getekend op 23

maart 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Van 29 januari 1999 tot en met 31 januari 2001 ontving ik een uitkering van de afdeling sociale zaken van de gemeente Aa en Hunze ingevolge de Abw, vanaf 1 oktober 1999 naar de norm voor een gezin omdat mijn partner [verdachte] vanaf die datum bij mij en mijn dochter verbleef.

U toont mij formulieren die gedurende onze uitkeringsperiode in de gemeente Aa en Hunze bij de afdeling sociale zaken van die gemeente zijn ingeleverd. Die formulieren werden soms door mij, soms door [verdachte] ingevuld en door ons beiden ondertekend. Die formulieren worden gebruikt om de hoogte van en het recht op uitkering vast te stellen. Op de formulieren is niet vermeld dat de ondernemingen [B] B.V. i.o en [A] B.V. i.o. waren opgericht. Daarvan had opgave gedaan moeten worden.

4. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 941194 (als bijlage 2.2.7 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, als sociaal rechercheurs werkzaam bij het bureau sociale recherche regio Assen, en door hen gesloten en getekend op 25

maart 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als:

Vraag van verbalisanten:

Gedurende de periode van oktober 1999 tot en met de maand juni 2001 werd maandelijks een bedrag van f 2350,-- aan huur betaald voor het kantoorpand te [plaats]. Waarvan werden de maandelijkse bedragen aan huur betaald?

De op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Er waren de eerste twee maanden geen opbrengsten. Na twee, drie maanden begon het te lopen met de makelaardij en daarvan kon dan ook de huur betaald worden.

5. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 941194 (als bijlage 2.1.2 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033A), opgemaakt door [verbalisant 4], buitengewoon opsporingsambtenaar, als sociaal rechercheur werkzaam bij het bureau sociale recherche regio Assen, en door hem gesloten en getekend op 12 mei 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Ter verkrijging van de uitkering werden door betrokkenen maandelijks rechtmatigheidsonderzoekformulieren ingeleverd bij de afdeling maatschappelijke zorg van de gemeente Aa en Hunze. Deze formulieren dienen ter vaststelling van het recht op

voortzetting en ter bepaling van de hoogte van de uitkering.

6. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, genummerd 941194 (als bijlage 2.1.2 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 4], sociaal rechercheur in de regio Assen, buitengewoon opsporingsambtenaar, en door hem gesloten en getekend op 12 mei 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 4] hoofd van de afdeling maatschappelijke zaken van de gemeente Gieten:

[Betrokkene 3], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] en [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats], hebben gedurende de periode dat zij een uitkering ontvingen van de afdeling maatschappelijke zaken van de gemeente Aa en Hunze ingevolge de Algemene bijstandswet, misbruik gemaakt van de sociale wetgeving. [Verdachte] was vanaf 1 november 1999 als zelfstandige ondernemer werkzaam. Op de door [betrokkene 3] en [verdachte] ingeleverde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren werd daarvan geen/onjuiste opgave gedaan. Ook op andere wijze deden zij daarvan geen opgave.

Indien zij juiste opgave hadden gedaan van het feit dat [verdachte] als zelfstandige werkzaam was, zou aan hen vanaf 1 november 1999 geen uitkering zijn verleend. Zij hebben hierdoor de afdeling maatschappelijke zorg van de gemeente Aa en Hunze benadeeld. Terzake het maken van misbruik van de sociale wetgeving doe ik hierbij aangifte tegen [betrokkene 3] en [verdachte].

7. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 200317/2004003 (als bijlage 2.1.1 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar en als sociaal rechercheur werkzaam in het Samenwerkingsverband sociale recherche Fryslân, en door hen gesloten en getekend op 21 juni 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Friesland Wij zagen, dat bij de Kamer van Koophandel de volgende ondernemingen stonden geregistreerd:

[A] B. V. i.o., adres [a-straat 1] te [plaats], datum vestiging: 1 november 1999,

bedrijfsomschrijving: "in- en verkoop (on)roerend goed, bemiddeling, verhuur (on)roerend goed in zowel binnen- als buitenland, exploitatie drukkerij", bevoegd functionaris [B] B. V. i.o., [a-straat 1] te [plaats], datum in diensttreding 1 november 1999.

[B] B.V. i.o., adres [a-straat 1] te [plaats],

datum vestiging; 1 november 1999,

bedrijfsomschrijving : "Beheren en beleggen", bevoegd functionaris [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats].

Er zijn in de jaren 2000-2001 vijf zaken bekend geworden terzake (poging tot) oplichting door [verdachte].

Aangifte I

Op 4 juli 2000 deed [betrokkene 1] aangifte van oplichting. Zakelijk weergegeven verklaarde de aangever het volgende:

In mei 2000 zag hij een advertentie in De Telegraaf staan waarin een discotheek te Spanje te koop werd aangeboden. Aangever belde het telefoonnummer wat in de advertentie stond en kwam in contact met de aanbieder die vertelde [verdachte] te zijn, eigenaar van de [A] uit [plaats]. Aangever kwam tot zaken met [verdachte] en deed op 6 juni 2000 een aanbetaling van fl. 50.000,00. [Verdachte] kon de discotheek niet leveren en weigerde het bedrag terug te geven aan aangever.

Aangifte II

In januari 2000 komt de familie [D] in aanraking met [verdachte] via eveneens een advertentie en de website op het internet, over de huur van een bar/cafetaria te Torremolinos (Spanje) en overname inventaris. Er werden voorschotten betaald voor de huur, overnamekosten, inventaris etc. tot fl. 79.000,00.

Ter plaatse bleek het pand gerund te worden door een Belg, zijnde de voormalig compagnon van [verdachte], die het pand huurde van de gemeente.

8. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 51/03 (als bijlage 2.1.4 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar bij de sociale recherche Lemsterland, en door hen gesloten en getekend op 10 september 2003, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenovervoornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Ik ben via internet in aanraking gekomen met het bedrijf van [verdachte]. Dit zal in februari of maart 2001 zijn geweest. [Verdachte] bood mij een pand aan in Spanje. Dit was een cafetaria. Ik moest f 30.000,- aanbetalen en de rest kon ik in maandelijkse termijnen aflossen. Het bedrijf was gevestigd in [plaats]. Samen met mijn broer ben ik naar [plaats] gereden en heb f 30.000,- contant aan [verdachte] betaald. Ik ben naar Spanje gereden. Ik kwam er achter dat zij niet konden leveren wat zij aanboden. Ik heb toen contact opgenomen met [verdachte] en [betrokkene 3] en gezegd dat ik van de koop afwilde. Dit ging echter niet. Ik ben toen terug gereden naar [plaats]. [verdachte] gaf aan dat hij geen geld had om mij terug te betalen. [Verdachte] gaf aan dat het geld weg was en bood aan dat ik dan wel bij hem in dienst kon komen zodat hij mij op deze manier terug kon betalen. Ik heb toen nagedacht en heb toen gekozen voor het werken van [verdachte].

Ik verkocht wel eens wat en dit geld ging dan naar [verdachte]. Ik ben gaan spitten en kwam er achter dat de panden die ik verkocht eigenlijk niet in het bezit waren van [verdachte]. Eind november 2001 kwam ik er achter dat op alles beslag lag.

9. de als bijlage p. 2.2.6 bij proces-verbaal nr. 200317/20040033 gevoegde geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten fotokopieën van rechtmatigheidsonderzoeksformulieren Abw van de gemeente Aa en Hunze, betrekking hebbend op de periode juni 2000, juli 2000, augustus 2000, september 2000, oktober 2000, november 2000, december 2000 en januari 2001, telkens gesteld ten name van [betrokkene 3] en echtgenoot/partner [verdachte], [b-straat 1] te [plaats], gedagtekend en ondertekend door de uitkeringsgerechtigde en echtenoot, waarbij op de vragen: "Heeft u in deze periode inkomen ontvangen?", "Heeft u nog inkomen tegoed over deze periode?" en "Werkt u als zelfstandige?" telkens met "nee" is geantwoord door de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot/partner.

10. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 50/03 (als bijlage 2.1.3 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, sociaal rechercheurs werkzaam bij de sociale recherche Lemsterland, en door hen gesloten en getekend op 9 september 2003, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

Het huurcontract voor het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] is aangegaan op 19 oktober 1999 voor een tijdsduur van vijfjaar met [verdachte]. Hij woonde toen in [plaats]. Hij handelde privé en als vertegenwoordiger van [A] BV i.o., als huurder van het pand.

11. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 80/03 (als bijlage 2.1.5 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, sociaal rechercheurs werkzaam bij de sociale recherche Lemsterland, en door hen gesloten en getekend op 23 oktober 2003, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Ik ben bij het bedrijf [A] in [plaats] aangenomen en begonnen op 1 september 2000. Het bedrijf werd gevoerd vanuit een perceel aan de [a-straat] te [plaats]. Ik was zijn persoonlijke assistente voor alle voorkomende kantoorwerkzaamheden. Er is een contract opgemaakt en een salaris afgesproken. Maandelijks kreeg ik mijn salaris per bank. Ook gaf hij het wel contant. Ik heb mijn ontslag ingediend op 23 november 2001. Na december 2001 heb ik geen contact meer met hem gehad.

12. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd 05/04 (als bijlage 2.1.6 gevoegd bij proces-verbaal nr. 200317/20040033), opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, sociaal rechercheurs werkzaam bij de sociale recherche Lemsterland, en door hen gesloten en getekend op 3 februari 2004, voorzover inhoudende - zakelijk weergegeven - als de op die datum tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

De door u genoemde [verdachte] benaderde mij telefonisch voor informatie met betrekking tot het maken van een website. Ik heb een bedrijf in webdesign en internetdiensten. Ik heb vanaf 2000 voor [verdachte] gewerkt. Het ging om het bedrijf [A] BV, gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats]. Dat jaar heb ik voor mijn werkzaamheden, met betrekking tot het bedrijf van [verdachte], onder andere webhosting en diverse registraties f 20.000,00 ontvangen."

4.4. De raadsman heeft blijkens de ter terechtzitting overgelegde pleitnota aangevoerd dat verdachte op de achterzijde van de formulieren heeft aangegeven 'al geruime tijd weer bezig te zijn met onroerend goed':

"(...)

(juni 2000):

"Betreft [verdachte]: zoals u weet ben ik enkele maanden bezig met [E] om zelfstandig te werken. [E] werd door jullie aangewezen. Ik wil de verkoop van bierregulators opstarten in Nederland en Europa. Tevens mijn oude portefeuille onroerend goed die ik vroeger had verkocht maar nooit betaald weer opzetten, dit vraagt tijd en geduld en startkapitaal. Ik wil niet van de gemeente profiteren dan lijkt het mij beter om mij te schrijven uit de sociale dienst en [betrokkene 3] erin te laten tot we weer op gang zijn. [verdachte] 30/6/00"

(juli 200):

"Betreft [verdachte]. Bezig met project bierregulator etc. via gemeente project"

(augustus 2000):

"Zie vorige werkbrief via [E] i.v.m. werk"

(september 2000):

"Bierregulators is flop geworden. Incasso 's mee bezig via no cure no pay afwachten. Verder tracht ik geruime tijd weer onroerend goed op te pakken kandidaten beginnen te komen"

(oktober 2000):

"Probeer rechtstreeks v/d fabriek nu bierregulator te bekomen. Tevens ga ik verder in onroerend goed"

(...)"

Volgens de steller van het middel kan dit betoog bezwaarlijk anders worden dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt worden aangemerkt, dat weerspreekt dat verdachte heeft verzuimd te melden dat hij in de betreffende periode werkzaamheden als zelfstandig ondernemer had verricht.

4.5. Het hof heeft in een nadere overweging ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat de door de raadsman van verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen en heeft in het bijzonder het volgende overwogen.

Op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren is in de periode van juni 2000 tot en met januari 2001 slechts aangegeven wat de stand van zaken was met betrekking tot het gemeenteproject 'Van Idee tot Bedrijf'. Verdachte en medeverdachte [betrokkene 3], die tevens zijn levenspartner is, probeerden een bedrijf op te zetten om de verkoop van bierregulators op te starten. Op het formulier van september 2000 is aangegeven dat de handel in bierregulatoren een flop is geworden en dat verder zou worden gegaan met de handel van onroerend goed. Uit de uittreksels van de Kamer van Koophandel is echter gebleken dat verdachte vanaf november 1999 ingeschreven stond in de registers van de Kamer van Koophandel met zijn bedrijf [A] BV. De activiteiten van [A] BV waren gericht op de koop en verkoop van onroerend goed. Uit de verklaring van getuige [betrokkene 5] volgt dat vanaf 19 oktober 1999 ten behoeve van [A] BV een kantoorpand in [plaats] werd gehuurd. Getuige [betrokkene 6] heeft bij de politie verklaard dat zij van 1 september 2000 tot half december 2001 als secretaresse werkzaam is geweest voor [A] BV en dat zij werd betaald voor haar werkzaamheden.

Uit de verklaring van de getuige [betrokkene 7] volgt dat [betrokkene 7] vanaf 2000 werkzaam is geweest voor [A] BV en dat zijn werkzaamheden onder andere bestonden uit webhosting en diverse registraties. In 2000 heeft [betrokkene 7] voor genoemde werkzaamheden Fl 20.000,-- ontvangen.

Op 4 juli 2000 heeft [betrokkene 1] aangifte gedaan van oplichting door verdachte. Aangever [betrokkene 1] had een advertentie gezien waarin een discotheek in Spanje te koop werd aangeboden. [Betrokkene 1] belde het in de advertentie genoemde telefoonnummer en kwam aldus in contact met verdachte die de aanbieder van de discotheek bleek te zijn. Verdachte en [betrokkene 1] kwamen tot zaken en op 6 juni 2000 heeft [betrokkene 1] een aanbetaling van Fl. 50.000,- gedaan. De discotheek werd niet geleverd door verdachte, die bovendien weigerde de aanbetaling terug te betalen.

Verdachte heeft in januari 2000 via een advertentie een bar/cafetaria in Spanje te huur aangeboden waarbij de inventaris overgenomen kon worden. Door aangever [D] zijn hiertoe voorschotten betaald ten bedrage van Fl 79.000,-. Toen [D] ter plaatste kwam bleek het pand te worden gerund door een Belgische voormalig compagnon van verdachte.

De getuige [betrokkene 2] heeft verklaard in het voorjaar van 2001 door verdachte te zijn opgelicht. [Betrokkene 2] heeft van verdachte een café in Spanje gekocht en daarvoor een aanbetaling van Fl. 30.000,- gedaan. Het pand bleek niet van verdachte te zijn en bovendien was er al beslag op gelegd. [Betrokkene 2] is daarna voor verdachte gaan werken met de bedoeling om zo zijn geleden schade terug te verdienen. [Betrokkene 2] heeft verklaard dat namens verdachte panden in Spanje werden verkocht die niet in het bezit van verdachte waren. Het geld dat de verkochte panden opbracht ging naar verdachte.

Anders dan verdachte heeft verklaard blijkt uit het dossier dat verdachte in 2000 en 2001 wel degelijk een bijstandsuitkering heeft ontvangen terwijl hij daarnaast andere inkomsten had, zoals hierboven beschreven.

De valsheid in de verklaringen over de periode van 1 januari 2002 tot 1 maart 2003 acht het hof echter niet verwezen."

4.6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte niet op de formulieren heeft aangegeven dat de ondernemingen [B] B.V. i.o. en [A] B.V. i.o. waren opgericht (bewijsmiddel 3). Uit bewijsmiddel 7 volgt dat deze bedrijven sinds 1 november 1999 bij de Kamer van Koophandel stonden geregistreerd, beide met verdachte als bevoegd functionaris.

Voorts volgt uit bewijsmiddel 4 dat na twee, drie maanden de makelaardij begon te lopen en dat van de opbrengst de huur van het kantoorpand te [plaats], gehuurd door verdachte als vertegenwoordiger van [A] B.V. i.o. (bewijsmiddel 10), kon worden betaald. Bewijsmiddel 7 houdt in dat aan verdachte door aangever [betrokkene 1] een aanbetaling van fl. 50.000,- is gedaan en bovendien door familie [D] aan verdachte een voorschot van fl. 79.000,- is betaald. Voorts houden de bewijsmiddelen 11 en 12 in dat getuige [betrokkene 7] en getuige [betrokkene 1] betaalde werkzaamheden voor het bedrijf [A] B.V. hebben verricht. Hieruit volgt dat verdachte als zelfstandig ondernemer werkzaamheden heeft verricht voor zijn bedrijf dat in ieder geval twee personen in betaalde dienst had. Voorts volgt hieruit dat het bedrijf in de tenlastegelegde periode opbrengsten heeft gehad, waarvan in elk geval de huur van het kantoorpand werd betaald. Het hof heeft hieruit kunnen afleiden dat verdachte als zelfstandig ondernemer werkzaamheden heeft verricht en uit dien hoofde inkomsten heeft ontvangen, danwel te goed had.

4.7. Het hof is in de nadere overweging ten aanzien van het bewijs wel degelijk ingegaan op de door de raadsman gestelde. Het hof heeft overwogen dat verdachte:

- op de formulieren slechts heeft aangegeven wat de stand van zaken was met betrekking tot het gemeenteproject 'Van Idee tot Bedrijf';

- dat op het formulier van september 2000 is aangegeven dat de handel in bierregulators een flop is geworden en dat verder zou worden gegaan met de handel van onroerend goed;

terwijl uit de uittreksel van de Kamer van Koophandel gebleken is dat verdachte vanaf november 1999 in de registers van de Kamer van Koophandel ingeschreven stond met zijn bedrijf [A] B.V., waarvan de activiteiten waren gericht op de koop en verkoop van onroerend goed. Kennelijk beschouwt het hof de aantekeningen door verdachte op de formulieren van de maanden juni, september en oktober 2000 niet als een vermelding van verdachtes werkzaamheden en inkomsten, maar enkel als een aankondiging van dergelijke werkzaamheden, als het mededelen van een voornemen. Dit oordeel is gelet op het bovenstaande niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.8. Ten tweede wordt in het middel geklaagd dat het hof ten onrechte bewijsmiddelen 7 en 8 voor het bewijs heeft gebezigd, nu deze bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Volgens de steller van het middel heeft de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 8) betrekking op een periode die ligt na de tenlastegelegde periode en heeft de betaling van de familie [D] (bewijsmiddel 7) betrekking op één van de maanden die in bewijsmiddel 9 zijn genoemd.

4.9. Vooropgesteld moet worden dat het hof valsheid in geschrift over de periode van 1 november 1999 tot en met 31 januari 2001 heeft bewezenverklaard. Nu aangever [betrokkene 2] heeft verklaard een aanbetaling van fl. 30.000,- aan verdachte te hebben gedaan, na in februari of maart 2001 met het bedrijf van verdachte in aanraking te zijn gekomen, is bewijsmiddel 8 niet redengevend voor de bewezenverklaring. De familie [D] is blijkens de bewijsmiddel 7 in januari 2000 met verdachte in aanraking gekomen over de huur van een bar/cafetaria en overname inventaris in Spanje en heeft voorschotten betaald voor de huur, overnamekosten, inventaris etc. tot fl. 79.000,-. Deze betaling heeft geen betrekking op één van de maanden juni 2000 tot en met januari 2001 van welke maanden rechtsmatigheidsonderzoeksformulieren Abw opgenomen zijn, zoals bewijsmiddel 9 inhoudt, als gevolg waarvan ook dit deel van bewijsmiddel 7 niet redengevend is voor de bewezenverklaring en is het middel terecht voorgesteld.

4.10. Een blik achter de papieren muur leert echter, anders dan is weergegeven in bewijsmiddel 9, dat bijlage 2.2.6. bij proces-verbaalnummer 200317/20040033 rechtmatigheidsonderzoeksformulieren bevat van iedere maand vanaf januari 1999 tot en met januari 2001. Het formulier van januari 2000 bevindt zich dus wel degelijk in de in bewijsmiddel 9 genoemde bijlage. Een verbeterde lezing van bewijsmiddel 9 als gevolg van een kennelijke misslag, - waarmee de verklaring van de familie [D] wellicht nog zou kunnen bijdragen aan de vaststelling dat verdachte in januari 2000 als zelfstandige werkzaam was, anders dan hij op het formulier van januari 2000 heeft ingevuld - ligt mijns inziens niet voor de hand nu er nog meer schort aan de weergave van bewijsmiddel 9. Dat bewijsmiddel houdt namelijk ook in dat op de formulieren juni 2000 tot en met januari 2001 op de vragen "Heeft u in deze periode inkomen ontvangen?", "Heeft u nog inkomen tegoed over deze periode?" en "Werkt u als zelfstandige?" telkens met 'nee' is geantwoord door de uitkeringsgerechtigde en de echtgenoot/partner, hetgeen gelet op de beantwoording van de vragen voor verdachte helemaal niet het geval is. Op de formulieren van de maanden juni en september 2000 zijn deze vragen voor verdachte in het geheel onbeantwoord gebleven; op de formulieren van de maanden juli en augustus 2000 is de vraag "Werkt u als zelfstandige?" met 'ja' beantwoord en zijn de andere twee vragen met 'nee' beantwoord; op de formulieren oktober, november en december 2000 zijn de vragen "Heeft u in deze periode inkomen ontvangen?" en "Heeft u nog inkomen tegoed over deze periode?" met 'nee' beantwoord en is de vraag "Werkt u als zelfstandige?" niet ingevuld; op het formulier voor september 2000 zijn alle drie de vragen wat betreft verdachte niet beantwoord en op het formulier van januari 2001 zijn alle vragen met 'nee' beantwoord. Hierover is evenwel niet geklaagd.

4.11. Ten derde wordt geklaagd over de afwijzing van het verzoek van de verdediging om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring te onderbouwen met stukken. Volgens de steller van het middel is het hof daarbij voorbijgegaan aan het noodzakelijkheidscriterium.

4.12. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 8 juni 2007 is door de raadsman het volgende aangevoerd:

"Mijn cliënt heeft verklaard dat hij naar aanleiding van de zakelijke contacten met [betrokkene 1], [D] en [betrokkene 2] geen inkomen heeft ontvangen in de periode waarin hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Gehoord hebbende de ondervraging van mijn cliënt wil ik het hof verzoeken het onderzoek ter terechtzitting aan te houden teneinde mijn cliënt in de gelegenheid te stellen stukken aan te reiken om deze stellingen te onderbouwen."

4.13. Het hof heeft hier als volgt op beslist:

"De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het onderzoek ter terechtzitting niet zal worden aangehouden omdat er al eerder een aanhouding is geweest op verzoek van de verdediging teneinde door de rechter-commissaris getuigen te laten horen en dat bovendien alles wat vandaag besproken is uit het dossier volgt en dus geen verrassing voor de verdedigingen hoeft te zijn."

4.14. Terecht wijst de steller van het middel er op dat het verzoek diende te worden getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. Verdachte heeft beweerd dat hij geen geld heeft ontvangen van de drie genoemde personen hoewel deze personen anders hebben verklaard. De verdediging wilde de gelegenheid krijgen om deze tegenspraak van de bewering dat verdachte betalingen zou hebben ontvangen te onderbouwen. Het beroep op de inhoud van het dossier, noch de verwijzing naar een eerdere aanhouding kan mijns inziens de afwijzing van het verzoek dragen. Dat eerder getuigen zijn gehoord doet niet af aan het recht van verdachte stukken aan te leveren ter onderbouwing van zijn standpunt en ter betwisting van belastende verklaringen die anderen over hem hebben afgelegd en die zich in het dossier bevinden. Niet kan blijken dat het hof het juiste criterium heeft toegepast. Als het hof wel van het juiste criterium zou zijn uitgegaan is zijn beslissing onbegrijpelijk.

5. Het eerste middel en het tweede en derde onderdeel van het tweede middel zijn terecht voorgesteld. Ambtshalve wijs ik er nog op dat inmiddels de termijn van 2 jaar in de cassatiefase is overschreden, nu namens verdachte op 4 juli 2007 cassatie is ingesteld. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM ook in die zin zal worden overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal hier bij een eventuele strafoplegging rekening mee moeten houden. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van de bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem teneinde in hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met zaaknummer 08/01352.

2 Ten onrechte heeft het hof in de kwalificatie niet doen uitkomen dat het gaat om meerdaadse samenloop. De kwalificatie dient te luiden "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en ook diende artikel 57 Sr te worden aangehaald.